Veel managers blinken uit in onbegrijpelijke taal. Lege woorden. Vage begrippen. Nederengelse bullshit. Om te verhullen, te imponeren of simpelweg hun onkunde te verbergen. Een pleidooi voor klare taal.

Tekst Sam De Kegel
In 2012 schreef ik als journalist voor het economisch weekblad Trends een artikel over wollige managementtaal.
Mijn stuk begon zo:
Ik kan tegenwoordig geen interview meer doen met een weet-ik-veel-manager of ik word gebombardeerd met Nederengels vakjargon en nietszeggend taalgebruik. Onlangs nog: “Dé prestatie-indicator in today’s market voor onze young potentials is customer focus.” De HR-manager van een consultancyreus was nog maar begonnen, of ik had al afgehaakt. Mijn aandachtsveld verlegde zich naar de koeien die op honderd meter van mijn thuiskantoor grazen. Zij herkauwen tenminste hun taal eer ze me toespreken. En die is helder en eenvoudig: boe! In verschillende toonaarden, afhankelijk van hun humeur.
Er kwam toen veel reactie op het artikel. Heel wat managers voelden zich beledigd, heel veel werknemers slaakten een zucht van herkenning. Dertien jaar later is er niet gek veel veranderd. In sommige interviews word ik zo mogelijk nog meer getrakteerd op onbegrijpelijk jargon, vage taal of tenenkrullend Nederengels.
Veel managers gebruiken dit soort jargon onderling, en gaan dat uit gewenning snel gebruiken tegenover medewerkers, klanten en … journalisten. Elke manager is ‘performant’ en maakt vroeg of laat een ‘doorstart.’
Politici bakken het ook bruin. Een klassieker van het voorbije jaar is ‘doorpakken’. Jan Jambon, N-VA-minister van Financiën en Pensioenen, ‘pakt’ voortdurend ‘door’. Of, althans, dat hoopt hij. Al dan niet met nog een vervelend stopwoordje erachteraan: eigenlijk, feitelijk, of zo.
Bullshittermen
Ik noem het – mijn excuses voor de schuttingtaal – bullshittermen. Een geliefkoosde taaltactiek is het eufemisme: een moeilijke boodschap op een min of meer positieve manier verkopen via wollige taal. Je ontslaat al lang geen mensen meer, je neemt er afscheid van, of nog een graad erger: je flexibiliseert of revitaliseert het personeelsbestand.
Als we dezelfde bullshittermen gebruiken, behoren we tot hetzelfde clubje. Wie niet gretig meedoet en meepraat, valt uit de boot of wordt niet serieus genomen. "Een tijdje terug maakte ik een verslag in opdracht van mijn salesmanager. Ik vermeed zo veel mogelijk technische termen en gebruikte simpele zinnen die iedereen verstaat. Mijn manager stuurde de tekst terug met de boodschap dat hij zo'n simpele tekst niet kon voorstellen op z'n teamvergadering met de andere managers”, vertelt een werknemer me die om begrijpelijke redenen liever anoniem blijft. “Ten einde raad won ik advies in bij een collega. Die zei me dat ik veel té duidelijk en concreet was geweest. Ik doorspekte m'n tekst nadien met een batterij aan nietszeggende en lege woorden zoals implementeren en herpositioneren, waarna ik bericht kreeg dat de tekst goed was.”
Medewerkers zeggen het niet wanneer ze iets niet begrijpen. Enerzijds om niet 'dom' over te komen, anderzijds omdat er angst bestaat om kritiek te leveren op je baas.' Zo wordt de cirkel vicieus. Als je als manager niet te horen krijgt dat je taaltje niet wordt begrepen, dan blijf je het automatisch hanteren.
Managers kiezen vaak woorden die iets eenvoudigs moeilijk laten klinken om hun boodschap meer cachet te geven. Of erger: om zichzelf interessant(er) te maken en hun publiek te imponeren. Marc, ceo van een metaalbedrijf, doet er niet meer aan mee: “Managerstaal is uitgevonden om managers onder elkaar te laten babbelen en om hun eigen wereldje af te schermen. Maar om je werknemers aan te sturen moet je direct en eenvoudig communiceren. Wij leggen ons businessplan aan al onze werknemers – arbeiders en bedienden – uit in een eenvoudige taal, zodat iedereen betrokken is. Ook moeilijke termen als cashflow kan je uitleggen aan elke werknemer."
