Overslaan en naar de inhoud gaan
  • 04/11/2026

Sinds begin dit jaar is de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd een feit. Een hervorming die lang op zich liet wachten, werd uiteindelijk in sneltempo doorgevoerd. De vraag is nu of ook de rest van het beleid – federaal, regionaal en lokaal – klaarstaat voor deze nieuwe realiteit. Voka pleit voor een vernieuwde activeringsaanpak, waarin alle beleidsniveaus hun eigen koers bijsturen en hun onderlinge samenwerking heruitvinden. 

De impact van de beperking van de werkloosheidsuitkering 

De eerste resultaten van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd bevestigen dat de hervorming verschillende bewegingen bij werkzoekenden op gang brengt. Uit een recente impactevaluatie van VDAB blijkt dat de uitstroom naar duurzaam werk wel degelijk is toegenomen. Tegelijk is er een opvallende verschuiving naar andere uitkeringsstelsels: 21% stroomde minstens tijdelijk uit wegens ziekte en er is ook een sterke verschuiving naar het leefloon.

De uitzendsector, maatwerkbedrijven en lokale besturen spelen een belangrijke rol in de bijkomende tewerkstelling en ook de toename in het aantal werkzoekenden die aan de slag gaat als zelfstandige valt op. Deze eerste evaluatie had specifiek betrekking op langdurig werkzoekenden, de impact op nieuwe werkzoekenden, die sinds maart 2026 onder de definitieve regeling vallen, moet nog blijken uit verder onderzoek.

Vlaams activeringsbeleid

De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd is dan wel een federale maatregel, maar het vormt uiteraard ook een gamechanger in het Vlaamse activeringsbeleid. Hoewel aanklampende bemiddeling op maat al langer de beleidslijn in Vlaanderen uitmaakt, blijven veel van de processen, maatregelen en specifieke instrumenten voor activering uitgewerkt en tot stand gekomen tegen een achtergrond waarin ‘tijd’ een andere factor vormde dan vandaag. 

Het is evident dat die allemaal tegen het licht gehouden moeten worden en aangepast aan de nieuwe noden en realiteit. Zo is bijvoorbeeld de tijd voor om- en bijscholing van werkzoekenden veranderd en is er bijgevolg nood aan meer mogelijkheden om opleiding en werken te combineren.

Schrappen wat niet (meer) past, is daarbij uiteraard niet hetzelfde als schrappen zonder meer. Onder andere de wegbespaarde Vlaamse fiscale autonomie (doelgroepenbeleid), het stopzetten van de samenwerking met sectoren en de besparingen op levenlang leren roepen vragen op en moeten voer zijn voor verder debat als men vanuit Vlaanderen wil inspelen op de beperking van de werkloosheidsuitkering en succesvol de werkzaamheidsgraad wil blijven optrekken.

Daarnaast krijgt ook specifiek de VDAB er nu een bijzondere uitdaging bij, die samenvalt met een belangrijke kerntaken- en besparingsoefening. De dienst moet daarom nu snel met de Vlaamse regering een beheersovereenkomst kunnen afsluiten met heldere inhoudelijke en financiële afspraken. Door de beperking van de werkloosheid in de tijd moet VDAB bovendien niet alleen haar eigen dienstverlening (en die van partners) bijsturen, ze moet ook haar positie tegenover andere institutionele actoren nu meer dan ooit scherp kunnen stellen: wie staat in voor de arbeidsbemiddeling van leefloongerechtigden, zorgt voor de re-integratie van wie door ziekte gestopt is met werken en activeert de een op vijf Vlamingen op beroepsleeftijd die nog niet op zoek zijn naar werk? 

Wanneer de werkloosheidsuitkering stopt in de tijd, mag dat niet betekenen dat ook de activering of bemiddeling naar werk zou stoppen.

Ook andere beleidsniveaus nog aan zet

In een gezamenlijk pleidooi roepen de interprofessionele werkgeversorganisaties Voka, AKT, Beci, AVED en VBO de verschillende overheden van dit land daarom op om hun arbeidsmarktbeleid te vernieuwen en ook de samenwerking tussen overheden opnieuw vorm te geven met duidelijke afspraken over wie waarvoor verantwoordelijk is en een veel sterkere samenwerking tussen de betrokken instellingen. Belangrijk daarbij zijn bindende samenwerkingsakkoorden met kracht van wet tussen de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten, zoals VDAB, en de OCMW’s, met heldere afspraken over begeleiding, controle, financiering en gegevensuitwisseling. Ook de samenwerking tussen VDAB en het RIZIV moet worden versterkt, zodat arbeidsongeschikten sneller en gerichter naar werk kunnen worden begeleid, onder meer via een versterkt Terug-Naar-Werk-beleid. 

Daarnaast vragen de werkgeversorganisaties om te onderzoeken of en hoe een asymmetrisch arbeidsmarktbeleid, waarbij het federale normatieve kader sterker wordt afgestemd op de specifieke arbeidsmarktrealiteit van elk gewest, tot betere activeringsresultaten kan leiden. Ook  financiële werkloosheidsvallen moeten worden weggewerkt, zodat werken altijd meer loont dan niet werken. Een gezamenlijke monitoring van de uitstroom uit de werkloosheid, opleidingen die beter aansluiten op de arbeidsmarktnoden en een hervorming van de tewerkstelling via artikel 60 en 61 gericht op duurzame doorstroom naar reguliere jobs, moeten deze aanpak ondersteunen. 

Wanneer de werkloosheidsuitkering stopt in de tijd, mag dat immers niet betekenen dat ook de activering of bemiddeling naar werk zou stoppen.

Contactpersoon

Veerle Van Nieuwenhuysen

Expert Arbeidsmarkt

imu - vzw - bpost
Advertisement
imu - vzw - hillewaere
imu - vzw 100jo
ING
Orange
SDWorx