Alles wat u nu al moet weten over de nieuwe vennootschapsfiscaliteit

09/11/2017
FAQ vennootschapsbelasting

 

+ Zomerakkoord federale regering: wat heeft Voka voor u bereikt op het gebied van vennootschapsfiscaliteit?

(klik voor meer info)

Eind juli stelde de federale regering haar Zomerakkoord voor. Dit akkoord combineert de opmaak van de begroting 2018 met een heleboel sociaal-economische hervormingen, waarbij de nadruk ligt op lastenverlagingen en meer flexibiliteit. We hadden dit Zomerakkoord als positief voor de Vlaamse ondernemingen beoordeeld omdat:

  • Na meer dan een jaar politiek gebakkelei de broodnodige hervorming van de vennootschapsbelasting dan toch wordt doorgevoerd, voor àlle ondernemingen en dit zónder meerwaardebelasting bij aandelenverkoop door particulieren;
  • Inzake de arbeidsmarkt heel wat maatregelen worden doorgevoerd die zorgen voor lagere lasten en meer flexibiliteit voor ondernemingen.

Nu alle details van het Zomerakkoord duidelijk worden, kunnen we bevestigen dat de aangekondigde positieve hervormingen voor de ondernemingen effectief van kracht zullen worden vanaf 2018. We hebben bovendien nog een aantal extra positieve maatregelen kunnen bekomen en een aantal negatieve punten kunnen verzachten.

1.Hervormingen van de fiscaliteit op vennootschappen en aandeelhouders

Al sinds 2015 werd er gedebatteerd over de noodzaak van een hervorming van de vennootschapsbelasting. De reden hiervoor is duidelijk: ons nominaal tarief van 33,99% is bijna het hoogste van alle OESO-landen; voordien werd dit nog wat verzacht door allerlei specifieke fiscale aftrekken, maar die werden steeds minder belangrijk door de dalende rente en beslissingen van de EU. Daardoor betaalden de bedrijven in ons land steeds meer vennootschapsbelasting en schoot het effectief tarief omhoog.

Een diepgaande hervorming van de vennootschapsbelasting drong zich dan ook op: een serieuze daling van het nominaal tarief, deels gecompenseerd door het verminderen/afschaffen van een aantal aftrekken. In juni 2016 keurde de Raad van Bestuur van Voka daarvoor een evenwichtig en onderbouwd voorstel goed. Dit voorstel is grotendeels gevolgd door de federale regering: we hebben dus zo goed als volledig de door ons gewenste hervorming van de vennootschapsbelasting kunnen binnenhalen en zelfs nog iets meer.

Hervorming vennootschappen aandeelhouders

1.1. Tariefdaling

Het nominaal tarief van de vennootschapsbelasting zakt in 2018 tot 29,58% en in 2020 tot 25%. Daarmee bengelen we niet langer aan de staart van het internationaal peloton qua tarief. We zitten daarmee wel nog boven het Europees gemiddelde en verschillende landen hebben intussen aangekondigd om hun tarief te verlagen tot 21% of zelfs minder. Het is dus mogelijk dat we in de toekomst ons tarief ook verder zullen moeten verlagen onder 25% om internationaal competitief te blijven.

 

Voor kleine vennootschappen wordt het nominaal tarief in 2018 verlaagd tot 20,4% en in 2020 tot 20%; bovendien wordt dit verlaagd tarief van kracht op de eerste 100.000 euro winst i.p.v. 25.000 euro vandaag. Dit is dus een snelle en zeer grote verlaging voor kleine vennootschappen.

 

1.2. Niet raken aan

Voor internationaal actieve ondernemingen is de aftrek voor definitief belaste inkomsten zeer belangrijk. Historisch gezien stelde België deze inkomsten voor slechts 95% vrij, wat er dus op neer komt dat 5% van die buitenlandse inkomsten dubbel belast werd. Dit wordt nu eindelijk verholpen: de DBI-aftrek wordt naar 100% verhoogd vanaf 2018.

 

De aftrek van vorige verliezen laat toe om de fiscale druk te milderen in jaren dat het goed gaat. Die aftrek wordt niet gereduceerd, maar wel meer gespreid in de tijd, naar Duits model. In ruil hebben we wel kunnen bekomen dat eindelijk het principe van de fiscale consolidatie wordt ingevoerd: dit laat toe dat verbonden vennootschappen van hetzelfde bedrijf hun winst en verlies onderling kunnen verevenen ipv belasting te moeten betalen voor het winstgevende filiaal. Vanaf 2020 zal de fiscale consolidatie, naar Zweeds model, mogelijk zijn voor vennootschappen die voor minstens 90% met elkaar verbonden zijn. Hopelijk kunnen we dit dan later uitbreiden voor meer types van groepen ondernemingen.

Ons land leeft van de innovatie die export mogelijk maakt. We hebben er dan ook op aangedrongen dat de specifieke fiscale aftrekken en kredieten voor R&D, octrooien en innovatie behouden werden en dit is gevolgd in het Zomerakkoord. Wat meer is, de vermindering van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers zal vanaf 2018 ook worden uitgebreid tot een aantal bachelors (i.p.v. enkel masters vandaag). Dit is een extra stimulans voor innovatie.

Tenslotte hebben we meer dan een jaar moeten vechten om te vermijden dat de meerwaarde bij een particuliere aandelenverkoop zou worden belast. Dit zou immers de doodsteek betekenen voor ondernemen en risico nemen in ons land. Uiteindelijk heeft de federale regering ingezien dat zo’n meerwaardebelasting noch fiscaal noch economisch rechtvaardig zou zijn. Ze zal daarentegen wel een taks invoeren op effectenrekeningen aangehouden door natuurlijke personen: deze taks lijkt a priori het ondernemen niet te schaden, maar we zullen dit toch in de gaten moeten houden, gezien het theoretisch brede toepassingskader van die taks. Ook worden de regels om als bedrijfsleider resp. aandeelhouder geld uit de vennootschap te halen opnieuw strenger/complexer: dit is verdedigbaar aangezien de vennootschap op zich meer waard wordt door de tariefverlagingen, maar we zullen erop moeten toezien dat hierbij de rechtszekerheid wordt gegarandeerd.

 

1.3. Bespreekbare compensaties

In ruil voor de tariefverlaging is het noodzakelijk om de meeste specifieke niches en fiscale aftrekken te wijzigen of af te schaffen. Dit komt ook de gelijke behandeling tussen bedrijven ten goede. We hadden aangegeven welke ingrepen voor ons bespreekbaar waren als compensatie voor de daling van het nominaal tarief in de vennootschapsbelasting. De federale regering is daarop ingegaan en zal de aanvaardbare compensaties ook doorvoeren, vanaf 2018 of 2020, naar gelang het geval.

De afbouw of afschaffing van deze niches/aftrekken weegt voor de meeste bedrijven gelukkig niet op tegen de tariefdaling naar 29,58% vanaf 2018 en al zeker niet tegen de tariefdaling naar 25% vanaf 2020. Voor de meeste bedrijven zal het effectief tarief dus dalen vanaf volgend jaar, zodat ze minder vennootschapsbelasting per euro winst zullen moeten betalen.

Voor kleine vennootschappen heeft de federale regering bovendien nog een aantal specifieke aftrekken voorzien / laten bestaan : zo zal de investeringsaftrek voor kleine ondernemingen in 2018 en 2019 zelfs nog verhoogd worden naar 20%.


Fiscale maatregelen uit het Zomerakkoord met rechtstreekse impact op uw vennootschap

Disclaimer: deze duiding bij de verschillende maatregelen uit het Zomerakkoord is gebaseerd op voorlopige informatie. De informatie is ook onder voorbehoud. Het Relanceplan is immers nog maar in eerste lezing goedgekeurd door de Ministerraad. Een tweede lezing volgt na advies van der Raad van State. Na tweede goedkeuring volgt de Parlementaire bespreking op het eind van dit jaar.

Lastenverlagingen

Kmo-vennootschap Niet-kmo-vennootschap
Tariefdaling Tariefdaling
Verhoogde investeringsaftrek  
Fiscale consolidatie Fiscale consolidatie
DBI-aftrek DBI-aftrek
Niet-doorstorting bedrijfsvoorheffing onderzoekers Niet-doorstorting bedrijfsvoorheffing onderzoekers

Compensaties

Financiering onderneming Financiën ondernemer Belastingontwijking (internationaal+ nationaal) Verworpen kosten Werk
Overgedragen verliezen, DBI, ... Kapitaalvermindering Beperking interestaftrek Voorzieningen risico’s en kosten Bijkomend personeel diensthoofd uitvoer of diensthoofd integrale kwaliteitszorg
Notionele interestaftrek Bedrijfsleidersvergoeding   Administratieve boetes Vrijstelling bezoldigingen betaald aan bepaalde stagiairs
Meerwaarde aandelen     Aftrekbaarheid autokosten Winstvrijstelling bijkomend personeel met laag loon
Afschrijvingen     Plug-in hybrides Inschakelingsbedrijf
Investeringsreserve   Belastingverhoging bij belastingcontrole Aftrekbaarheid kosten gemeenschappelijk vervoer  
Voorafbetalingen        
Vooruitbetaalde kosten        
Marktrente: definitie        

Tariefdaling

+ Wat is de situatie vandaag?

