Overslaan en naar de inhoud gaan
  • 05/02/2026

Op verschillende bijeenkomsten zullen de Europese beleidsmakers nadenken over grondige bijsturingen van het beleid. Wat moet er anders? 

Europese prioriteiten voor de industrie

De Clean Industrial Deal is bijna een jaar oud. Hoewel Europese politici de juiste intenties uitspreken, zien we op het vlak van daden nog te weinig resultaat. Hoge energieprijzen, stijgende koolstofkosten en oneerlijke concurrentie drukken zwaar op investeringsbeslissingen en het behoud van industriële activiteiten in Europa. De actie op het terrein moet dringend voelbaar worden. Voka schuift daarom vijf kortetermijnprioriteiten naar voren die geen uitstel meer dulden.

Korte termijn prioriteiten

  1. Voor energie-intensieve bedrijven vormt de energiefactuur vandaag de grootste competitieve handicap. Europese kaders zoals CISAF laten gerichte steun toe, maar de vertaalslag naar concrete maatregelen gaat te traag. 
  2. Ook binnen het Europese emissiehandelssysteem knelt het schoentje: de permanente invalidatie van emissierechten ondergraaft de bescherming tegen carbon leakage, precies in een fase waarin een grondige ETS-hervorming pas na 2030 effect zal hebben. Een tijdelijke opschorting van die invalidatie kan op korte termijn ademruimte creëren, zonder afbreuk te doen aan de klimaatambitie.
  3. Open handel blijft essentieel voor Vlaanderen, maar dat veronderstelt een gelijk speelveld. Gesubsidieerde importen, vooral uit China, zetten prijzen en marges onder druk. Instrumenten om oneerlijke handel aan te pakken bestaan, maar zijn te traag en te omslachtig. Antidumpingprocedures slepen vaak meer dan een jaar aan en komen te laat om schade te voorkomen. Europa moet hier sneller en slagkrachtiger optreden.
  4. Daarnaast zet Europa steeds meer in op het verankeren van industriële productie via steunmaatregelen en aanbestedingen. Voor een open economie is dat geen evidente keuze, maar de uitdaging is om ‘Made in Europe’ pragmatisch te houden, scherp afgebakend, juridisch robuust, tijdelijk waar mogelijk en zonder nieuwe administratieve complexiteit.
  5. Tot slot is doelgerichte financiering nodig om nieuwe industriële projecten aan te trekken. Instrumenten zoals een Industrial Decarbonisation Bank kunnen investeringen opnieuw richting Europa sturen, op voorwaarde dat snelheid en voorspelbaarheid centraal staan.

Er is nood aan een doortastend versnellen en het opnieuw durven winnen, ook wanneer dat politiek ongemakkelijk is. Zonder die omslag blijft Europa gas geven met de handrem stevig aangetrokken.  

De actie op het terrein moet zo snel mogelijk voelbaar worden.

Federale focuspunten voor de industrie

De elektriciteitsprijs ligt in België hoger dan in de buurlanden, omdat die landen actief ingrijpen via systemen zoals het Franse ARENH of Duitse transmissiekortingen. België beschikt sinds 2021 over de energienorm, bedoeld om onze prijzen concurrentieel te houden, maar een concrete invulling liet lang op zich wachten. Net voor kerst besliste de federale regering eindelijk om twee maatregelen aan de norm te koppelen: de toepassing van CISAF en een structurele verlaging van de transmissienettarieven.

Voor deze maatregelen wordt 944 miljoen euro voorzien, inclusief compensatie via accijnzen voor bedrijven die niet van de tariefkorting kunnen genieten. De energienorm kan zo voor honderden bedrijven het verschil maken, maar een snelle uitvoering is nu aan de orde.

Daarvoor zijn aanpassingen aan de Elektriciteitswet nodig om CISAF te implementeren en de CREG toe te laten transmissiekortingen toe te passen. Ook afstemming met de gewesten is noodzakelijk. Een Koninklijk Besluit moet alle modaliteiten vastleggen, zoals de doelgroep, de strike price en eventuele herinvesteringsverplichtingen.

Doortastende actie is nodig om de goede uitgangsprincipes nu om te zetten in concrete regelgeving.

Voor de tariefkorting is de CREG als regulator aan zet. Zij baseert zich onder andere op de jaarlijkse ‘FORBEG-studie’ om de competitieve nadelen van diverse sectoren met de buurlanden in kaart te brengen. Als deze studie geoptimaliseerd kan worden, kan de besluitvorming versneld worden. In een optimistisch scenario wordt de tariefkorting nog dit jaar toegepast, maar de regulator kan er bijvoorbeeld ook voor kiezen om ze pas in te voeren bij de nieuwe tariefperiode vanaf 2028.

Doortastende actie is nu nodig om de goede uitgangsprincipes nu om te zetten in concrete regelgeving. Het water staat industriële bedrijven aan de lippen. Een toepassing van de energienorm in 2026 geeft ondernemingen ademruimte in een bijzonder moeilijke periode.  