Helderheid als ambitie
In elke dialoog zou helderheid moeten triomferen. Jos Verveen, een Nederlandse ex-organisatieadviseur, schreef in 2011 de provocerende beststeller Bullshit Management. Zijn analyse was messcherp. “Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat rasmanagers en externe consultants de productiviteit op de werkvloer niet verhogen, integendeel. Ook het plezier op de werkvloer vermindert vaak. Ze goochelen met modellen, theorieën en dure termen die hen houvast moeten geven, maar eigenlijk zijn ze de weg volledig kwijt. Het grote probleem is dat die aparte laag die andere mensen zegt hoe ze zich beter moeten organiseren totaal niet (meer) met de inhoud bezig is. Dan krijg je frustratie bij de vakmannen die zeggen 'Mijn baas snapt er de ballen van.' Natuurlijk heb je in elk bedrijf chefs en leidinggevenden nodig, maar ze moeten verstand hebben van de inhoud. In familiebedrijven loopt er vaak geen enkele manager, laat staan een externe adviseur, rond. Allemaal werken ze op de inhoud."
Meestal loopt het al mis aan de bron: bij de rekrutering. Lees er tien willekeurige vacatures op na en let op het taalgebruik. In veel personeelsadvertenties struikel je over standaardzinnen die besmet zijn met het vaagtaalvirus. Ze willen proactieve, gedreven, flexibele en dynamische talenten. Je zou voor minder schrik krijgen om te solliciteren. Een bedrijf dat wel al jarenlang op een originele manier personeelsadvertenties maakt, is Jan De Nul. Vacatures zonder kapsones en met een vleugje fantasie, in klare en laagdrempelige taal.
Braaftaal
Onmisbaar in het betere managementbargoens: het Nederengels. De verengelsing van onze taal lijkt onomkeerbaar. Wie zijn betoog opsmukt met veel Engelse termen, scoort. Zeg dus 'dealen met' in plaats van omgaan met, en 'support of monitor' je medewerkers in hun 'targets' in plaats van ze te ondersteunen met heldere doelen. Okay, voor wie met buitenlandse collega's, klanten of leveranciers Engels als voertaal gebruikt of in een internationaal bedrijf werkt, kunnen we mild zijn. Maar in een one-to-one meeting - excuseer – één-op-ééngesprek met een Vlaamse collega kan je evengoed Nederlandse alternatieven gebruiken. Tenzij we echt willen dat ons Nederlands afglijdt naar een potpourri van Nederlands, doorspekt met Engels.
Voor alle duidelijkheid: we hebben niets tegen vaktaal. Iedereen gebruikt vakjargon: journalisten, juristen, softwareontwikkelaars, verkopers, lassers, schrijnwerkers ... Vaktaal zorgt voor scherpte en focus in een gesprek, managerstaal daarentegen niet. Soms is managementtaal zo onduidelijk en omslachtig omdat het helemaal niet de bedoeling is dat anderen jou begrijpen. De taal als machtsinstrument om zogenaamde leken of ondergeschikten op afstand te houden.
Nederlander Joep Schrijvers, auteur van Hoe word ik een rat?", een boek over de kunst van het konkelfoezen op de werkvloer, noemde managementtaal ooit 'braaftaal'. Volgens hem proberen managers met hun wollige taalgebruik de scherpe kantjes van hun boodschap te verhullen of iets mooier voor te stellen dan in werkelijkheid. In welk bedrijf vallen er nog ontslagen? Neen, er wordt zoveel liever 'afscheid genomen van elkaar in onderling overleg'.
Een eeuweling onder druk?
Het belangrijkste in communicatie is vaak datgene wat niet wordt gezegd. Managementtaal legt een sluier over de waarheid. Waarom niet open en eerlijk communiceren als er iets fout loopt in het bedrijf? Als je als manager rechtuit en open communiceert, word je veel menselijker voor je werknemers. Een manager die af en toe een schouderklopje geeft of troost indien nodig, is zoveel meer waard dan de kille manager die werknemers letterlijk ziet als menselijk kapitaal. Managementtaal is dus ook een barrière voor gevoelens op de werkvloer.
De manager bestaat ondertussen bijna 115 jaar, sinds Frederick Taylor in 1911 zijn toen revolutionaire ideeën over management en wetenschappelijke bedrijfsvoering introduceerde. Ondernemers stelden managers aan als hun zaakwaarnemers. Decennialang groeide het aantal managers explosief, maar zijn of haar toekomst oogt onzeker. Terwijl ze vroeger zelf het mes in hun personeelsbestand moesten zetten, blijven ze vandaag bij reorganisaties zelf niet altijd buiten schot en worden ze straks misschien een bedreigde (kosten)soort. Een goeie manager is en blijft heel waardevol voor een bedrijf: hij of zij creëert van een groep individuele werknemers een team dat voor elkaar door het vuur wil gaan, zodat het bedrijf beter presteert. Maar wie zijn publiek niet kan begeesteren of weinig te vertellen heeft, gebruikt vaak heel veel moeilijke woorden. Zo probeert hij zich een aura van onmisbaarheid aan te meten of wil hij zijn eigen hachje redden.