Het nominale standaardtarief van de vennootschapsbelasting bedraagt vandaag 33%. Inclusief de crisisbijdrage van 3% komt het nominale tarief op 33,99% (33% + 3% van 33%).

Indien uw vennootschap een belastbaar resultaat van minder dan 322.500 euro heeft, kan u – indien u niet uitgesloten wordt op basis van uitsluitingsgronden – genieten van belastingheffing tegen het verlaagd opklimmend tarief. Vandaag gelden volgende schijven en tarieven:

Belastbare grondslag Tarieven Tarieven incl. crisisbijdrage
Van € 0 € 25.000 24,25% 24,98%
Van € 25.000 € 90.000 31% 31,93%
Van € 90.000 € 322.500 34,5% 35,54%

Indien uw vennootschap aan één of meer van volgende uitsluitingsvoorwaarden voldoet, komt ze niet in aanmerking voor het verlaagd opklimmend tarief:

  • Indien uw vennootschap een financiële vennootschap is
  • Indien de aandelen die het maatschappelijk kapitaal van uw vennootschap vertegenwoordigen voor ten minste de helft in het bezit zijn van een andere vennootschap
  • Indien uw vennootschap een dividenduitkering heeft verricht die hoger is dan 13% van het gestorte kapitaal bij het begin van het belastbare tijdperk
  • Indien uw vennootschap ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk niet aan minstens één van de bedrijfsleiders een bezoldiging van minimaal 36.000 euro heeft uitgekeerd
  • Indien uw vennootschap een gereglementeerde vastgoedvennootschap is, een organisme voor de financiering van pensioenen of een beleggingsvennootschap.

 

+ Wat verandert er?

Het nominale standaardtarief en het tarief voor kleine vennootschappen dalen in twee bewegingen tot respectievelijk 25% en 20% in aanslagjaar 2021 (inkomsten 2020).

Meer bepaald daalt het nominale standaardtarief in een eerste fase in 2018 van 33,99% tot 29,58% (29% + 2% crisisbijdrage). Voor kleine vennootschappen gaat het tarief van 24,98 % op de eerste schijf van 25.000 euro naar 20,4% (20% + 2% crisisbijdrage) op de eerste schijf van 100.000 euro.

In de tweede fase vanaf 2020 daalt het standaardtarief verder van 29,58% naar 25%. De aanvullende crisisbijdrage dooft tegen 2020 dus helemaal uit. Het kmo-tarief op de eerste schijf van 100.000 euro daalt door deze uitdoving van de aanvullende crisisbijdrage in 2020 van 20,4% naar 20%.

Kleine vennootschappen zullen enerzijds gemakkelijker in aanmerking komen voor het verlaagd tarief. Zij zouden immers hun dividenduitkering niet meer moeten inperken om in aanmerking te komen voor het verlaagde tarief. Anderzijds verhoogt de bezoldiging die uw kleine kmo-vennootschap moet toekennen aan ten minste één bedrijfsleider van 36.000 naar 45.000 euro. Indien het resultaat van uw vennootschap kleiner is dan 45.000 euro, volstaat een bezoldiging die gelijk is aan dat resultaat. Deze bezoldigingsvoorwaarde is niet van toepassing op kleine vennootschappen gedurende de eerste vier boekjaren vanaf hun oprichting.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

De aanpassingen treden in twee fases in voege volgens onderstaand schema

  Aanslagjaar 2019
(inkomsten 2018)
Aanslagjaar 2021
(inkomsten 2020)
Standaardtarief 29,58% 25%
Tarief kleine vennootschappen voor de eerste schijf € 100.000 20,4% 20%
Tarief kleine vennootschappen voor de schijf boven € 100.000 29,58% 25%

 

Top


DBI-aftrek

+ Wat is de situatie vandaag?

U ontvangt dividenden voortvloeiend uit winstuitkeringen van andere vennootschappen. Het is onlogisch dat u vennootschapsbelasting zou betalen op deze dividenden in de mate dat zij reeds belast zijn bij de uitkerende vennootschap. Daarom stellen de meeste landen deze ontvangen dividenden grotendeels vrij. In België geldt vandaag een vrijstelling van 95 % van de ontvangen dividenden. Dit is de vrijstelling voor ‘definitief belaste inkomsten’ (DBI-vrijstelling).

Niet alle ontvangsten komen in aanmerking voor de DBI-vrijstelling: er zijn uitsluitingsgevallen, bijvoorbeeld voor ontvangen dividenden uit belastingparadijzen.

De dividenden komen slechts in aanmerking voor de DBI-aftrek indien u op datum van toekenning van de dividenden in het kapitaal van de uitkerende vennootschap een deelneming bezit van minimaal 10% of met een aanschaffingswaarde van ten minste 2,5 miljoen euro. U moet deze aandelen ook gedurende een periode van minimaal één jaar in volle eigendom aanhouden om voor deze vrijstelling in aanmerking te komen.

 

+ Wat verandert er?

Alle voor de DBI-aftrek in aanmerking komende inkomsten zullen voor 100% i.p.v. 95% aftrekbaar zijn.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Geplande inwerkingtreding: aanslagjaar 2019, verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2018.

 

Top


Fiscale consolidatie

+ Wat is de situatie vandaag?

Het beginsel van de fiscale neutraliteit bepaalt dat de fiscale behandeling van winst en verlies moet afgestemd zijn op de economische entiteit. En dit ongeacht de wijze waarop deze economische entiteit gestructureerd is: binnen één entiteit of in een groep van vennootschappen. Met andere woorden, de belastingdruk zou niet zwaarder mogen zijn voor groepen van vennootschappen dan voor één enkele entiteit.

Vandaar dat de meeste landen een vorm van fiscale consolidatie kennen. België laat deze verrekening van winst en verlies tussen vennootschappen die behoren tot eenzelfde economische entiteit echter niet toe.

 

+ Wat verandert er?

België voert een ‘regeling voor groepsbijdragen’ in. Die maakt een correcte verschuiving mogelijk van winsten gerealiseerd in bepaalde entiteiten van de groep naar verliezen in andere groepsentiteiten. Dit moet toelaten dat de groep belast wordt op zijn werkelijke totale (groeps)resultaat. De groepsbijdrage kan niet hoger zijn dan het verlies dat de verlieslatende vennootschap lijdt in het belastbaar tijdperk.

Deze regeling is voorbehouden voor binnenlandse vennootschappen of Belgische inrichtingen die in België aan het normale stelsel van vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Dus ook bijvoorbeeld voor financieringsvennootschappen. Patrimoniumvennootschappen daarentegen vallen niet onder het toepassingsgebied.

Deze verevening van winsten via een groepsbijdrage vergt een sterke onderlinge band tussen de groepsvennootschappen. Daarom is een deelname van minimaal 90% vereist gedurende het volledige belastbare tijdperk. Deze band zou u ten minste gedurende vijf opeenvolgende belastbare tijdperken moeten aanhouden.

Om van de regeling gebruik te kunnen maken moeten twee vennootschappen die behoren tot dezelfde groep per belastbaar tijdperk een overeenkomst sluiten. Die bevat twee voorwaarden. De verlieslatende vennootschap of inrichting gaat ten eerste de verbintenis aan om de “groepsbijdrage” toe te voegen aan het resultaat van het belastbaar tijdperk. Dit gebeurt technisch door een verlaging van de begintoestand van de reserves. De winstgevende vennootschap verplicht er zich ten tweede toe een ‘vergoeding’ te betalen aan de verlieslatende vennootschap. Die vergoeding is gelijk aan de uitgespaarde belasting in hoofde van de winstgevende vennootschap. U moet ze uiterlijk gestort hebben op het ogenblik van indiening van de aangifte. Door de storting van een vergoeding realiseert u de vermogensneutraliteit tussen beide vennootschappen. Indien voldaan is aan deze voorwaarden, mag u dan de groepsbijdrage in aftrek van de winst van het belastbaar tijdperk nemen.

Voorbeeld

Veronderstel twee zusterbedrijven A en B. Bij opmaak van de belastingaangifte stelt het management van A een fiscaal verlies van 200 vast. Een gevolg van een negatieve beweging in de reserves van -250 en een positieve beweging in de verworpen uitgaven van + 50. Het management van B stelt een fiscale winst van 400 vast.

A en B sluiten een groepsbijdrage-overeenkomst waarin ze een groepsbijdrage van 200 overeenkomen. A engageert zich om deze groepsbijdrage in de winst van haar belastbaar tijdperk op te nemen. Dit gebeurt technisch door een equivalente vermindering van de begintoestand van de reserves met 200. Daardoor wordt haar fiscaal resultaat herleid tot 0 (-200 + 200). A kan dus geen verlies meer overdragen naar een volgend tijdperk.

Om de vermogensneutraliteit te garanderen betaalt B aan A in belastbaar tijdperk X + 1 een vergoeding van 50, de uitgespaarde belasting (200 * 25%). Dit leidt tot een reserve-aangroei van 50 bij A in dat belastbaar tijdperk. Vennootschap A kan die echter fiscaal neutraliseren via een vrijstelling (artikel 194 septies WIB). Technisch verhoogt ze daartoe de begintoestand van de reserves met 50. Daardoor wordt de ‘ontvangen vergoeding’ uit de grondslag van het belastbaar tijdperk X+1 gehouden.

