De Vlaamse regering heeft een principiële beslissing genomen over de invoering van een Vlaamse energietaxshift. Vanaf 2028 worden beleidskosten verschoven van elektriciteit naar fossiele brandstoffen, terwijl de elektriciteitsfactuur bijkomend daalt via Europese ETS2-middelen. De hervorming moet de elektrificatie van de economie versnellen en de overstap naar klimaatvriendelijke technologieën aantrekkelijker maken. Voor ondernemingen kan de impact verschillen, sterk afhankelijk van hun energieprofiel.
Elektriciteit goedkoper, fossiel duurder
De energietaxshift vertrekt vanuit een duidelijke doelstelling: de prijsverhouding tussen elektriciteit en fossiele brandstoffen verbeteren. Vandaag is elektriciteit in België relatief duur, wat investeringen in elektrificatie – zoals warmtepompen of e-boilers – afremt.
Om dat te corrigeren, verschuift Vlaanderen een deel van de kosten in de energiefactuur. Zo worden de kosten van warmtekrachtcertificaten (WKC) niet langer via elektriciteit doorgerekend, maar via fossiele brandstoffen zoals aardgas en stookolie.
Daarnaast verschuiven ook verschillende openbare dienstverplichtingen gedeeltelijk van elektriciteit naar aardgas. Tegelijk wordt de bijdrage Energiefonds op elektriciteitsaansluitingen sterk verlaagd en deels vervangen door een bijdrage op grotere aardgasaansluitingen. Bovenop deze verschuiving voorziet de regering een bijkomende verlaging van de elektriciteitsfactuur met middelen uit het ETS2-systeem. Het resultaat is duidelijk: elektriciteit wordt goedkoper, terwijl fossiele brandstoffen duurder worden.
Impact voor ondernemingen: sterk afhankelijk van energieprofiel
Voor bedrijven is de impact van de energietaxshift niet uniform. Bedrijven die veel elektriciteit gebruiken, zien hun kosten dalen. Dat komt doordat hun elektriciteitsfactuur structureel afneemt, onder meer via lagere nettarieven. Tegelijk verminderen de vaste heffingen op industriële aansluitingen aanzienlijk, wat vooral voor grotere afnemers een belangrijk voordeel is. Door deze combinatie wordt investeren in elektrificatie aantrekkelijker.
Voor ondernemingen die sterk afhankelijk zijn van aardgas of andere fossiele brandstoffen – bijvoorbeeld voor proceswarmte – is het beeld anders. Zij worden geconfronteerd met stijgende variabele kosten voor fossiele brandstoffen, doordat nieuwe lasten zoals de WKC-verplichting en openbare dienstverplichtingen worden doorgerekend in de gasprijs. Tegelijk verdwijnt het bestaande kostenplafond (supercap) op elektriciteit en wordt er geen gelijkaardig mechanisme voorzien voor fossiele brandstoffen, waardoor kosten minder begrensd worden.
Vooral sectoren met hoge temperatuurprocessen, zoals glas, keramiek, staal en bepaalde chemische toepassingen, kunnen hierdoor een hogere kostenimpact ondervinden. Op macroniveau blijft de impact voor ondernemingen relatief beperkt, onder meer dankzij vrijstellingen en degressiviteit voor grote verbruikers. In de praktijk kunnen de effecten echter sterk verschillen van bedrijf tot bedrijf, afhankelijk van hun energieverbruik en de mogelijkheid om te elektrificeren.
Steun voor de logica, maar belangrijke aandachtspunten
Voka begrijpt en ondersteunt de doelstelling van de Vlaamse energietaxshift. Het verbeteren van de prijsverhouding tussen elektriciteit en fossiele brandstoffen is essentieel om de energietransitie te versnellen. De hervorming bevat volgens Voka ook duidelijke positieve elementen. Zo is er een sterke focus op het verlagen van de elektriciteitskosten, wordt er een duidelijke stimulans gegeven voor elektrificatie en decarbonisatie, en is er aandacht voor degressiviteit en vrijstellingen om de impact voor grote verbruikers te milderen.
Op expliciete vraag van Voka worden gasintensieve processen zoals mineralogische en metallurgische processen bijkomend vrijgesteld. Daarnaast is er zichtbaar geprobeerd om de oefening evenwichtig te houden op macroniveau.
Tegelijk blijven er belangrijke uitdagingen. Voor gasintensieve bedrijven nemen de kosten toe, wat in combinatie met andere maatregelen – zoals de stijgende CO₂-prijs binnen ETS1, de invoering van ETS2 en federale accijnsverhogingen – de internationale concurrentiepositie onder druk kan zetten. Het wegvallen van de supercap betekent bovendien dat energie-intensieve bedrijven geen plafond meer hebben op certificaatkosten voor fossiele brandstoffen, wat kan leiden tot hogere en minder voorspelbare kosten.
Daarnaast zijn er in verschillende sectoren vandaag nog geen volwaardige alternatieven voor fossiele brandstoffen, zeker voor hoge temperatuurprocessen. In die gevallen vertaalt de taxshift zich eerder in een kostenverhoging dan in een haalbare transitie. De Vlaamse maatregel staat bovendien niet op zichzelf. De impact moet bekeken worden in samenhang met de stijgende CO₂-prijzen binnen ETS1, de invoering van ETS2 en federale energie- en accijnsmaatregelen. Volgens Voka is afstemming tussen deze beleidsniveaus essentieel om overbelasting te vermijden.
Tot slot wijst Voka erop dat elektrificatie enkel mogelijk is als ook de randvoorwaarden op orde zijn. Zo is voldoende netcapaciteit noodzakelijk om bijkomende elektrische toepassingen aan te sluiten, en moet het capaciteitstarief aangepast worden zodat het investeringen in elektrificatie niet afremt. Zonder deze randvoorwaarden dreigt de taxshift haar doel deels voorbij te schieten.
Conclusie: stap in goede richting
De Vlaamse energietaxshift is een belangrijke stap richting een meer elektrisch en klimaatvriendelijk energiesysteem. Voor veel bedrijven biedt ze kansen via lagere elektriciteitskosten. Tegelijk blijft het cruciaal om de impact op energie-intensieve industrie nauwgezet op te volgen en waar nodig bij te sturen. Alleen zo kan de transitie worden gerealiseerd met behoud van een sterke en competitieve industrie in Vlaanderen. Voka blijft dit dossier actief opvolgen en in overleg met de overheid werken aan een werkbare en evenwichtige implementatie.







