De Vlaamse regering heeft een belangrijke stap gezet voor de energie-intensieve industrie. Met een principiële goedkeuring van een wijziging aan de bestaande regeling voor de compensatie van indirecte emissiekosten wordt de steun voortaan opengesteld voor een tweede groep bedrijven en sectoren. Dat is positief en noodzakelijk. Maar voor Voka is het tegelijk duidelijk dat deze beslissing geen eindpunt mag zijn. Vlaanderen benut vandaag nog niet de volledige ruimte die Europa biedt, terwijl onze ondernemingen blijven kampen met hoge elektriciteitskosten, toenemende internationale concurrentie en een onzeker investeringsklimaat.
Wat is compensatie voor indirecte emissiekosten?
De compensatie voor indirecte emissiekosten (vaak CIE of ICL genoemd) is geen klassieke subsidie, maar een correctie op een beleidskost. Via het Europese emissiehandelssysteem EU ETS moeten elektriciteitsproducenten emissierechten aankopen voor hun CO₂-uitstoot. Die kost wordt doorgerekend in de elektriciteitsprijs. Energie-intensieve bedrijven betalen daardoor onrechtstreeks een koolstofkost via hun elektriciteitsfactuur. De CIE-regeling compenseert een deel van die indirecte CO₂-kosten om het concurrentienadeel tegenover regio’s met minder ambitieuze klimaatregels te beperken en koolstoflekkage te vermijden. Zonder die compensatie dreigt productie te verschuiven naar landen met lagere klimaatambities, wat zowel economisch als ecologisch contraproductief is.
Wat heeft de Vlaamse regering beslist?
De Vlaamse regering breidt de bestaande CIE-regeling uit naar een tweede doelgroep van bijkomende sectoren. Dat volgt uit aangepaste Europese richtsnoeren die meer sectoren erkennen als blootgesteld aan indirecte koolstofkosten. Het gaat onder meer om bijkomende activiteiten in de chemie, textiel, glas, keramiek, houtverwerking en andere energie-intensieve sectoren.
Daarnaast worden ook de modaliteiten van de steun aangepast:
- De bestaande doelgroep behoudt een compensatie van 75%, terwijl Europa tot 80% toelaat
- Voor de nieuwe doelgroep kan theoretisch tot 75% steun worden toegekend
- De uitbreiding wordt gefinancierd met middelen uit het federale energienormdossier
- De steun voor de nieuwe doelgroep geldt voorlopig voor emissiejaren 2026, 2027 en 2028
- Er is een mogelijkheid tot verlenging richting 2030, afhankelijk van budget en beleidskeuzes
Belangrijk is dat de Vlaamse overheid kiest om de federale middelen te integreren in het bestaande CIE-mechanisme, eerder dan een aparte toepassing van het Europese CISAF-kader uit te werken.
Beperkt budget remt impact van uitbreiding
Hoewel de uitbreiding op zich positief is, wordt de impact in de praktijk afgeremd door budgettaire beperkingen. Voor de nieuwe doelgroep wordt een aparte, begrensde enveloppe voorzien. Bij onvoldoende middelen zal de steun pro rata worden verdeeld. Dat betekent concreet dat de effectieve compensatie voor nieuwe sectoren aanzienlijk lager kan uitvallen dan de Europese maxima. Volgens de inschatting van Voka kan dit neerkomen op ongeveer 45% compensatie, duidelijk onder de toegelaten 75%. Voor de bestaande sectoren blijft Vlaanderen bovendien steken op 75%, terwijl Europa 80% toelaat. Ook het uitzonderingsmechanisme, dat in andere landen wordt toegepast om concurrentienadelen te beperken, blijft voorlopig onbenut.
Investeringsverplichtingen: nood aan realisme
De uitbreiding gaat gepaard met investeringsvoorwaarden. Voor de bestaande doelgroep blijven de huidige regels gelden. Voor de nieuwe doelgroep wordt een investeringsverplichting ingevoerd, gebaseerd op de logica van het Europese CISAF-kader.
Concreet gaat het om:
- Een herinvesteringsplicht van 50% van de ontvangen steun
- Mogelijkheid om te investeren in o.a. energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en elektrolyse
- Verruiming van de investeringstermijn tot zeven jaar
- Extra flexibiliteit, bijvoorbeeld voor capaciteitsuitbreidingen
Die flexibiliteit en de langere herinvesteringstermijn is positief, maar voor Voka blijft het cruciaal dat de voorwaarden realistisch blijven.
Bedrijven investeren vandaag al fors in verduurzaming. Extra nationale voorwaarden bovenop het Europese kader, zogenaamde goldplating, dreigen de effectiviteit van de maatregel te ondergraven en het level playing field met buurlanden te verstoren. Voor de bestaande doelgroep blijven de huidige voorwaarden gelden, die op zich al aan goldplating onderhevig zijn, maar voor de nieuwe sectoren worden andere voorwaarden geïmporteerd, namelijk deze uit het CISAF-kader, wat een ander steunmechanisme met andere finaliteit betreft.
Impact voor Vlaamse bedrijven
Voor Vlaamse bedrijven betekent de beslissing een gemengd verhaal. Enerzijds is het positief dat meer ondernemingen toegang krijgen tot compensatie voor indirecte emissiekosten, dat de druk van deze CO₂-gerelateerde elektriciteitskosten gedeeltelijk wordt verlicht en dat investeringen in verduurzaming mee ondersteund worden. Dat zijn belangrijke stappen vooruit in een context van hoge energieprijzen en toenemende internationale concurrentie.
Tegelijk blijven er echter fundamentele uitdagingen bestaan. De effectieve steun voor nieuwe sectoren dreigt door budgettaire beperkingen relatief beperkt te blijven, waardoor het verschil met de Europese maxima aanzienlijk kan zijn. Bovendien blijven de elektriciteitskosten in Vlaanderen hoger dan in de buurlanden, wat de concurrentiepositie onder druk zet. De onzekerheid rond toekomstige steun en energieprijzen weegt ook op het investeringsklimaat, en een deel van de energie-intensieve industrie blijft vandaag nog steeds buiten het bereik van de regeling. Voor veel ondernemingen zal deze maatregel dus wel verlichting bieden, maar onvoldoende zijn om het concurrentienadeel structureel weg te werken.
Conclusie
Voor Voka is de conclusie dan ook duidelijk: dit is een noodzakelijke stap, maar geen eindpunt. Vlaanderen moet nu doorpakken en kiezen voor een ambitieuzer industriebeleid. Dat betekent dat de beschikbare Europese ruimte maximaal moet worden benut, met hogere compensatieniveaus voor zowel bestaande als nieuwe sectoren, en dat er bijkomende budgettaire inspanningen nodig zijn om die steun effectief te realiseren.
Tegelijk is het essentieel om bijkomende nationale voorwaarden, zogenaamde goldplating, te vermijden en de herinvesteringsverplichtingen af te stemmen op wat Europa minimaal vraagt. Ook de herinvoering van het uitzonderingsmechanisme is nodig om de concurrentiehandicap ten opzichte van buurlanden te verkleinen, en het Europese CISAF-kader moet volwaardig worden ingezet om een bredere groep bedrijven te ondersteunen. Alleen met een combinatie van deze maatregelen kan Vlaanderen evolueren naar een echte energienorm die zorgt voor structureel competitieve elektriciteitsprijzen en een duurzaam verankerde industrie.