Omgekeerd leidt de betaling van 50 van B aan A in belastbaar tijdperk X+1 tot een negatieve impact op de reserves bij B. Om de daaruit volgende negatieve impact op de winst in X+1 te vermijden, is B verplicht ook 50 toe te voegen aan zijn verworpen uitgaven. Daardoor is ook in hoofde van B de fiscale neutraliteit gegarandeerd.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Aanslagjaar 2021.

 

Top


Notionele interestaftrek (NIA)

+ Wat is de situatie vandaag?

De vergoeding van vreemd vermogen (interesten) is fiscaal aftrekbaar. Daarentegen belast men de vergoeding van het eigen vermogen onder de vorm van dividenden. Er bestaat met andere woorden een economisch discriminatie tussen beide financieringsvormen. Vandaar dat in België sinds 2006 een aftrek voor risicokapitaal bestaat. Deze aftrek laat een ‘fictieve’ aftrek op het ‘gecorrigeerde’ eigen vermogen toe [1]. In aanslagjaar 2018 (inkomsten 2017) bedraagt dit tarief 0,237%. Voor kmo-vennootschappen [2] wordt dat tarief verhoogd met 0,5%-punt. Het bedraagt in aanslagjaar 2018 dus 0,737%.

Sinds aanslagjaar 2013 kan de niet afgetrokken aftrek voor risicokapitaal niet meer worden overgedragen naar een volgend jaar.

[1] Volgende onderdelen van het eigen vermogen moeten worden uitgesloten voor de berekening van de notionele interestaftrek: de kapitaalsubsidies en herwaarderingsmeerwaarden, financiële vaste activa, aandelen waarvan de inkomsten recht geven op DBI-aftrek.

[2] KMO-vennootschap in de zin van artikel 15 Wetboek Vennootschappen

+ Wat verandert er?

De notionele interestaftrek (NIA) wordt omgevormd tot een systeem dat enkel betrekking heeft op het bijkomend kapitaal (het ‘incrementele’ kapitaal). Dit gebeurt naar analogie met systemen in enkele andere Europese landen en in het verlengde van een voorstel van de Europese Commissie.

Concreet moet u de aangroei van het eigen vermogen berekenen door het gemiddelde van het eigen vermogen op het einde van het betrokken belastbaar tijdperk en de vier voorgaande belastbare tijdperken te vergelijken met het gemiddelde van het eigen vermogen van de vijf belastbare tijdperken voorafgaand aan het betrokken belastbaar tijdperk. U kijkt dus naar het bijkomend kapitaal ten aanzien van een ‘voortschrijdend gemiddelde’ van de vijf voorbije jaren. De aftrek wordt zo dus ‘gespreid’ over vijf jaar. Zo wil men misbruikconstructies voorkomen. Het laat ook toe om voor eventuele dalingen van het eigen vermogen geen negatieve correcties te moeten toepassen.

Formule

1/5 * (jaarlijks bedrag risicokapitaal belastbaar tijdperk X – jaarlijks bedrag risicokapitaal 5e voorgaande belastbaar tijdperk)

Het tarief dat van toepassing is op deze aangroei is dat van het inkomstenjaar waarop de aangifte betrekking heeft. Het hogere percentage voor kmo-vennootschappen (+ 0,5 procentpunt) blijft behouden.

De bestaande uitsluitingen van bepaalde activabestanddelen waarmee geen rekening wordt gehouden bij de afleiding van het kwalificerend eigen vermogen blijven ongewijzigd.

De overgangsbepaling voor de overgedragen NIA tot en met aanslagjaar 2012 blijft behouden.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Vanaf aanslagjaar 2019.

 

Top


De korf: wijziging en beperking in de volgorde van aftrekken

+ Wat is de situatie vandaag?

Wettelijk is een ‘volgorde van aftrekken’ beschreven om zo tot het finaal belastbaar resultaat te komen. Sommige aftrekken zijn overdraagbaar, al dan niet beperkt in de tijd.

Huidige volgorde   Beperking
3e bewerking Niet belastbare elementen zoals giften  
4e bewerking DBI van het jaar zelf + overgedragen DBI  
5e bewerking Aftrek octrooi-inkomsten  
6e bewerking Notionele interestaftrek (NIA)  
7e bewerking Overgedragen vorige verliezen  
8e bewerking Investeringsaftrek  
  SALDO  
9e bewerking Overgedragen NIA Beperkt tot 1.000.000 euro + 60% van het saldo boven 1.000.000 euro

 

+ Wat verandert er?

De aanrekeningsvolgorde van de aftrekken wijzigt. De aanwending van de meeste overgedragen aftrekken wordt ook beperkt in functie van het saldo (het resterende belastbare resultaat), zoals aangeduid in bijgaand schema. Het eerste 1 miljoen euro aan resterend belastbaar resultaat kan steeds volledig verrekend worden met deze overgedragen aftrekken. Maar het resterende belastbare resultaat boven 1 miljoen euro zal slechts voor 70% verrekend kunnen worden met deze overgedragen aftrekken. Met andere woorden, 30% van dit resterend belastbaar resultaat zal belast worden aan het ‘verlaagde tarief’.

Nieuwe volgorde Beperking
Niet belastbare elementen zoals giften  
DBI van het jaar zelf  
Overgangsregeling aftrek octrooi-inkomsten  
Aftrek innovatie-inkomsten  
Investeringsaftrek  
SALDO  
NIA (incrementeel) Deze aftrekken worden opgenomen in een korf. Die is maximaal gelijk aan 1.000.000 euro + 70% van het positieve saldo na investeringsaftrek
Overgedragen DBI
Overgedragen aftrek innovatie-inkomsten
Overgedragen vorige verliezen
Overgedragen NIA (onbeperkt)
Overgedragen NIA (7 jaar)

Voor kleine vennootschappen is de beperking op de aftrek van de overgedragen verliezen niet van toepassing gedurende de eerste vier boekjaren vanaf de oprichting.

Voorbeeld

Het belastbaar resultaat bedraagt 3 miljoen euro en er zijn voor 10 miljoen euro aan overdraagbare verliezen.

Het eerste miljoen kan u volledig compenseren met de verliesaftrek. Er resteert dan nog een overblijvende winst van 2 miljoen. Vandaag kan u die volledig compenseren met overdraagbare verliezen. Dat zal in de toekomst niet meer mogelijk zijn. U zal slechts 70% van de resterende 2 miljoen euro – dus 1,4 miljoen euro – kunnen compenseren met vorige verliezen. Op de overige 30 procent – dus op 600.000 euro - betaalt u in de toekomst vennootschapsbelasting. Tegen een tarief van 25% leidt dit in dit voorbeeld tot een belasting van 150.000 euro.

Hoe hoger het belastbaar resultaat, hoe gemakkelijker de overdraagbare verliezen kunnen aangerekend worden.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Op basis van de huidige stand van zaken gebeurt dat vanaf aanslagjaar 2019.

 

Top


Vooruitbetaalde kosten

+ Wat is de situatie vandaag?

In het boekhoudrecht geldt het ‘matching principe’: kosten worden verbonden aan het boekjaar waarin de gerelateerde opbrengsten worden gerealiseerd. Zo gebeurt het vaak dat kosten die vandaag ‘betaald’ worden, boekhoudkundig toch – gedeeltelijk – worden toegerekend aan een volgend boekjaar. Bijvoorbeeld een vooruitbetaalde huur of interesten.

Maar fiscaal geldt dat matching principe vandaag niet. Kosten zijn fiscaal aftrekbaar in het belastbaar tijdperk waarin ze daadwerkelijk zijn gedaan of gedragen of het karakter van een zekere en vaststaande schuld of verlies hebben gekregen. Ze moeten dus niet worden aangerekend aan het boekjaar dat de resultaten oplevert waarop deze kosten betrekking hebben. Vooruitbetaling van kosten maakt het dus ook mogelijk om op het einde van het jaar de belastbare winst te drukken en te verschuiven naar het volgende jaar. Uw vennootschap kan er zo voor opteren de vooruitbetaalde huur, interesten of verkeersbelasting fiscaal meteen als aftrekbare beroepskost voor het lopende jaar aan te rekenen.

 

+ Wat verandert er?

Het boekhoudkundig ‘matching principe’ zal straks ook fiscaal doorwerken. Kosten verbonden aan activiteiten of inkomsten van een volgend boekjaar mogen slechts in dat boekjaar afgetrokken worden. Kosten worden slechts aftrekbaar indien ze betrekking hebben op het bedoelde belastbaar tijdperk.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Op basis van de huidige stand van zaken vanaf aanslagjaar 2019.

 

Top


Voorafbetalingen

+ Wat is de situatie vandaag?

In beginsel is uw vennootschap schuldenaar van de vennootschapsbelasting van zodra de aanslag m.b.t. de winst is gevestigd. De Schatkist wenst echter dat u vennootschapsbelasting betaalt gedurende het jaar waarin u de winst realiseert. Net zoals op bezoldigingen van werknemers en bedrijfsleiders bedrijfsvoorheffing wordt ingehouden.

Om uw vennootschap daartoe te prikkelen, verhoogt de wetgever het tarief voor de vennootschapsbelasting indien u de vereiste voorafbetalingen niet tijdig afdraagt. Die verhoging is integraal verschuldigd indien uw vennootschap geen enkele voorafbetaling doet. Maar als uw vennootschap één of meer voorafbetalingen heeft gedaan, vermindert deze vermeerdering met de voordelen (‘bonificaties’) die aan de gedane voorafbetalingen zijn verbonden. De ‘vermeerdering bij onvoldoende voorafbetaling’ wordt aangerekend bij de gewone aanslag in de vennootschapsbelasting.

