De Europese Commissie stelde deze week een initiatief voor dat voor ondernemers belangrijker kan zijn dan het op het eerste gezicht lijkt: een 28ste regime voor bedrijven, intussen ‘EU Inc.’ gedoopt. Tegelijk rijst een ongemakkelijke vraag: gaat Europa hier niet veel te voorzichtig te werk en zou het niet veel verder moeten durven gaan?
Het uitgangspunt is eenvoudig. Europa telt vandaag 27 lidstaten met elk hun eigen vennootschapsrecht, procedures en administraties. Voor bedrijven die snel willen groeien en kapitaal willen ophalen betekent dat vaak dat ze telkens opnieuw door dezelfde procedures moeten. Wat in theorie één interne markt zou moeten zijn, voelt in de praktijk nog vaak aan als 27 aparte systemen.
Vooral voor start-ups en scale-ups is dat een probleem. Wie internationaal wil groeien, moet snel kunnen schakelen. Verschillende statuten, ondernemingsregisters en juridische interpretaties vertragen die groei en maken het voor investeerders moeilijker om grensoverschrijdende investeringen te doen.
Het idee achter ‘EU Inc.’ is om daar een oplossing voor te bieden: een optioneel Europees kader dat ondernemingen toelaat om eenvoudiger in meerdere lidstaten te opereren.
In het voorstel dat woensdag werd gepubliceerd zitten alvast een aantal interessante elementen. Bedrijven zouden bijvoorbeeld volledig digitaal kunnen worden opgericht, binnen 48 uur en tegen een beperkte kost. Standaardstatuten, digitale aandeelhoudersvergaderingen en automatische gegevensuitwisseling met administraties moeten het leven van ondernemers eenvoudiger maken.
Voor wie snel een bedrijf wil opzetten dat meteen Europees kan opereren, zijn dat duidelijke verbeteringen. Maar precies hier toont zich ook de beperking van het voorstel.
In zijn huidige vorm blijft het voorstel sterk verankerd in bestaande nationale structuren. Daardoor dreigt het regime minder ambitieus te worden dan de naam doet vermoeden. Zo zou het nog altijd gebruikmaken van nationale ondernemingsregisters in plaats van één echt Europees register, waarbij een centraal register pas in een latere fase wordt voorzien. Met andere woorden: 27 infrastructuren die beter samenwerken, maar nog geen echte Europese bedrijfsjurisdictie.
Hetzelfde geldt voor geschillen tussen aandeelhouders of rond governance. Onder het huidige voorstel zouden die nog steeds behandeld worden door nationale rechtbanken. Dat creëert het risico dat dezelfde regels in verschillende lidstaten anders worden geïnterpreteerd. Het kan bovendien procedures vertragen en de rechtszekerheid verminderen.
Net dat punt ligt gevoelig bij een groeiende groep ondernemers en investeerders in Europa. De beweging EU-INC, die 24.000 Europese founders en investeerders vertegenwoordigt, pleit daarom voor een ambitieuzer model: een echte Europese vennootschapsvorm, met een centraal register en gespecialiseerde rechtspraak.
Hun redenering is niet onlogisch. Europa probeert al jaren een echte interne markt te bouwen voor technologiebedrijven, maar blijft tegelijk werken met structuren die grotendeels nationaal georganiseerd zijn.
Dat betekent niet dat alles plots Europees wordt. Fiscaliteit en arbeidsrecht blijven nationale bevoegdheden. Bedrijven betalen belastingen waar ze actief zijn en werknemers vallen onder het arbeidsrecht van het land waar ze werken. Maar een eenvoudiger en uniformer vennootschapsrecht kan wel degelijk een verschil maken.
Vandaag zien we bijvoorbeeld dat Europese startups regelmatig hun juridische structuur verplaatsen naar andere landen zodra ze beginnen te schalen of internationaal kapitaal willen aantrekken. Niet omdat Europa geen talent heeft, maar omdat onze regels vaak complexer en gefragmenteerder zijn.
Die fragmentatie is meer dan een administratief probleem. Ze vormt een structurele rem op de groei van Europese bedrijven en op hun toegang tot kapitaal. Daarom steunen Agoria en Voka het principe van een EU Inc. Een vrijwillig Europees kader dat bedrijven eenvoudiger over de grenzen heen laat groeien kan een belangrijke stap zijn voor de concurrentiekracht van onze technologiebedrijven.
Het moet zich wel richten op wat echt Europees kan worden georganiseerd, en dat is het vennootschapsrecht. Fiscaliteit en arbeidsrecht blijven nationale bevoegdheden. Tegelijk is EU Inc. geen wondermiddel: ook verdere integratie van de Europese kapitaalmarkt en harmonisatie van regels blijven noodzakelijk.
Europa staat vandaag voor een duidelijke keuze.
Europa staat vandaag voor een duidelijke keuze. Ofwel bouwen we een systeem dat vooral de bestaande nationale structuren beter met elkaar verbindt. Ofwel durven we echt een nieuwe Europese bouwlaag creëren voor bedrijven die vanaf dag één internationaal willen opereren. In dat debat kan ook de Benelux een belangrijke rol spelen. België, Nederland en Luxemburg hebben historisch vaker als proeftuin gefungeerd voor Europese integratie, van de interne markt tot Schengen. Net daarom ligt hier een kans om opnieuw initiatief te nemen. Als een groep lidstaten bereid is verder te gaan richting een echt Europees vennootschapskader, kan een Benelux-initiatief het startpunt vormen. Europese economische integratie is zelden begonnen met 27 landen tegelijk, meestal met een kleinere coalitie die de weg vooruit durfde tonen.
Voor een continent dat graag spreekt over wereldwijde concurrentiekracht, strategische autonomie en technologische soevereiniteit, denk aan de rapporten van Draghi en Letta, zou dat eigenlijk geen moeilijke keuze mogen zijn. Maar dan moet Europa wel verder durven gaan dan halve maatregelen.