Een vuilnisbelt van taal
Gelukkig lopen er ook op elke werkvloer werknemers rond met een sensitieve bullshitradar. Ze hebben heel snel in de smiezen wanneer managers te veel woorden gebruiken, Nederengels preken, foute metaforen bedenken of verhullende taal praten. Met één welgemikt synoniem halen ze de glans van een schijnbaar imponerende zin. Ze fungeren als taalrebellen op de werkvloer en indien nodig roepen ze op tot muiterij.
Hun bullshitradar klopt tegenwoordig overuren. Met dank ook aan de tsunami van – vaak – lege AI-taal die internet en LinkedIn overspoelt, met een leger aan zielloze emoticons erbovenop. Er is een naam voor: slop. Ja, van Engelse oorsprong, maar misschien moeten we er een scherp Nederlands alternatief voor bedenken. Zoals dat mooie radioprogramma Nieuwe Feiten doet met haar rubriek ‘Ontbreekwoorden’: woorden die nog niet bestaan, maar dat wel zouden moeten doen.
Slop is afval: generieke en massaal geproduceerde AI-content die nauwelijks iets toevoegt, maar alles en iedereen overspoelt. Tim Verheyden, technologie-expert bij VRT: “Slop beperkt zich niet tot foto’s of video’s. Het is overal: posts op het sociale medium LinkedIn vol perfecte en soms ook inhoudloze leiderschapslessen, nieuwsbrieven die allemaal hetzelfde klinken, AI-stemmen in podcasts, webshops met betekenisloze productbeschrijvingen en websites met nepnieuws geschreven door AI-journalisten. Hallucineren was het probleem van gisteren: het moment waarop we ontdekten dat AI dingen kan verzinnen. Slop is het probleem van vandaag en morgen. Steeds meer waarnemers delen dezelfde analyse: het grootste risico van generatieve AI (kunstmatige intelligentie die nieuwe content kan maken, zoals teksten en afbeeldingen, red.) is niet dat ze liegt, maar dat ze de wereld verzadigt met dingen die er nauwelijks toe doen.”
De grote taalleegte is nabij. Wijlen Etienne Vermeersch, filosoof, opiniemaker, wijze mens én voorstander van klare taal, draait zich om in zijn graf. Ooit interviewde ik hem in zijn stoffige werkkamer in Melle. We waren omsingeld door honderden boeken die hij stuk voor stuk had gelezen. Ik leerde twee (levens)lessen van hem. Eén: gedraag je nooit als expert over een onderwerp dat je niet 200 procent beheerst. Twee: praat zo helder mogelijk. "Sommige managers en professoren gebruiken moeilijke woorden om hun eigen onkunde te verbergen”, zei hij droog. “Bij mij zijn die aan het verkeerde adres. De meeste mensen durven niet te zeggen: 'Ik versta dat niet.' Ik vraag altijd door: 'Leg dat eens uit of geef mij een concreet voorbeeld. Dan vallen velen door de mand. Als ouders moeilijke begrippen gebruiken tegenover hun kinderen, zullen die laatsten heel snel aangeven dat ze er niets van begrijpen. We moeten weer dat kind durven te zijn”, besloot hij.
Onze top-3 van irritante managerstaal
Onze top-3 van irritante managementuitdrukkingen. Inclusief de onderhuidse motieven. Asap geïntegreerd in deze functionele sidestory.
- Denk out-of-the-box
Wat ze elke dag verwachten van hun werknemers, maar zelf nauwelijks doen: verrassend en origineel uit de hoek komen.
- We moeten onze processen alignen
Een woord dat te pas en vooral te onpas wordt gebruikt om alles wat fout loopt, recht te trekken. Letterlijk: het op één lijn brengen van verschillende zaken. Op de website ZigZagHR is alignment zelfs een leiderschapsvaardigheid. En bestaan er alignment-lekken. O wee …
Kan je dit nog even finetunen?
O wee als je dit te horen krijgt. In mensentaal: begin maar opnieuw. Of in sappig West-Vlaams: kerekewere.![]()