De vermeerdering wegens ontoereikende voorafbetalingen is niet verschuldigd voor kleine vennootschappen tijdens de eerste drie boekjaren vanaf de oprichting. Dan geldt dus een tijdelijke vrijstelling van belastingvermeerdering.

Om de vermeerdering te berekenen vertrekt men van de gewone belastingcyclus. De wetgever gaat ervan uit dat een vennootschap die geen voorafbetalingen doet, haar belastingen pas zal betalen begin oktober van het jaar dat volgt op het inkomstenjaar[1]. Dat levert volgend mogelijk uitstel op:

  • Zes kwartalen voor de belasting met betrekking tot het eerste kwartaal. Namelijk 18 maanden vanaf 10 april 20N0 (= datum van eerste voorafbetaling) tot 10 oktober 20N1 (= afloop van de betalingstermijn).
  • Vijf kwartalen voor de belasting met betrekking tot het tweede kwartaal. Namelijk 15 maanden vanaf 10 juli 20N0 (= datum van tweede voorafbetaling) tot 10 oktober 20N1 (= afloop van de betalingstermijn).
  • Vier kwartalen voor de belasting met betrekking tot het derde kwartaal. Namelijk 12 maanden vanaf 10 oktober 20NO (= datum van derde voorafbetaling) tot 10 oktober 20N1 (= afloop van de betalingstermijn).
  • Drie kwartalen voor de belasting met betrekking tot het vierde kwartaal. Namelijk (bijna) 9 maanden vanaf 20 december 20N0 (= datum van vierde voorafbetaling) tot 10 oktober 20N1 (= afloop van de belastingstermijn).

De vermeerdering is gelijk aan een positief verschil tussen:

  • het belastingbedrag waarop de vermeerdering wordt berekend (namelijk 103% van de belasting die verschuldigd is op de inkomsten) vermenigvuldigd met 2,25 maal de basisrentevoet en
  • de bedragen van de voorafbetalingen
    • in het eerste kwartaal vermenigvuldigd met 3 maal de basisrentevoet
    • in het tweede kwartaal vermenigvuldigd met 2,5 maal de basisrentevoet
    • in het derde kwartaal vermenigvuldigd met 2 maal de basisrentevoet
    • in het vierde kwartaal vermenigvuldigd met 1,5 maal de basisrentevoet.

De basisrentevoet is het rentetarief van de marginale beleningsfaciliteit van de Europese Centrale Bank (ECB). Men hanteert daarvoor de basisrentevoet op 1 januari van het jaar voor het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd. Voor het aanslagjaar 2017 is dat dus de basisrentevoet op 1 januari 2016. Die bedroeg toen slechts 0,5%. Voor aanslagjaar 2018 geldt de basisrentevoet op 1 januari 2017, en die bedroeg toen (en nu) slechts 0,25%. Uiteraard krijgt u met een lage basisrentevoet een lager vermeerderingsbedrag, en vermindert dus de incentive om vooraf te betalen. De globale vermeerdering in aanslagjaar is dus 2,25 * 0,50% = 1,125% en zou dan in aanslagjaar 2018 slechts 2,25 * 0,25% = 0,5625% bedragen.

Maar de federale regering heeft in de programmawet van 3 augustus 2016 bepaald dat de ‘basisrentevoet’ vanaf aanslagjaar 2018 niet lager mag zijn dan 1%. Ze wil een verdere rentedaling dus niet langer verdisconteren. Terwijl de echte basisrentevoet voor aanslagjaar 2018 (situatie op 1/1/2017) 0,25% bedraagt, werd hij dus verhoogd tot 1%. De globale vermeerdering in aanslagjaar 2018 (inkomsten 2017) is dan gelijk aan 2,25* 1% = 2,25%. Dat is een verdubbeling tegenover aanslagjaar 2017 (inkomsten 2016).

Bijgaande tabel geeft een overzicht van de globale vermeerderingspercentages in de voorbije jaren. De tabel maakt duidelijk dat de daling van de basisrentevoet leidde tot lagere globale vermeerderingspercentages. Door de expansieve monetaire politiek van de ECB daalde het vermeerderingspercentage de jongste jaren, van 2,25% in aanslagjaar 2012 tot 1,12 % in aanslagjaar 2016 en 2017. De penalisatie om niet vooraf te betalen daalde dus ook. Het gevolg was dat vennootschappen ook effectief minder gingen vooraf betalen.

Aanslagjaar Berekeningscomponenten Vermeerderingspercentage
Aanslagjaar 2012 1% * 2,25

 

2,25%
Aanslagjaar 2013 1% * 2,25> 2,25%
Aanslagjaar 2014 1% * 2,25 2,25%
Aanslagjaar 2015 0,75% * 2,25 1,6875%
Aanslagjaar 2016 0,5% * 2,25 1,125%
Aanslagjaar 2017 0,5% * 2,25 1,125%
Aanslagjaar 2018 1% * 2,25 2,250%

 

[1] De aangiften moeten immers slechts worden ingediend tegen 30 juni van het jaar volgend op het inkomstenjaar. De taxatiedienst heeft vervolgens tijd nodig om tot inkohiering over te gaan, waarna ze het aanslagbiljet verzendt. Vervolgens heeft de belastingplichtige twee maanden de tijd om te betalen. Zo komen we uit op begin oktober.

 

+ Wat verandert er?

De regering wil u ertoe aanzetten om opnieuw meer vooraf te betalen door de basisrentevoet voor de vermeerdering opnieuw te verhogen, nu van 1% naar 3%. Het vermeerderingspercentage zal dan stijgen tot 6,75% van de verschuldigde belastingen. Door voldoende vooraf te betalen kan u deze vermeerdering vermijden.

Aanslagjaar Berekeningscomponenten Vermeerderingspercentage
Aanslagjaar 2019 3% * 2,25 6,75%
Aanslagjaar 2020 3% * 2,25 6,75%
Aanslagjaar 2021 3% * 2,25 6,75%

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Op basis van de huidige stand van zaken vanaf aanslagjaar 2019.

 

Top


Verhoging voordeel alle aard en vermindering aftrekbaarheid autokosten plug-in hybrides

+ Wat is de situatie vandaag?

Men wil het gebruik van zogenaamde ‘valse hybrides’ bestrijden. Valse hybrides zijn voertuigen die deels werken op brandstof en deels op een extern oplaadbare elektrische batterij. Hiervan is sprake indien de energiecapaciteit van het voertuig lager is dan 0,6 kWh per 100 kilogram wagengewicht. De capaciteit van de elektrische batterij laat dan te weinig gebruik deze energiebron toe, ze levert slechts een beperkte autonomie. Hierdoor vindt de aandrijving quasi uitsluitend via brandstof plaats.

De theoretische C02-uitstoot van deze hybrides wijkt daardoor aanzienlijk af van de werkelijke uitstoot. Maar die discrepantie leidt er wel toe dat een lager voordeel alle aard (VAA) berekend wordt dan voor eenzelfde type voertuig dat volledig op brandstof wordt aangedreven.

 

+ Wat verandert er?

Na de hervorming zal het VAA van een ‘valse hybride’ abstractie maken van de elektrische batterij. Ze zal bijgevolg gebaseerd zijn op de CO2-uitstoot die volledig wordt berekend op de aandrijving via brandstof.

Indien er geen overeenstemmend voertuig bestaat dat uitsluitend voorzien is van een brandstofmotor die gebruik maakt van dezelfde brandstof, wordt de uitstootwaarde vermenigvuldigd met 2,5. Deze coëfficiënt weerspiegelt de gemiddelde verhouding tussen de meegedeelde uitstoot van een valse hybride en deze van een overeenstemmend voertuig voorzien van een motor die uitsluitend dezelfde brandstof gebruikt.

De aftrekbaarheid van kosten van de zogenaamde valse hybrides wordt op analoge wijze verminderd, ook voor hybride plug-ins.

Per KB wordt nog nader bepaald wat men concreet zal verstaan onder “overeenstemmend voertuig”. Bij in ministerraad overlegd KB kan ook de minimale energiecapaciteit verhoogd worden van 0,6 kWh per 100 kilogram voertuiggewicht naar 2,1 kWh per 100 kilogram voertuiggewicht.

Komt er een overgangsbepaling?

Ja. De hybride voertuigen die worden aangekocht voor 1 januari 2018 kunnen blijven genieten van het huidige systeem. Ze kunnen daarvan blijven genieten tot en met aanslagjaar 2022.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Volgens de huidige stand van zaken zou dat kunnen vanaf aanslagjaar 2021, verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2020.

 

Top


Aftrekbaarheid van kosten gemeenschappelijk vervoer

+ Wat is de situatie vandaag?

Indien een werkgever of een groep van werkgevers vandaag gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden organiseert tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, kan die de daaraan verbonden kosten a rato van 120% aftrekken.

 

+ Wat verandert er?

Deze verhoogde aftrek wordt opgeheven. Deze kosten maken niet langer voorwerp uit van een fiscaal voordeel. Ze worden aftrekbaar aan 100% in plaats van aan 120%.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Volgens de plannen is dat vanaf aanslagjaar 2021, verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2020.