Een krachtiger industrieel beleid voor Vlaanderen

Met een investeringsprogramma van 2 miljard euro zet de Vlaamse regering de grootste industriële stap uit haar geschiedenis. Daarmee geeft ze een duidelijk signaal: Vlaanderen wil zijn energie-intensieve industrie actief ondersteunen in de decarbonisatietransitie en structureel verankeren in de economie. Dat sluit aan bij wat Voka sinds 2022 bepleit via onderbouwde voorstellen rond Contracts for Difference (CfD’s).

Op lange termijn is decarbonisatie onvermijdelijk en wenselijk, onder meer voor het verminderen van strategische afhankelijkheden. Maar vandaag vertaalt die ambitie zich in investeringen die economisch niet sluitend zijn. Bedrijven worden verplicht miljarden te investeren zonder dat daar op korte termijn een rendabel verdienmodel tegenover staat. Dat transitiefalen ondergraaft investeringsbeslissingen en dus onze concurrentiekracht

Vlaanderen wordt extra hard getroffen, aangezien het aandeel energie-intensieve industrie hier bovengemiddeld hoog is en tegelijk zeer productief. Een krimp van deze sectoren zou de al lage productiviteitsgroei verder aantasten. Met een decarbonisatieportefeuille van 2 miljard euro over tien jaar erkent de Vlaamse regering die realiteit en vangt ze tijdelijk het onrendabele deel van de transitie op. Het gaat daarbij niet om een blanco cheque, Integendeel: het mechanisme is erop gericht publieke middelen doelgericht en tijdelijk in te zetten.

Dat wordt versterkt door de keuze voor Contracts for Difference (CfD’s), ook wel bijpascontracten genoemd, als instrument om dit investeringsprogramma uit te rollen. Zoals Voka in eerdere papers heeft uiteengezet, zijn CfD’s marktgebaseerde financieringsmechanismen die ontworpen zijn om zowel kapitaalsinvesteringen (CAPEX) als vooral de hogere operationele kosten (OPEX) van net-zero technologieën te ondersteunen. Wanneer deze contracten specifiek inspelen op de koolstofprijs, spreken we van Carbon Contracts for Difference (CCfD’s).

CCfD’s worden doorgaans toegekend via competitieve veilingen en compenseren het kostenverschil tussen klassieke fossiele technologieën en innovatieve koolstofarme alternatieven, afhankelijk van de evolutie van de koolstofprijs. Zo functioneren ze tegelijk als afdekkingsinstrument tegen marktrisico’s en als tijdelijke investeringsondersteuning. In jaren waarin een project nog niet rendabel is, ontvangt het steun volgens het contract. Zodra de marktomstandigheden verbeteren en het project rendabel wordt, vloeit die steun (gedeeltelijk) terug. De veilingprocedure garandeert bovendien dat enkel de meest efficiënte projecten worden geselecteerd en dat gezonde concurrentie behouden blijft.

Het is deze techniek die Vlaanderen een eerste keer toepaste in het pilootproject dat in 2025 geveild werd met een budget van 70 miljoen euro voor 10 jaar, zijnde 7 miljoen euro per jaar. Concreet voorziet Vlaanderen nu een opschaling naar 100 miljoen euro in 2028 en 200 miljoen euro vanaf 2029, met de ambitie de inspanning van 200 miljoen per jaar tien jaar aan te houden. Om volledig in lijn met onze buurlanden te zijn, berekende Voka onlangs dat ongeveer 300 miljoen euro nodig zou zijn gedurende 15 jaar. Niettemin is deze opschaling, die Vlaanderen nu heeft beslist, een grote stap voorwaarts om de decarbonisatietransitie competitiever te maken. De precieze modaliteiten van de nu aangekondigde CfD’s worden de komende maanden verder uitgewerkt. Cruciaal is echter dat de tender(s) zo snel mogelijk worden gelanceerd, aangezien zij vooraf nog moeten worden goedgekeurd door de Europese Commissie.

Dat de budgettaire impact pas in 2028 of 2029 voelbaar wordt, betekent allerminst dat er intussen niets te gebeuren staat. Integendeel: bedrijven kunnen pas overgaan tot een finale investeringsbeslissing (FID) wanneer er voldoende zekerheid bestaat over het bestaan en de timing van zulke tenders. Net die investeringszekerheid is vandaag noodzakelijk om sleutelprojecten niet langer uit te stellen. De organisatie van de tenders kan en moet daarom ruim vóór 2028 plaatsvinden. Kortom, au boulot!

Contactpersonen

Maarten Libeer

Expert EU Affairs

Yannick Van den Broeck

Expert Energie en Klimaat

Philippe Nys

Expert Economie, Industrie & Innovatie

Adverteren bij Voka
imu - vzw - bebat
imu - vzw - reno