De Vlaamse regering hervormt het Vlaams Opleidingsverlof (VOV), het stelsel waarbij werknemers betaald afwezig kunnen zijn van het werk om opleiding te volgen. Hoewel het VOV zowel voor werknemers als werkgevers potentieel een belangrijk instrument kan zijn in het kader van levenslang leren, heeft het ook te lijden onder de complexiteit van de regelgeving. Is de hervorming die voorligt future proof met het oog op productiviteit en duurzame loopbanen? We lijsten de pro’s en contra’s op.
Pro’s - productiviteit, knelpunten en de rol van de werkgever
Kijken we naar de inhoud van opleidingen die voortaan nog met VOV gevolgd kunnen worden, dan ligt de focus op productiviteitsverhoging en het wegwerken van knelpunten op de arbeidsmarkt zoals basiscompetenties (onder andere talige en digitale geletterdheid), beroepsspecifieke competenties (onder andere technische en technologische opleidingen, STEM) en knelpuntberoepen. De hervorming houdt bovendien ook rekening met transities (digitale, klimaat- en energietransitie) en ook opleidingen die inspelen op toekomstige knelpunten (aangetoond door een competentieprognose) worden aanvaard.
Het succes van het proefproject met het gemeenschappelijk initiatiefrecht krijgt nu definitieve verankering. De positieve impact van de werkgever in levenslang leren (zeker voor kortgeschoolden) wordt erkend: de werkgever krijgt de mogelijkheid om een arbeidsmarktgerichte opleiding voor te stellen aan de werknemer en hiervoor VOV in te zetten. In dat geval wordt het recht verdubbeld en kan de werknemer tot maximaal 250 uur VOV opnemen.
Het werkgeversforfait wordt eindelijk verhoogd van 21,30 euro per uur VOV naar 24,50 euro per uur. Sinds schooljaar 2014-2015 werd het forfait niet meer aangepast, terwijl het minimum gewaarborgd loon wel geïndexeerd bleef. De architectuur van de maatregel - werknemer mag afwezig zijn van het werk om opleiding te volgen met behoud van een minimum gewaarborgd loon – maakt bijgevolg dat de kost voor de werkgever systematisch hoger wordt. Eindelijk krijgen werkgevers vanaf schooljaar 2026-2027 nu een gedeeltelijke correctie (van een indexering van het forfait is jammer genoeg nog steeds geen sprake).
De hervorming voert opnieuw verplichte aanwezigheid in voor opleidingen in het volwassenenonderwijs. Alleen voor opleidingen in het Hoger Onderwijs volstaat het om enkel deel te nemen aan de eindbeoordeling. Daarnaast kunnen werknemers die deeltijds of enkel in het weekend werken, VOV enkel nog opnemen voor opleidingsuren die samenvallen met een werkdag volgens het dienstrooster. Zo wil men verzekeren dat werknemers enkel afwezig zijn van het werk om opleiding te volgen of zich voor te bereiden op een examen.
Cons - belangrijke opleidingen verdwijnen en extra red tape
Algemene arbeidsmarktcompetenties (HR, leidinggeven, management, soft skills ...) worden geschrapt en kunnen niet langer gevolgd worden met VOV (met uitzondering van de opleidingen ‘sociaal overleg’ en mentoropleidingen). Het gaat om skills die op onze arbeidsmarkt net aan belang winnen.
Wettelijke verplichte opleidingen worden geschrapt. Opleidingen die ten laste zijn van de werkgever bij of op basis van een wettelijke bepaling of CAO worden voortaan uitgesloten van het VOV. Dit heeft een grote impact op onder andere veiligheidsopleidingen en vervolgopleidingen. De regelgeving is bovendien niet helemaal helder als het behalen van het benodigde certificaat of attest slechts een onderdeel vormt van een ruimere beroepsopleiding. Het is uiteraard aangewezen dat dit wel moet kunnen met VOV, maar dat wordt dan ook best verduidelijkt in de regelgeving.
Voor ‘bedrijfsinterne’ opleidingen moet voortaan een vragenlijst worden ingevuld om een extra check te doen of de concrete uitvoering van de opleiding volgens te complexe VOV-regelgeving is. De Vlaamse regering heeft de kans gemist om de definitie van wat als ‘bedrijfsintern’ wordt aanzien scherp af te bakenen, zodat enkel die opleidingen eronder zouden vallen waar de kans op misverstanden/mistoestanden tussen wat kan en wat niet kan met VOV het grootst is. Zo had de maatregel geen louter administratieve ballast betekend, maar had het zinvol kunnen bijdragen aan meer rechtszekerheid rond de grijze zones die de complexe regelgeving met zich meebrengt. De afbakening is echter in het besluit te ruim genomen: (opnieuw) wordt heel wat zinloze administratie aan werkgevers opgelegd. De afbakening moet scherper kunnen en in de uitvoering moet maximale aandacht gaan naar het ontzorgen van ondernemingen.
Voor opleidingen die via werkplekleren aangeboden worden, wordt een kunstmatig onderscheid ingevoerd tussen de uren theorie en de uren inoefenen van theorie, waarbij het aandeel werkplekleren maximaal 80% mag zijn. Naast de druk op praktische uitvoerbaarheid, brengt de regel extra planlast mee in de opstelling van en rapportering over de uitvoering van het opleidingsplan. De definitie van werkplekleren in het kader van VOV wijkt bovendien ook af van de definitie die door dezelfde Vlaamse regering in het (hoger) onderwijs gehanteerd wordt. Dit maakt het onnodig complex voor opleidingsverstrekkers en ondernemingen, we pleiten voor een werkbare en meer uniforme definitie.
In een context van besparingen wordt in de hervorming van het VOV gekozen voor productiviteit en knelpunten. Tegelijkertijd is het jammer dat niet volop de kaart getrokken wordt van de opleidingskracht van ondernemingen. Hoewel het gemeenschappelijk initiatiefrecht verankerd wordt, ondermijnen de nieuwe maatregelen rond wettelijk verplichte opleidingen, bedrijfsinterne opleidingen en werkplekleren aanzienlijk het potentieel en de toekomst van het VOV. Hoewel de Vlaamse regering de ambitie heeft red tape terug te dringen, dreigt het VOV net hierin verstrikt te geraken.