 

Top


Aftrekbaarheid van autokosten

+ Wat is de situatie vandaag?

Het gaat hier om de aftrek van autokosten – andere dan brandstofkosten – van personenwagens, auto’s voor dubbel gebruik en minibussen in functie van de CO2-uitstoot. De regels zijn nu als volgt.

  Kosten dieselvoertuig Kosten benzinevoertuigen
CO2-uitstoot maximaal 60 gram per km 100% 100%
Meer dan 60 gram CO2, tot max 105 gram per km 90% 90%
Meer dan 105 gram CO2, tot max 115 gram 80% 80%
Meer dan 115 gram CO2, tot max 125 gram CO2 75% 80%
Meer dan 125 gram CO2, tot max 145 gram CO2 75% 75%
Meer dan 145 gram CO2, tot maximaal 155 gram CO2 70% 75%
Meer dan 155 gram CO2, tot max 170 gram CO2 70% 70%
Meer dan 170 gram CO2, tot max 180 gram CO2 60% 70%
Meer dan 180 gram CO2 tot max 195 gram CO2 60% 60%
Meer dan 195 gram CO2 tot max 205 gram CO2 50% 60%
Meer dan 205 gram CO2 50% 50%
Indien geen gegevens bekend zijn 50% 50%

Brandstofkosten zijn forfaitair verrekenbaar aan 75%. Financieringskosten van voertuigen zijn voor 100% aftrekbaar. Voertuigen met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer genieten van 120% aftrekbaarheid

 

+ Wat verandert er?

Autokosten zijn in de vennootschapsbelasting aftrekbaar in functie van de CO2-uitstoot van de wagen per gereden kilometer en in functie van de brandstof. De aangepaste formule ziet er als volgt uit:

120% - (0,5 * brandstofcoëfficiënt * CO2-uitstoot per gereden kilometer

De brandstofcoëfficiënt bedraagt 1 voor dieselmotoren en 0,95 voor andere motoren (benzine, lpg, biobrandstof, elektrische motor,…). Indien het voertuig is uitgerust met een aardgasmotor en het belastbaar vermogen minder dan 12 fiscale paardenkracht bedraagt, verlaagt de brandstofcoëfficiënt tot 0,90.

De aftrekbaarheid van 120 procent voor voertuigen met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer elektrische voertuigen) wordt geschrapt. Het aftrekpercentage wordt beperkt tot 100%. Het tarief dat door toepassing van deze formule bekomen wordt, zal in de range van 50 tot 100% liggen. Echter, indien de CO2-uitstoot per kilometer 200 gram of meer bedraagt, zal het aftrekpercentage slechts 40% bedragen. Dat is duidelijk minder dan de 50%-aftrekbeperking vandaag.

De aftrekbare brandstofkosten zullen op dezelfde wijze berekend worden als de andere autokosten. Het aftrekpercentage van de brandstofkosten per wagen zal dus functie worden van de CO2-uitstoot van het voertuig en de soort gebruikte brandstof.

Financieringskosten van voertuigen blijven voor 100% aftrekbaar.

Voorbeeld

Een dieselvoertuig heeft een CO2-uitstoot van 98 gram per kilometer. Vandaag zijn de autokosten dan aftrekbaar voor 90 %. Na de aanpassing zijn de autokosten aftrekbaar voor 120% - (0,5*1*98) = 71%.

Een benzinevoertuig heeft een CO2-uitstoot van 98 gram per kilometer. Vandaag zijn autokosten aftrekbaar voor 90%. Na de aanpassing zijn de autokosten aftrekbaar voor 120% -(0,5*0,95*98) = 73,45%.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Volgens de huidige stand van het ontwerp van relancewet is de aanpassing van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start op 1 januari 2020.

 

Top


Belastingvrijstelling voor bijkomend personeel voor een betrekking van diensthoofd voor de uitvoer of een betrekking van diensthoofd voor de afdeling integrale kwaliteitszorg

+ Wat is de situatie vandaag?

Vandaag is een winstvrijstelling voorzien ten bedrage van (niet geïndexeerd) maximaal 10.000 euro per bijkomende personeelseenheid voltijds tewerkgesteld in België voor een betrekking van diensthoofd voor de uitvoer of voor de afdeling integrale kwaliteitszorg. In het aanslagjaar 2018 bedraagt het geïndexeerde vrijgestelde bedrag 15.660 euro.

 

+ Wat verandert er?

De vrijstelling voor bijkomend personeel voor een betrekking van diensthoofd voor de uitvoer of een betrekking van diensthoofd van de afdeling integrale kwaliteitszorg wordt geschrapt.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

De maatregel wordt van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start op 1 januari 2020.

 

Top


De vrijstelling voor winsten en baten op bezoldigingen betaald aan bepaalde stagiairs

+ Wat is de situatie vandaag?

Voor jongeren die in het kader van een alternerende opleiding een praktijkopleiding volgen in de onderneming van een werkgever, wordt een financiële tegemoetkoming toegekend in de vorm van een startbonus. Werkgevers die aan jongeren een stageplaats aanbieden met het oog op een praktijkopleiding genieten sinds 2006 van een stagebonus (uitvoering van het Generatiepact).

Werkgevers die deze stagebonus verkrijgen, komen ook in aanmerking voor een winstvrijstelling. Die bedraagt 20% van de betaalde of toegekende bezoldigingen aan de stagiair.

 

+ Wat verandert er?

Deze winstvrijstelling ten bedrage van 20% van de bezoldigingen toegekend of betaald aan stagiairs waarvoor u geniet van een stagebonus, wordt geschrapt.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

De maatregel is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start op 1 januari 2020.

 

Top


De winstvrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon

+ Wat is de situatie vandaag?

Vandaag bestaat een winstvrijstelling indien uw onderneming bijkomend personeel met een laag loon in dienst neemt. De maatregel werd als ‘tijdelijk’ ingevoerd in 1998 en werd definitief verankerd in het wetboek in 2008. Deze vrijstelling geldt enkel indien uw onderneming maximaal elf werknemers tewerkstelt. Dit maximum wordt in principe beoordeeld op 31 december 1997. Indien uw onderneming later opstartte, kijkt de fiscus naar de situatie op het einde van het jaar waarin de exploitatie een aanvang nam. Dat bijkomende tewerkstelling nadien tot gevolg zou hebben gehad dat uw vennootschap die grens zou overschreden, hebben heeft geen belang. Personeelsleden die deeltijdse arbeid verrichten, worden bij het vaststellen van deze grens voor een volledige eenheid geteld. Bedrijfsleiders en uitzendkrachten worden niet meegeteld.

De vrijstelling geldt slechts indien de bijkomende personeelseenheid op kwartaalbasis gemiddeld niet meer verdient dan 90,32 euro bruto per dag en 11,88 euro per uur. Deze loonbedragen worden niet geïndexeerd en waren sinds 2005 al niet meer verhoogd, wat de impact van de maatregel beperkte.

De winstvrijstelling bedraagt voor het aanslagjaar 2018 per bijkomende personeelseenheid 5.830 euro.

 

+ Wat verandert er?

De winstvrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon wordt geschrapt.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

De maatregel is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start op 1 januari 2020.

 

Top


Kapitaalverminderingen

+ Wat is de situatie vandaag?

De algemene vergadering van een vennootschap kan de kapitaalvermindering boekhoudkundig aanrekenen op het gestorte kapitaal. Het fiscaal recht volgt deze boekhoudkundige aanrekeningskwalificatie. De kapitaalvermindering is dan niet belastbaar, want volledig aangerekend op het gestorte kapitaal.

 

+ Wat verandert er?

De kapitaalvermindering wordt vanaf 2018 vanuit fiscaal oogpunt pro rata aangerekend op de verschillende componenten van het eigen vermogen. Ook indien de boekhoudkundige aanrekening volledig op het gestorte kapitaal plaatsvindt. Het gedeelte van de pro rata kapitaalvermindering aangerekend op het werkelijk gestorte kapitaal blijft onbelast. De pro rata van de aanrekening op de (in het maatschappelijk kapitaal geïncorporeerde) belaste reserves en de in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves wordt wel als dividend belast

Niet onmiddellijk uitkeerbare reserves worden uit de pro rata berekening gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de wettelijke reserve ten belope van het wettelijk minimum, de gewone en bijzondere liquidatiereserve, voorzieningen,...

De kapitaalvermindering kan er nooit toe leiden dat u niet in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves moet belasten. Deze reserves zijn immers niet bestemd voor uitkering. Indien deze vrijgestelde reserves in het kapitaal werden geïncorporeerd, zijn ze slechts belastbaar wanneer de vermindering van het maatschappelijk kapitaal het totaal aan gestort kapitaal en belaste reserves overstijgt.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

De maatregel zou op basis van voorlopige informatie van toepassing zijn op verrichtingen die worden uitgevoerd vanaf 1 januari 2018.

 

Top


Marktrente: definitie

+ Wat is de situatie vandaag?

Interesten zijn in beginsel slechts aftrekbaar in de mate dat ze niet hoger zijn dan de ‘marktrentevoet’. In de mate de interestvergoeding op een geldlening wordt overschreden, wordt de rentevergoeding geherkwalificeerd als dividend.

