2026 moest het jaar worden waarin Europa zijn economische achterstand daadwerkelijk zou aanpakken. Vijf maanden geleden verzamelden de Europese leiders in de Antwerpse handelsbeurs voor de derde European Industry Summit. De dag erna vond in Alden Biesen een uitzonderlijke competitiviteitstop plaats. Waar staan we vandaag? Zijn de Europese troeven versterkt of is het (nog) niet voldoende?
Voka had vijf duidelijke prioriteiten voor de beleidsmakers: een beheersbare carbonkost door een herziening van het Europese emissiehandelssysteem ETS, een snelle verlaging van de energiekosten, krachtigere handelsverdediging, een gerichte en juridisch robuuste toepassing van ‘Made in Europe’ en een Industrial Decarbonisation Bank met voldoende financiële slagkracht.
Vijf maanden later is de balans gemengd. De Europese Commissie heeft binnen de Clean Industrial Deal onmiskenbaar het geweer van schouder veranderd. Competitiviteit, industriële productie en strategische autonomie staan veel centraler. Maar het nieuwe politieke discours vertaalt zich nog onvoldoende in betere industriële businesscases.
ETS-herziening van vandaag
De ETS-review de de Commissie aankondigt, wordt een belangrijke lakmoesproef voor het Europese industriebeleid. Het lijkt erop dat de Commissie kiest voor een realistischer ETS-pad, met meer aandacht voor de competitiviteitspositie van de Europese industrie. Dat is een positieve evolutie, al zal veel afhangen van de concrete uitwerking. De aangescherpte benchmarks voor gratis rechten, die in mei werden aangekondigd, baren in dat opzicht zorgen. Zij kunnen de effectieve koolstoffactuur voor bedrijven verder verhogen, zelfs wanneer de ETS-marktprijs zelf niet stijgt.
Daarom is het onderscheid tussen de ETS-prijs en de carbonkost essentieel. De ETS-prijs is de marktprijs van één uitstootrecht. De carbonkost is het bedrag dat een onderneming uiteindelijk werkelijk draagt en wordt ook bepaald door de hoeveelheid gratis rechten, de sectorale benchmarks, de compensatie van indirecte kosten en de beschikbare investeringssteun.
Europa heeft dan ook geen simplistisch debat nodig over een hogere of lagere ETS-prijs. Een voldoende sterk en voorspelbaar prijssignaal blijft nodig om investeringen in elektrificatie, hernieuwbare energie en CO₂-afvang rendabel te maken. Tegelijk moet de effectieve carbonkost beheersbaar blijven voor sectoren die vandaag zwaar onder druk staan, zoals de chemie. Alleen wanneer bedrijven voldoende productie, cashflow en investeringscapaciteit in Europa behouden, kunnen zij morgen de grote decarbonisatieprojecten realiseren waarop de Europese transitie steunt.
De vier andere prioriteiten
Bij energie blijft de kloof tussen belofte en realisatie nog te groot. De Europese Commissie heeft met het Affordable Energy Action Plan en het Clean Industrial Deal State Aid Framework (CISAF) een kader gecreëerd voor onder meer tijdelijke elektriciteitsprijssteun aan energie-intensieve bedrijven. Maar de financiële en politieke verantwoordelijkheid ligt grotendeels bij de lidstaten. De federale en Vlaamse regering proberen hun deel te doen via de implementatie van de energienorm via een federale korting op de transmissienettarieven en de uitbreiding van de Vlaamse indirecte emissiecompensatie (ICL), maar een structurele Europese oplossing blijft uit.
Dat is problematisch. Zolang de energiefactuur van Europese industriële bedrijven fundamenteel hoger blijft dan die van belangrijke concurrenten, zullen vereenvoudiging, subsidies en mooie actieplannen geen industriële renaissance veroorzaken. Om die reden kijken we ook uit naar het Electrification Action Plan dat vandaag mee wordt voorgesteld.
Ook inzake Chinese overcapaciteit is het narratief veranderd. De nieuwe Europese bescherming voor de staalsector, die sinds 1 juli geldt, is een belangrijke eerste stap. Maar ze blijft sectorspecifiek, terwijl de invoerdruk zich door steeds meer waardeketens verspreidt.
Europa heeft nood aan een echte Chinastrategie: snellere trade-defence, systematische monitoring van overcapaciteit en instrumenten die ingrijpen vóór Europese productiecapaciteit verdwenen is. Handelsverdediging die pas ingrijpt nadat productiecapaciteit verdwenen is, faalt in haar opzet.
Met de Industrial Accelerator Act heeft de Commissie ook het principe van ‘Made in Europe’ omarmd. Het voorstel introduceert Europese en koolstofarme voorkeuren in openbare aanbestedingen en steunregelingen. Dat is een belangrijke doctrinaire omslag. Maar de wet bevindt zich nog in het Europese besluitvormingsproces en focust op een aantal geselecteerde strategische sectoren.
Daarbij moet worden vermeden dat Europese voorkeuren via hogere inputkosten de concurrentiekracht van downstreambedrijven aantasten. ‘Made in Europe’ moet gericht, tijdelijk en juridisch robuust worden toegepast en gericht op die strategische productie waar Europa aantoonbaar te afhankelijk is geworden.
Ten slotte is er de financiering. De Industrial Decarbonisation Bank mikt officieel op 100 miljard euro en de Commissie kondigde een ETS Investment Booster van 30 miljard euro aan, gefinancierd met 400 miljoen uitstootrechten. De concrete aanvraagprocedures en investeringsvoorwaarden worden later vandaag voogesteld.
Het principe moet duidelijk zijn: de ETS-opbrengsten moeten als juste retour integraal terugvloeien naar wie zwaar moet investeren om de transitie waar te maken. De verdere uitwerking van de Decarbonisation Bank en de onderhandelingen over het Europese Meerjarig Financieel Kader worden daarom doorslaggevend om investeringen naar Europa te krijgen.
Competitiviteit, industriële productie en strategische autonomie staan veel centraler.
Nu of nooit
Het oordeel vijf maanden na Antwerpen en Alden Biesen is niet dat Europa niets heeft gedaan. De Commissie heeft de juiste diagnose gesteld en spreekt ook vaker ook de juiste taal. Maar bedrijven investeren niet op basis van woorden en politieke intenties.
De analyse is meestal juist, maar zodra concrete keuzes nodig zijn, neemt de politieke terughoudendheid opnieuw de bovenhand. Maatregelen worden afgezwakt, beslissingen uitgesteld en gevestigde regels te weinig in vraag gesteld. Europa zoekt te vaak naar het zoveelste compromis, terwijl de huidige economische en geopolitieke context net doortastendheid vereist.
Europa kan zich die voorzichtigheid niet langer veroorloven. De ETS-herziening moet aantonen dat Europa bereid is zijn klimaatbeleid te verbinden met industriële realiteit: met een beheersbare carbonkost, stevige bescherming tegen carbon leakage en voldoende middelen voor investeringen.
Alden Biesen was de wake-up call. Industrieel beleid staat terug op de Europese beleidsagenda. Nu moet Europa nog de industriële investeringsbeslissingen winnen.






