Deze week probeert de federale regering (eindelijk) de begroting voor volgend jaar en de rest van deze legislatuur rond te krijgen. Uit de quasi-dagelijkse commentaren van de betrokken ministers en vooral de partijvoorzitters blijkt dat de ernst van onze budgettaire situatie bizar genoeg nog altijd niet echt doorgedrongen is.
De focus ligt vandaag volledig op het vinden van 10 miljard. Daarbij wordt nogal vlot ‘vergeten’ dat dat niet meer dan een eerste stap is. De totale budgettaire uitdaging die voor ons ligt, is vele malen groter. Met de gebruikelijke koehandel en het wat uitstellen van bepaalde extra uitgaven geraken we er niet.
Miljardenfacturen
Voor dit jaar liggen al onze overheden samen op koers voor een gezamenlijk begrotingstekort van 34 miljard euro. Dat cijfer op zich zou al duidelijk moeten maken dat een inspanning van 10 miljard niet zal volstaan. Maar nog belangrijker, het blijft niet bij het huidige begrotingstekort. De komende jaren komen er nog vele miljarden aan extra uitgaven op ons af.
De pensioenhervorming van deze regering verlaagt de toekomstige pensioenfactuur wel in belangrijke mate, maar tegen 2050 moet er nog altijd bijna 5 miljard (in euro’s van vandaag) extra naar pensioenen (per jaar). Het grootste deel van de vergrijzingsfactuur ligt de komende jaren in de zorg. Tegen 2050 gaan de jaarlijkse zorguitgaven 11 miljard hoger. En dat zijn relatief optimistische ramingen van de Studiecommissie voor de Vergrijzing, gebaseerd op een verwachte stevige versnelling van de productiviteitsgroei en een vrij optimistische inschatting van de toekomstige kostendynamiek in de zorg.
Als we voor defensie de NAVO-afspraak van 3,5% van het bbp willen halen, betekent dat zo’n 10 miljard aan extra jaarlijkse uitgaven. En als we qua overheidsinvesteringen eindelijk een inhaalbeweging willen maken in vergelijking met de rest van Europa, onder meer voor de duurzame transitie of voor investeringen in AI, is bijna 7 miljard aan extra jaarlijkse investeringen nodig.
Veruit de grootste extra factuur ligt in de rentelasten. Door de normalisering van de marktrentes in de voorbije jaren lopen die de komende jaren sowieso op. Zelfs in een vrij optimistisch scenario voor de marktrente, waarbij de gemiddelde rente op de overheidsschuld naar 3,5% klimt, komt er tegen 2050 30 miljard in euro’s van vandaag bij aan jaarlijkse rentelasten. Mocht de marktrente hoger gaan, dan komt die rentefactuur uiteraard nog hoger uit.
Voor dit jaar liggen al onze overheden samen op koers voor een gezamenlijk begrotingstekort van 34 miljard euro.
Structureel andere aanpak nodig
Een snelle blik op de miljardenfacturen die liggen te wachten, zou meteen duidelijk moeten maken dat we er met de gebruikelijke aanpak van de begroting niet zullen geraken. Deze week lekten al ideetjes uit om opnieuw een deel van de geplande lastenverlaging uit te stellen tot 2030 en om de geplande stijging van de uitgaven voor defensie wat uit te stellen. Dat zou tegen 2029 één miljard opleveren voor de begroting. Maar dat lost uiteraard niks op, gezien dat miljard dan in 2030 gezocht moet worden. Uiteindelijk is zelfs de hele inspanning van 10 miljard die nu op tafel ligt, niet meer dan een eerste stap. Als dat het is voor deze legislatuur, impliceert dat gewoon dat een nog grotere inspanning nu al klaar gelegd wordt voor de volgende regering.
Als we willen vermijden dat we de komende 15 à 20 jaar elk jaar in oktober door dezelfde deprimerende show moeten omdat we telkens weer op zoek moeten naar extra miljarden (op z’n minst al om de stijgende rentefactuur te betalen), moet de hele budgettaire aanpak structureel anders:
- De beleidsfocus moet heel veel meer op het versterken van ons economisch groeipotentieel. We hebben hier de kennisbasis en de ideeën, onder meer op het vlak van biotech, chips, agrovoeding, circulariteit, … We hebben ook het kapitaal, hoewel we dat te weinig ingezet krijgen voor meer risicovolle investeringen. Die twee in combinatie met meer ondernemerschap vormen het recept voor een sterkere economie. Het beleid moet vooral de (veelal zelfopgelegde) hindernissen wegwerken. Meer groei vertaalt zich rechtstreeks in betere overheidsfinanciën.
- Een sterkere economie betekent ook meer mensen aan het werk. Er werken in België nog altijd relatief weinig mensen. Wij proberen een gelijkaardige welvaartsstaat als Zweden te onderhouden, maar doen dat met naar verhouding 650.000 minder mensen die werken. Het zou duidelijk moeten zijn dat dat al lang niet meer houdbaar is.
- De totale overheidsuitgaven bedragen dit jaar 54,5% van het bbp. De hierboven aangehaalde extra facturen die er de komende jaren zitten aan te komen, betekenen nog eens 9,5% van het bbp aan bijkomende uitgaven. Als we de overheidsuitgaven niet onder controle brengen, zijn we dus op termijn op weg naar een overheidsbeslag van 64% van het bbp. Een ernstige oefening rond de kerntaken van de overheid, en de efficiëntie daarin (onder meer via de inzet van AI), is absoluut noodzakelijk.
- Het hele begrotingsproces moet veel beter georganiseerd worden, met een ernstige planning over meerdere jaren, objectieve analyses van geplande maatregelen, een veel betere spreiding van de budgettaire inspanningen over de verschillende beleidsniveaus, systematische periodieke controles en bijsturing… We moeten dringend af van de huidige nachtelijke koehandel die zelden economisch zinvolle resultaten oplevert.
- Een grondige fiscale hervorming kan de effectiviteit van ons belastingstelsel versterken. Een minder complexe fiscaliteit met minder uitzonderingen en meer aandacht voor de impact van de belastingen zou onze economie minder schade toebrengen en potentieel meer belastinginkomsten genereren.
Als we willen vermijden dat we de komende 15 à 20 jaar elk jaar op zoek moeten naar extra miljarden, moet de hele budgettaire aanpak structureel anders.
Met onze gebruikelijke begrotingsaanpak geraken we er al lang niet meer. Dat moet dringend structureel anders. Zo niet kunnen we elk jaar de pijnlijke show van de huidige miljardenzoektocht gaan overdoen.