De marktrente voor interesten op een rekening-courant met creditstand blijkt in de praktijk aanleiding te geven tot veel discussies.

 

+ Wat verandert er?

De regering wil rechtszekerheid bieden. Daarom wordt de ‘marktrente’ als maximale interestvergoeding vervangen door de rentevoet met variabel tarief voor leningen (minder dan 1 miljoen euro, duurtijd minder dan één jaar) van Belgische financiële instellingen aan niet-financiële instellingen. Deze rentevoet wordt verhoogd met 2,5 procent. De NBB berekent en publiceert deze rentevoeten maandelijks via https://www.nbb.be/doc/dq/mir/nl/data/mir_statmir.htm . In augustus 2017 bedroeg dit rentetarief 1,66%.

Om de fiscaal aanvaarde bovengrens van de rentevoet op uw rekening-courant te bepalen zal u steeds rekening moeten houden met het rentetarief voor contracten afgesloten in november van het voorgaande jaar. Dit tarief wordt op het eind van het jaar gepubliceerd op de site van de NBB.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Ze wordt van toepassing op interesten die betrekking hebben op periodes na 31 december 2019.

 

Top


De verhoogde eenmalige investeringsaftrek voor kmo-vennootschappen

+ Wat is de situatie vandaag?

Indien u een kleine vennootschap heeft (art 15 W Venn), komt u sinds 2014 in aanmerking voor een eenmalige investeringsaftrek. Die kan u toepassen voor het belastbaar tijdperk waarin u een investering in materiële of immateriële activa verricht. Deze investeringsaftrek bedraagt in aanslagjaar 2018 (inkomsten 2017) 8% van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de materiële of immateriële vaste activa. U mag deze activa uitsluitend voor de economische activiteit aanwenden. Indien u opteert voor deze eenmalige investeringsaftrek, verzaakt u in dat jaar aan de aftrek voor risicokapitaal.

Kmo-vennootschap volgens de criteria van artikel 15 W Vennootschappen. Volgens deze definitie zijn kmo’s vennootschappen met rechtspersoonlijkheid die op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan een van de volgende drie grenzen overschrijden:

 

  • balanstotaal: maximum 4.500 000 euro
  • jaaromzet (excl. Btw): maximum 9.000.000 euro
  • jaargemiddelde van het personeelsbestand (terug te vinden in de DIMONA-databank): maximum 50 werknemers (uitgedrukt in voltijdse equivalenten).

 

+ Wat verandert er?

Voor nieuwe investeringen in materiële en/of immateriële vaste activa die uw kleine onderneming verricht tijdens de aanslagjaren 2019 en 2020 geniet u van een tijdelijk verhoogde eenmalige investeringsaftrek. Die bedraagt dan 20% van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de investering.

In bepaalde gevallen is het bestaande basispercentage voor binnenlandse kmo-vennootschappen al iets gunstiger dan 20%. Zo geldt al een verhoogde eenmalige investeringsaftrek van 20,5% voor investeringen in materiële vaste activa die dienen voor de beveiliging van beroepslokalen en hun inhoud. Deze verhoogde investeringsaftrek geldt tevens voor de beveiliging van bedrijfsvoertuigen en voor investeringen in beveiligingssystemen van informatie, netwerken en ICT-installaties. Deze iets interessantere investeringsvoordelen blijven behouden.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

De verhoogde investeringsaftrek is een tijdelijke stimulans. Ze geldt slechts voor investeringen in materiële en immateriële vaste activa die u verricht tijdens de aanslagjaren 2019 en 2020.

 

Top


Investeringsreserve

+ Wat is de situatie vandaag?

Om de autofinanciering van kmo-vennootschappen aan te moedigen, kan u vandaag een deel van uw gereserveerde winst vrijstellen [1]. De vrijstelling bedraagt 50% van het gereserveerde belastbaar resultaat van het belastbaar tijdperk. De aangroei van het gereserveerd belastbaar resultaat dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de investeringsreserve is beperkt tot 37.500 euro per belastbaar tijdperk. Het vrijgestelde bedrag kan dus per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 37.500 euro * 50 % = 18.750 euro.

[1] Dat resultaat wordt vervolgens verminderd met het bedrag van de vrijgestelde meerwaarden op aandelen, het gedeelte van de vrijgestelde meerwaarden op personenwagens, de eventuele vermindering van het gestorte kapitaal en de verhoging van de vorderingen op natuurlijke personen die aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar van de vennootschap zijn.

 

+ Wat verandert er?

De investeringsreserve voor kmo-vennootschappen wordt opgeheven. De regeling blijft van toepassing voor lopende reserves.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

De investeringsreserve kan niet meer aangelegd worden vanaf belastbare tijdperken die aanvangen vanaf 1 januari 2018.

 

Top


Wijziging afschrijvingsregimes

+ Wat is de situatie vandaag?

U kan ervoor opteren om degressief (versneld) af te schrijven. In dat geval bedraagt het afschrijvingspercentage in het eerste jaar hoogstens het dubbele van het lineaire afschrijvingspercentage. Het mag niet meer bedragen dan 40% van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde. Voor het bepalen van de afschrijvingsannuïteit van ieder volgend jaar past u dit degressieve percentage toe op de residuwaarde van de activa. De residuwaarde is gelijk aan de aanschaffingswaarde verminderd met de tot op het einde van het vorige jaar fiscaal aangenomen afschrijvingen.

Kleine vennootschappen kunnen in het eerste jaar van het boekjaar waarin ze activa verkrijgen of tot stand brengen afschrijven op jaarbasis. Ook indien zij de investering verkrijgen op het einde van het jaar. Grote vennootschappen kunnen dat niet. Zij moeten hun eerste afschrijving pro rata temporis afschrijven. Dat betekent dat zij in dat eerste jaar hun investering slechts op dagbasis kunnen afschrijven.

De aanschaffingsprijs voor niet-kmo-vennootschappen bevat niet enkel de aankoopprijs, maar ook bijkomende kosten zoals niet terugbetaalbare belastingen (niet aftrekbare btw, registratierechten) en vervoerskosten. Deze bijkomende kosten moeten dus ook afgeschreven worden volgens hetzelfde ritme als de hoofdsom. Indien uw vennootschap ‘klein’ is, kan u deze bijkomende kosten in het jaar van verkrijging of totstandbrenging van het activum in kost opnemen.

 

+ Wat verandert er?

Het degressieve afschrijvingsregime zal niet langer van toepassing zijn in de vennootschapsbelasting.

Ook kleine vennootschappen worden verplicht hun eerste afschrijving te ‘proratiseren’.

Kleine vennootschappen behouden de mogelijkheid de bijkomende kosten in een keer of gespreid over meerdere jaren af te schrijven. Indien u ervoor opteert deze bijkomende kosten gespreid af te schrijven, moet u deze bijkomende kosten voortaan wel op dezelfde wijze afschrijven als de hoofdsom.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Vanaf aanslagjaar 2021.

 

Top


Voorwaarden voor de vrijstelling van meerwaarden op aandelen

+ Wat is de situatie vandaag?

Gerealiseerde meerwaarden op aandelen zijn vandaag vrijgesteld van vennootschapsbelasting mits voldaan wordt aan enkele voorwaarden. Zo moet u de participatie steeds meer dan één jaar in volle eigendom aanhouden. Zo niet is de meerwaarde belast aan het tarief van 25,75%. De winst die de basis vormt van de meerwaarde moet eerder ook belast zijn in hoofde van de vennootschap waarin u de participatie aanhoudt (taxatievoorwaarde). Indien niet is voldaan aan de taxatievoorwaarde wordt de meerwaarde belast aan het standaardtarief van 33,99% of volgens het verlaagd opklimmend tarief. Grote ondernemingen zijn bovendien nog een meerwaardebelasting op aandelen van 0,412 % verschuldigd indien zij hun participatie verkopen na één jaar.

Indien u van diezelfde vennootschap een dividend ontvangt, zijn de vrijstellingsvoorwaarden strenger. Naast de vereiste houdbaarheid van één jaar en de taxatievoorwaarde moet ook voldaan zijn aan een participatievoorwaarde. Die houdt concreet in dat u een participatie van minimaal 10% van het kapitaal of 2,5 miljoen euro aanschaffingswaarde moet hebben om de DBI-vrijstelling op het uitgekeerde dividend te bekomen. Ontvangen dividenden genieten dus minder snel van een vrijstelling dan gerealiseerde meerwaarden. Ze worden gemakkelijker dubbel belast.

Onderstaande tabel geeft de huidige fiscale behandeling weer van meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting in de verschillende mogelijke situaties.

 

Taxatievoorwaarde voldaan

Taxatievoorwaarde niet voldaan

Houdduur < 1 jaar

25,75%

Standaardtarief

33,99%

Verlaagd opklimmend tarief (kmo)

 

Houdduur 1 jaar

0,412%

0% (KMO)

 

+ Wat verandert er?

De strengere DBI-voorwaarden zullen ook gelden bij de verwezenlijking van een meerwaarde. Concreet betekent dit dat de meerwaarde op een participatie belast wordt in de vennootschapsbelasting indien u geen aanmerkelijk belang aanhield: een participatie van minder dan 10% van het kapitaal of van minder dan 2,5 miljoen euro aanschaffingswaarde.

