De federale begrotingsopmaak dwingt de regering tot zware saneringen: om binnen het Europese kader van 3% van het bbp te blijven, zoekt men meer dan 10 miljard euro. In de Wetstraat klinkt de roep om de rekening door te schuiven naar “de sterkste schouders”. Concreet ligt een uitbreiding van de effectentaks op tafel, die voortaan ook nominatieve aandelen, beursgenoteerd én niet-beursgenoteerd, zou viseren. Het klinkt aantrekkelijk, maar getuigt van economische blindheid. Het vermogen van familiebedrijven is geen kluis vol cash waar de fiscus jaarlijks een greep in kan doen. Het is levend werkkapitaal: machines, labo’s, software, gebouwen en lonen. Wie dat vermogen afroomt, raakt aan de investeringskracht, de tewerkstelling en de lokale verankering van onze economie.
Frank Beckx (Voka) & Guido Vanherpe (Family Business Network)
Ondernemers dragen vandaag al stevig bij
België behoort volgens de OESO al decennia tot de koplopers qua belastingdruk. Familiale ondernemers betalen in elke fase van hun bedrijf stevige bijdragen: 25% vennootschapsbelasting op de winst, 30% roerende voorheffing op elk uitgekeerd dividend, tot 50% en meer aan lasten op arbeid waarmee ze de sociale zekerheid stutten, plus registratierechten en schenk- en erfbelasting die generatiewissels nu al bemoeilijken. Een effectentaks op aandelen op naam voegt daar een extra laag aan toe: een belasting op louter papieren waarde, los van enige gerealiseerde winst of cashflow.
Papieren waarde is geen cash
Een aandeel in een familiebedrijf is geen effectenrekening. Wie in beursfondsen belegt, kan met één muisklik een fractie verkopen om een belasting te betalen. Een familiale kmo kan geen halve vrachtwagen of een stuk serverpark afzagen. Om de taks op te hoesten, moet het bedrijf kunstmatig dividenden uitkeren. Dat geld gaat niet naar innovatie, loonindexaties of verduurzaming, en de fiscus eist onderweg nog eens 30% roerende voorheffing op.
En hoe waardeert de fiscus een niet-beursgenoteerd productiebedrijf in Kortrijk? Kijkt men naar het boekhoudkundig eigen vermogen, dan straft men net de voorzichtige bedrijven die reserves aanleggen om schokken te doorstaan. Kiest men voor theoretische overnamewaardes, dan belandt men in een carrousel van betwistingen en juridische willekeur. Moet een ondernemer taks betalen op een hypothetische waardering in een jaar waarin zijn bedrijf rode cijfers schrijft?
Een strafbelasting op succes
Ook bij beursgenoteerde familiebedrijven faalt de logica. Neem EnergyVision, het Belgische energiebedrijf waarvan de oprichters na de beursgang de controle behielden. Belast men hen op hun beurswaarde, dan moeten zij liquiditeiten vinden die ze privé niet hebben. Verkopen kan niet: bij een beursintroductie tekenen oprichters een lock-up die hen verbiedt hun aandelen maanden of jaren te verkopen.
De ruggengraat van onze welvaart
Dit debat gaat niet over een handvol vermogende families. In België is 80% van de vennootschappen met personeel een familiebedrijf, samen goed voor 45% van onze beroepsbevolking. Zij herinvesteren op lange termijn en vluchten niet bij de eerste tegenwind. Van de twaalf Europese landen die ooit een vermogensbelasting invoerden, schaften er negen die weer af. Niet om ideologische redenen, maar omdat de nevenschade — kapitaalvlucht, verlies van hoofdkantoren, minder investeringen — groter bleek dan de opbrengst.
Oproep aan de onderhandelaars
Herstel de begrotingsdiscipline met structurele hervormingen in de eigen uitgaven en door meer mensen aan het werk te krijgen, niet door de motor van onze economie droog te leggen. Wie familiale aandeelhouders belast op hun nominatieve aandelen, laat hen drie uitwegen: het bedrijf uithollen met geforceerde dividenden, aandelen verkopen aan buitenlands durfkapitaal, of de zetel naar het buitenland verhuizen. Telkens is de opbrengst op termijn nihil en verliest België beslissingscentra en een groot aantal jobs. Familiebedrijven zijn de motor van onze economie. Behandel hen dan ook zo.






