Begin deze maand was er opvallend nieuws: voor het eerst in 25 jaar daalde het ziekteverzuim licht. Op een gemiddelde werkdag in 2025 was 8,09% van de werknemers afwezig, tegenover 8,49% een jaar eerder. Vooral middellange afwezigheden - tussen één maand en één jaar - namen af, net als het kortdurend verzuim. Maar laat dat positieve signaal ons niet misleiden: het langdurig absenteïsme - langer dan een jaar - blijft historisch hoog en stabiliseert op 3,35%. En net daar ligt de kern van het probleem.
De Belgische arbeidsmarkt staat onder druk. Niet alleen door krapte of vergrijzing, maar door een structureel probleem dat al jaren gekend is en dat vanuit overheidsbeleid veel te lang onvoldoende kordaat werd aangepakt: langdurige arbeidsongeschiktheid. Vandaag zijn naar schatting 585.000 Belgen langdurig ziek. Tegen 2030 dreigt dat aantal op te lopen tot 700.000. Dat is geen randfenomeen meer, maar een fundamentele uitdaging voor onze economie.
En we zegden het eerder al: onze arbeidsmarkt is ziek. Een systeem waarin de instroom naar arbeidsongeschiktheid relatief vlot verloopt, maar de weg terug naar werk structureel tekortschiet. Strengere werkloosheidsregels en het afbouwen van uitstroomkanalen hebben dat mechanisme versterkt. Wat lange tijd ontbrak, was een samenhangende en doortastende aanpak.
Vandaag is er eindelijk de politieke wil om dit probleem structureel aan te pakken. Met de zogenaamde derde golf aan hervormingen wordt het volledige veld aangesproken: van artsen en ziekenfondsen tot bemiddelingsdiensten, maar ook werkgevers. De focus verschuift duidelijk naar activering, opvolging en responsabilisering. De vierde golf, die nu wordt uitgerold, gaat nog verder en legt de lat hoog: tegen 2030 moeten 100.000 mensen extra uit langdurige arbeidsongeschiktheid opnieuw aan het werk zijn.
Vandaag is er eindelijk de politieke wil om dit probleem structureel aan te pakken.
Bert Mons, Gedelegeerd bestuurder
Dat is geen kleine bijsturing, maar een fundamentele koerswijziging. Voor het eerst wordt langdurige ziekte niet langer louter als een sociaal risico benaderd, maar ook als een arbeidsmarktvraagstuk dat actief moet worden beheerd. Dat vraagt duidelijke kaders, heldere verantwoordelijkheden en een beleid dat consequent wordt uitgevoerd. Ook de opvolging en handhaving zullen cruciaal zijn om te vermijden dat goede intenties opnieuw verzanden in complexe procedures of versnipperde verantwoordelijkheden.
Tegelijk maakt deze evolutie duidelijk hoe complex het probleem is geworden. Waar vroeger vooral fysieke klachten de cijfers bepaalden, zien we vandaag een sterke verschuiving naar mentale gezondheidsproblemen en musculoskeletale aandoeningen. Vooral bij jongere werknemers blijken psychosociale klachten zoals stress en burn-out toe te nemen. In combinatie met snel veranderende werkomstandigheden, toenemende druk en langere loopbanen ontstaat een uitdagende context.
Absenteïsme is dan ook geen eendimensionaal fenomeen. Het is het resultaat van een samenspel van factoren: werkorganisatie, gezondheid, levensstijl en maatschappelijke evoluties. Net daarom volstaan losse maatregelen niet. Wat nodig is, is een geïntegreerde aanpak waarin preventie, opvolging en re-integratie op elkaar aansluiten, en waarin alle betrokken actoren effectief hun rol opnemen.
De huidige hervormingen zetten stappen in die richting. Ze proberen het evenwicht te herstellen tussen rechten en plichten, en tussen bescherming en activering. Tegelijk zullen ze in de praktijk hun waarde nog moeten bewijzen. Want de ambitie is groot, maar de uitvoering zal bepalend zijn.
Eén ding staat vast: deze problematiek zal de komende jaren hoog op de agenda blijven. Niet alleen omdat de cijfers dat vereisen, maar omdat de impact voelbaar is op alle niveaus van onze economie. De uitdaging is ingezet. Nu komt het erop aan ze ook consequent waar te maken.