De regering heeft volgende verzachtende maatregelen op deze regel aanvaard:

  • Verkoop van aandelen in beleggingsvennootschappen worden niet geviseerd door deze verstrenging. Dit geldt tevens voor de verkoop van aandelen door een beleggingsvennootschap zelf. De memorie van toelichting vermeldt dat private privaks ook als een beleggingsvennootschap kwalificeren. In deze gevallen moet ook niet voldaan zijn aan de houdbaarheidstermijn van 1 jaar in volle eigendom.
  • De aanschaffingswaarde bevat het gedeelte dat onderschreven is. Er is dus niet vereist dat het kapitaal ook volledig volstort is.
  • De meerwaarden op aandelen die verzekeringsondernemingen realiseren op hun dekkingsactiva – de wettelijk verplichte activa die verzekeringsondernemingen moeten aanhouden ter waarborg van hun verplichtingen t.a.v. de verzekerden – moeten niet voldoen aan de participatievoorwaarde. Zo wil men de waarborg voor de verzekerden veilig stellen.

De meerwaardebelasting van 0,412% op aandelen van niet-kmo-vennootschappen die hun participatie langer dan één jaar aanhielden, wordt afgeschaft vanaf aanslagjaar 2019.

Indien meerwaardebelasting op aandelen in de vennootschapsbelasting verschuldigd is, zal in de regel het lagere standaardtarief van toepassing zijn.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

De afschaffing van de meerwaardebelasting van 0,412% op aandelen die niet-kmo-vennootschappen verwezenlijken na de houdduur van één jaar gaat in vanaf aanslagjaar 2019. Dat geldt tevens voor de invoering van de DBI-participatievoorwaarde.

Dit levert volgende samenvattende schema’s op van toepassing vanaf respectievelijk aanslagjaar 2019 (inkomsten 2018) en aanslagjaar 2021 (inkomsten 2020)

Samenvattende tabel voor huidige situatie


Fase 1 hervorming

Taxatie- en participatievoorwaarde voldaan

Taxatie- of participatievoorwaarde niet voldaan

Houdduur < 1 jaar

25,50%
20,40% voor deel belastbare grondslag ≤ 100.000 euro (kmo)
Standaardtarief 29,58%
20,40% voor deel belastbare grondslag ≤ 100.000 euro (kmo)

Houdduur 1 jaar

0%

Samenvattende tabel nieuwe situatie: aanslagjaar 2021

Fase 1 hervorming Taxatie- en participatievoorwaarde voldaan
Taxatie- of participatievoorwaarde niet voldaan
Houdduur < 1 jaar Standaardtarief 25%
20 % voor deel belastbare grondslag ≤ 100.000 euro (kmo)
Standaardtarief 25%
20% voor deel belastbare grondslag ≤ 100.000 euro (kmo)

Houdduur 1 jaar

0%

 

Top


Beperking van de interestaftrek

+ Wat is de situatie vandaag?

Geen beperking van de interestaftrek in functie van de EBITDA.

 

+ Wat verandert er?

De Europese Anti Tax Avoidance Directive (ATAD) beoogt onder meer belastingontwijking tegen te gaan door de aftrekbaarheid van het zogenaamde financieringskostensurplus te beperken tot een grensbedrag. Het financieringskostensurplus is gelijk aan het verschil tussen de als beroepskost aangemerkte interesten en de ontvangen interesten. Uw onderneming kan het hoogste van volgende bedragen als financieringskostensurplus in mindering brengen: 3 miljoen of 30% van de EBITDA. Daarboven wordt de interest fiscaal ‘verworpen’. Met andere woorden als ze excessief is in vergelijking met de EBITDA van de vennootschap.

Deze interestbeperking geldt niet voor stand-alonevennootschappen die een deelneming aanhouden in een andere vennootschap van minder dan 25% en die ook geen aandeelhouder hebben die in deze en in een andere vennootschap een belang van 25% of meer aanhouden.

Twee leningen worden niet in aanmerking genomen voor de afleiding van het financieringskostensurplus:

- Leningen waarvan u kan aantonen dat het contract werd gesloten voor 17 juni 2016 (datum van de ATAD-richtlijn)

- Leningen gesloten in uitvoering van een project publiek-private samenwerking.

De berekening van de EBITDA en het financieringskostensurplus gebeurt op basis van een geconsolideerde simulatie. De interesten die tussen vennootschappen of Belgische inrichtingen behorend tot dezelfde groep plaats vinden, worden dus niet mee in rekening gebracht voor de bepaling van het financieringskostensurplus of de EBITDA. De interestaftrek wordt dan evenredig verdeeld over de verschillende vennootschappen en inrichtingen. Een afzonderlijk KB zal de verdelingsmethode vaststellen.

Voor de afleiding van de EBITDA zou men vertrekken van het fiscaal resultaat van het belastbaar tijdperk na de eerste bewerking. De winst die krachtens een dubbelbelastingverdrag wordt vrijgesteld, de inkomsten die in aanmerking komen als DBI-inkomsten, de winst behaald in uitvoering van een project van publiek-private samenwerking en 80% van de octrooi-inkomsten worden daarvan afgetrokken. Bij dat bedrag worden vervolgens het financieringskostensurplus en de als beroepskost aanvaarde waardeverminderingen en afschrijvingen opgeteld om de EBITDA af te leiden.

De definitie van interesten in de richtlijn is breder dan de bestaande definitie in het fiscaal wetboek. Daarom wordt aan de Koning een delegatie gegeven om financiële kosten die aantoonbaar economisch equivalent zijn aan interesten mee in het toepassingsgebied op te nemen.

Interestuitgaven die in een vorig belastbaar tijdperk verworpen, werden kunnen in een daaropvolgend tijdperk verrekend worden met de winst van het huidige boekjaar. Dit kan echter niet altijd. Er mag ten eerste geen vrijstelling van de winst zijn toegekend voor een gelijk bedrag in hoofde van de belastingplichtige of een andere vennootschap of vaste inrichting die deel uitmaakt van dezelfde groep. Ten tweede is de overdracht van dit ‘financieringskostensurplus’ beperkt omdat de totale interestaftrek steeds beperkt moet blijven tot 30% van de EBITDA of 3 miljoen euro. Die overdracht tussen groepsvennootschappen van het financieringskostensurplus moet fiscaal neutraal gebeuren. Men wil immers vermijden dat de rechten van eventuele minderheidsaandeelhouders en schuldeisers zouden worden aangetast. Daartoe sluit de groepsvennootschap met een overschot aan interestaftrek een contract met de groepsvennootschap die nog interestaftrek kan aanwenden.

U moet in dat geval in uw aangifte een opgave voegen waarvan het model zal worden bepaald door de Minister van Financiën.

Voorbeeld.

Veronderstel twee binnenlandse vennootschappen A en B. Beiden behoren tot dezelfde groep. A heeft in een vorig belastbaar tijdperk een ‘financieringskostensurplus’ van 100 opgebouwd. A kon dit bedrag dus niet als beroepskost aanwenden. Vennootschap B heeft echter een overschot van 100 in verhouding tot haar EBITDA. Beide vennootschappen kunnen nu een overeenkomst sluiten. Vennootschap B betaalt aan vennootschap A een vergoeding gelijk aan de ‘uitgespaarde belasting’ van 25 (100 % 25 %) voor het “gebruik” van het financieringskostensurplus. Die kost boekt ze als verworpen uitgave. De equivalente vergoeding die A krijgt wordt vrijgesteld.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Ze wordt van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2020.

 

Top


Belastingverhogingen na belastingcontrole: geen verrekening meer met fiscale aftrekken

+ Wat is de situatie vandaag?

Een belastingcontrole kan aanleiding geven tot een verhoging van uw belastbare grondslag. De verhoging is afhankelijk van de aard van de overtreding. Bij fraude bedraagt de belastingverhoging bijvoorbeeld 50 procent. Vandaag kan u deze verhoging desgevallend compenseren met fiscale aftrekken zoals de DBI-aftrek of de investeringsaftrek.

 

+ Wat verandert er?

De overheid wil alle vennootschappen ertoe aanzetten hun aangifteplicht correct te vervullen en zo de compliance verhogen. Ze zal daarom geen fiscale aftrekken meer toestaan op bepaalde verhogingen van de belastbare grondslag die wordt vastgesteld na een belastingcontrole. Meer bepaald gaat het om belastingverhogingen met 10 procent of meer. Een uitzondering geldt voor de DBI-aftrek van het jaar zelf. Die blijft steeds verrekenbaar.

Ook zal de belastingverhoging geen toepassing vinden indien het een eerste overtreding betreft bij ontstentenis van kwade trouw.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Aanslagjaar 2019.

 

Top


Administratieve geldboeten

+ Wat is de situatie vandaag?

Geldboeten worden niet beschouwd als beroepskosten. Ook niet indien de geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van uw onderneming bezoldigingen ontvangt. Deze restrictie wordt strikt geïnterpreteerd. Het is een uitzonderingsbepaling.

De huidige rechtspraak gaat er dan ook van uit dat geldboeten die niet het karakter hebben van een strafrechtelijke sanctie niet noodzakelijk worden beoogd door de huidige wettekst. Zij kunnen dan als beroepskost worden afgetrokken. Dit is bijvoorbeeld het geval voor belastingverhogingen of evenredige administratieve geldboeten inzake btw, registratierechten, onroerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing en voor verhogingen van sociale bijdragen. Ook inzake de kartelboeten bestond in het verleden onduidelijkheid. Deze boete wordt immers ook niet opgelegd op grond van een strafwet. Het Grondwettelijk Hof heeft wel al bevestigd dat deze kartelboeten geen aftrekbare beroepskosten zijn.

