PVDA pakte deze week luid uit met een eerdere studie van de Nationale Bank over het afnemende loonaandeel in onze economie. Ze verpakten het als ‘de voorbije tien jaar verschoof 16 miljard van arbeid naar kapitaal’. Helaas hadden ze de studie blijkbaar niet heel grondig gelezen.
Afnemend deel van de koek naar lonen
De voorbije 30 jaar is er in onze economie inderdaad een dalend deel van de waarde, die gecreëerd wordt, dat naar lonen gaat. Dat zogenaamde loonaandeel zakte sinds 1995 van 50,6% naar 48,7%. Die daling zat op de lonen zelf (-1,2% van het bbp), maar vooral op de sociale bijdragen (-1,8%). PVDA gaat er dan nogal makkelijk van uit dat die daling van het loonaandeel automatisch betekent dat er meer geld naar de aandeelhouders vloeit. Dat is te kort door de bocht.
Het deel van de gecreëerde waarde in onze economie dat naar kapitaal vloeit, is effectief toegenomen, maar vooral doordat de inzet van kapitaal in onze economie toegenomen. De totale kapitaalvoorraad in onze economie is sinds 1995 opgelopen van 377% van het bbp tot 441% vandaag. Doordat er meer kapitaal ingezet wordt in onze economie is het ook niet meer dan logisch dat de compensatie voor kapitaal toegenomen is.
Bovendien wordt het ingezette kapitaal ook sneller afgeschreven (denk maar aan de kortere levensduur van allerlei digitale toepassingen). Dat impliceert dat het netto-winstaandeel in onze economie sinds 1995 vrij stabiel is (+0,3%), terwijl vooral de afschrijvingen fors toegenomen zijn (+3,7% van het bbp). Die afschrijvingen zijn uiteraard geen geld dat naar de aandeelhouders vloeit.
Het afnemende loonaandeel is dan ook veel meer een gevolg van verschuivingen in onze economie, dan een bewuste strategie om meer geld naar de aandeelhouders door te sluizen (het beeld dat vanuit linkse hoek opgehangen wordt). Het toenemende belang in onze economie van meer kapitaal-intensieve activiteiten (zoals farma) en van grote ondernemingen (die gemiddeld ook kapitaal-intensiever zijn) is de belangrijkste factor achter het dalende loonaandeel. Daarnaast blijft het loonaandeel in ons land nog altijd (net) boven het Europese gemiddelde, terwijl er in ons land veel minder mensen aan het werk zijn dan gemiddeld in Europa en onze economie gemiddeld kapitaal-intensiever is.
Het dalende loonaandeel is geen indicatie van te lage lonen in ons land of van fors toenemende ongelijkheid.
Geen toenemende ongelijkheid
PVDA linkt het afnemende loonaandeel ook meteen aan toenemende ongelijkheid. Dat is zo mogelijk nog korter door de bocht. Ook de studie van de Nationale Bank wijst er expliciet op dat daarvan geen sprake is in België. Integendeel, de inkomensongelijkheid in ons land is eerder aan het afnemen, en hoort trouwens al bij de laagste van Europa. Zo is de verhouding tussen de 20% hoogste inkomens en de 20% laagste inkomens in ons land de vierde laagste van Europa (na Slovenië, Slovakije en Tsjechië, landen die toch nog op een ander ontwikkelingsniveau zitten). In Vlaanderen is die verhouding zelfs nog lager dan het Belgische gemiddelde. Ook andere indicatoren van inkomensongelijkheid tonen een gelijkaardig beeld.
Op het vlak van inkomensongelijkheid scoort België heel goed, mogelijk zelfs te goed. Er valt te argumenteren dat iets meer ongelijkheid op bepaalde vlakken beter zou zijn voor onze economie, in de mate dat dat voor extra incentieven kan zorgen om risico’s te nemen, om te ondernemen of om te investeren in opleiding.
Meer groei nodig
Het zal uiteraard niet de laatste keer zijn dat bepaalde cijfers door bepaalde politieke partijen misleidend voorgesteld worden om bepaalde voorstellen scherper in beeld te brengen. Het dalende loonaandeel is geen indicatie van te lage lonen in ons land of van fors toenemende ongelijkheid. De ongelijkheid in België is bij de laagste van Europa en onze loonkosten blijven bij de hoogste van Europa. Dat neemt niet weg dat de ambitie uiteraard moet blijven om meer welvaart te creëren voor iedereen. De kortste weg daarnaartoe loopt via sterkere economische groei. Beleidsmakers zouden beter daarop focussen.




