De Studiecommissie voor de Vergrijzing publiceerde eind vorige week haar jaarlijkse raming van de toekomstige vergrijzingsfactuur. Die bracht eerder zeldzaam goed financieel nieuws voor de federale regering.
Tegen 2070 zouden de jaarlijkse sociale overheidsuitgaven nog met 1,5% van het bbp toenemen tot 27,2%, of met tien miljard in euro’s van vandaag. Dat is een veel beperktere stijging dan voor de hervormingen van deze regering in de pensioenen en de werkloosheidsuitkering. Volgens de ramingen van 2024 (voor die hervormingen) zouden de sociale uitgaven nog oplopen tot 30% van het bbp. Op langere termijn zorgen de hervormingen van deze regering dus voor een miljardenbesparing op de uitgaven, ook al duurt het nog geruime tijd voor dat echt duidelijk wordt.
Hopen op sterkere productiviteitsgroei
Helaas hebben die ramingen nog altijd een vrij groot hocuspocus-gehalte. Net als bij eerdere ramingen blijft de Studiecommissie uitgaan van een duidelijke versnelling van de productiviteitsgroei in de komende jaren. In het basisscenario gaat die productiviteitsgroei naar 1,3% per jaar vanaf 2040. Ter vergelijking, vandaag ligt die productiviteitsgroei op amper 0,3% per jaar, het gemiddelde over de voorbije 25 jaar was 0,7% per jaar. Het valt onmogelijk te voorspellen hoeveel de productiviteitsgroei zal bedragen de komende decennia. De huidige realiteit is dat die al decennialang aan het vertragen is, en ondertussen bijna stilgevallen is. Rekenen op een ommekeer in die trend en een duidelijke versnelling om de vergrijzingsfactuur binnen de perken te houden, is op z’n zachtst gezegd nogal optimistisch.
Dat is relevant omdat zelfs kleine verschillen in productiviteitsgroei een enorme impact hebben op de toekomstige vergrijzingsfactuur. Als de productiviteitsgroei niet versnelt naar 1,3% per jaar, maar louter terugkeert naar het gemiddelde van de voorbije 25 jaar, dan zou de extra jaarlijkse vergrijzingsfactuur op termijn niet uitkomen op tien miljard, maar op 36 miljard (in euro’s van vandaag). Mocht de productiviteitsgroei blijven hangen op het huidige niveau wordt dat 56 miljard. En mocht de productiviteitsgroei volledig stilvallen zelfs 74 miljard (aan extra overheidsuitgaven per jaar). Anderzijds, mochten we de productiviteitsgroei kunnen opdrijven naar 2% per jaar, dan hoeven we ons helemaal geen zorgen meer te maken over de vergrijzingsfactuur.
Het beleid moet veel meer gericht worden op die noodzakelijke versterking van de productiviteitsgroei.
Prioritaire focus op productiviteit
Hoe zwaar de toekomstige vergrijzingsfactuur uitvalt, hangt dus cruciaal af van wat er met de productiviteitsgroei gebeurt. Hopen op een forse versnelling in die productiviteit is geen ernstig beleid. De realiteit is pijnlijk simpel: als we er niet in slagen om de productiviteitsgroei gevoelig op te krikken, dan wordt onze welvaartsstaat onbetaalbaar (zelfs met de recente hervormingen).
Er zijn mogelijkheden om de productiviteitsgroei te versterken, via digitalisering, AI, meer ondernemerschap, minder regulering, meer investeringen, meer innovatie, meer flexibiliteit, vlottere vergunningen, kortom beter beleid… Maar dat zal allemaal niet vanzelf gebeuren. Het beleid moet veel meer gericht worden op die noodzakelijke versterking van de productiviteitsgroei. Anders kunnen we onze huidige welvaartsstaat vergeten.