 

+ Wat verandert er?

Ook alle administratieve geldboetes opgelegd door overheden zijn niet meer aftrekbaar als beroepskost. Dat geldt ook indien deze boetes betrekking hebben op belastingen die wel aftrekbaar zijn. Ook gemeentelijke administratieve sancties zoals het zonder toelating op straat verdelen van reclamedrukwerk of het voor een bepaald uur op de openbare weg plaatsen van vuilniszakken zullen niet meer aftrekbaar zijn als beroepskost.

Retributies zoals parkeergelden zouden wel aftrekbaar blijven als beroepskost. Dat geldt ook voor schadevergoedingen van contractuele aard.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Ze wordt van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2020.

 

Top


Inschakelingsbedrijven

+ Wat is de situatie vandaag?

Indien uw onderneming door de gewestelijke overheid erkend is als inschakelingsbedrijf geniet ze tijdens de erkenningsperiode een vrijstelling van vennootschapsbelasting. Daartoe moet de gerealiseerde winst op een afzonderlijke rekening als vrijgestelde reserve geboekt worden. Zolang die rekening onaangetast blijft, blijft de winst ook vrijgesteld. Er is immers geen aangroei van belaste reserves. Uw inschakelingsbedrijf betaalt zodoende enkel vennootschapsbelasting op de verworpen uitgaven en uitgekeerde dividenden.

Net zoals niet erkende inschakelingsondernemingen worden ontvangen tewerkstellings- en beroepsoverstappremies bovendien niet belast. Daartoe verhoogt u de begintoestand van de reserves met het bedrag van deze premies. In het geval van het inschakelingsbedrijf wordt de groei van de belaste reserves daardoor dus negatief. Dit negatieve saldo kan uw inschakelingsbedrijf compenseren met het positieve saldo van de verworpen uitgaven en/of de dividenden. Het niet aangewende saldo kan u als compenseerbare verliezen overdragen naar een volgend aanslagjaar.

U geniet zo een dubbele vrijstelling van premies.

De winst van uw inschakelingsbedrijf wordt bovendien onvoorwaardelijk vrijgesteld. Er is geen link met het aantal “moeilijk plaatsbare werkloze personeelsleden” die u in dienst heeft.

 

+ Wat verandert er?

De dubbele vrijstelling van tewerkstellings- en beroepsoverstappremies in hoofde van inschakelingsbedrijven verdwijnt. Het gedeelte van de winst van uw inschakelingsbedrijf dat bestaat uit reeds (in het verleden) vrijgestelde premies komt niet langer in aanmerking voor een bijkomende vrijstelling via de overboeking naar een vrijgestelde reserve.

Er wordt bovendien een link gelegd met het aantal personeelsleden dat behoort tot de doelgroep van ‘moeilijk plaatsbare werklozen’. De winst van uw inschakelingsbedrijf wordt slechts vrijgesteld a rato van de totale brutoloonkost van deze in België tewerkgestelde werknemers. Daarbij gaat de wetgever uit van een minimale brutoloonkost van 7.440 euro (te indexeren) per in België tewerkgestelde personeelseenheid behorend tot deze doelgroep.

Indien een uitkering plaats vindt vanuit de vrijgestelde reserve vervalt ook de winstvrijstelling.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Ze gaat in vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2018.

 

Top


Voorzieningen voor risico’s en kosten

+ Wat is de situatie vandaag?

Het Wetboek Vennootschappen legt uw vennootschap de verplichting op een voorziening te boeken voor risico’s en kosten om naar hun aard duidelijke omschreven verliezen of lasten te dekken die op balansdatum waarschijnlijk of zeker zijn, maar waarvan het bedrag niet vaststaat.

Voorbeelden zijn voorzieningen voor brugpensioenen, kosten van grote herstellingen of onderhoud, kosten van een milieuverplichting of waarborgverplichtingen.

De voorzieningen moeten worden gevormd op basis van een door het bestuursorgaan vastgelegde methode.

Hoe wordt dit fiscaal verwerkt? In principe kan uw vennootschap slechts beroepskosten aftrekken indien die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of die het karakter van een zekere of vaststaande schuld hebben verworven. Het zogenaamde ‘eenjarigheidsbeginsel’ houdt in principe geen rekening met wat er in volgende jaren zou kunnen gebeuren. In uitzondering daarop laat het wetboek inkomstenbelasting echter toe scherp omschreven voorzieningen voor risico’s en kosten die waarschijnlijk zijn vrij te stellen van belasting. Deze kosten worden daardoor uitzonderlijk over meerdere jaren gespreid. Er bestaat vandaag dus een sterk parallellisme tussen het boekhoudrecht en het fiscaal recht op dit punt.

 

+ Wat verandert er?

De vrijstelling voor voorzieningen voor risico’s en kosten wordt voor fiscale doeleinden beperkt tot voorzieningen aangelegd voor reglementaire, contractuele of wettelijke verplichtingen. Dus voor andere verplichtingen dan diegene die voortvloeien uit toepassing van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening.

De vrijstelling blijft dus bijvoorbeeld behouden voor garantieverplichtingen (contractueel vastgelegd) en milieuverplichtingen zoals een voorziening voor asbestverwijdering of een sanering van voor tankstations gebruikte gronden (decretale verplichting). Ook ontslaguitkeringen na betekening van het ontslag en werkloosheid met bedrijfstoeslag vallen onder wettelijke verplichtingen. Tevens blijven voorzieningen voor hangende geschillen vrijstelbaar in de mate dat deze kosten normaal op de resultaten van dat tijdperk wegen.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

De nieuwe bepalingen zijn niet van toepassing op toevoegingen aan voorzieningen aangelegd voorafgaand aan aanslagjaar 2019. De nieuwe bepalingen worden van toepassing voor de vanaf aanslagjaar 2019 (1 januari 2018) nieuw aangelegde voorzieningen of toevoegingen aan bestaande voorzieningen.

 

Top


Bedrijfsleidersvergoeding

+ Wat is de situatie vandaag?

Er bestaat geen aparte afzonderlijke aanslag op uw vennootschap bij ‘ontoereikende bedrijfsleidersbezoldiging’. U moet wel een bedrijfsleidersbezoldiging van minstens 36.000 euro toekennen om in aanmerking te komen voor het verlaagd opklimmend tarief in de vennootschapsbelasting. Zo niet wordt uw vennootschap belast aan het standaardtarief van 33,99%.

 

+ Wat verandert er?

Men wil de oprichting van een vennootschap om louter fiscale redenen ontmoedigen. Men wil voorkomen dat winstgevende vennootschappen (sommige) aandeelhouders met een aanzienlijk belang hoofdzakelijk vergoeden via dividenduitkeringen in plaats van via een bezoldiging. Daarom zal een nieuwe afzonderlijke aanslag gevestigd worden op uw vennootschap bij ‘ontoereikende bedrijfsleidersbezoldiging’. Indien u geen bedrijfsleidersbezoldiging aan minstens één van uw bedrijfsleiders heeft toegekend van 45.000 euro is hiervan sprake. Indien uw belastbaar resultaat kleiner is dan 45.000, moet de bedrijfsleidersbezoldiging minstens gelijk zijn aan dit lager belastbaar resultaat.

De grondslag van de nieuwe aanslag is gelijk aan het verschil tussen de minimumbezoldiging en de hoogste bezoldiging die uw vennootschap aan één van haar bedrijfsleiders heeft toegekend.

Het tarief van de aanslag bedraagt 5% in een eerste fase (aanslagjaar 2019 en 2020). In de tweede fase (vanaf 2021) bedraagt het tarief 10%. Op dat moment heeft uw vennootschap immers voldoende tijd gehad haar bezoldigingspolitiek aan te passen.

Deze afzonderlijke afslag is aftrekbaar in de vennootschapsbelasting.

  • Er zijn twee uitzonderingen op deze regel:
  • Voor kleine vennootschappen [1] is deze afzonderlijke aanslag bij onvoldoende bedrijfsleidersbezoldiging niet verschuldigd gedurende de eerste vier boekjaren vanaf de oprichting.
  • Indien uw vennootschap deel uitmaakt van een groep van verbonden vennootschappen[2], wordt de vereiste bedrijfsleidersbezoldiging aan één en dezelfde bedrijfsleider niet per vennootschap vastgesteld, maar op geconsolideerde basis. Het totaal van de minimale bedrijfsleidersvergoeding bedraagt dan maximaal 75.000 euro. Ze zal uiteraard lager liggen indien de som van het belastbaar resultaat van de groepsvennootschappen ook lager ligt. Enkel de verbonden vennootschappen die één en dezelfde bedrijfsleider hebben, neemt men hier in aanmerking. Indien deze bezoldigingsvoorwaarde van 75.000 euro niet wordt gerealiseerd, is één groepsvennootschap de afzonderlijke aanslag verschuldigd: de vennootschap met het hoogst belastbare resultaat.

[1] Op grond van artikel 15, paragraaf 1 tot 6 van het Wetboek van Vennootschappen

[2] In de zin van artikel 11 Wetboek Vennootschappen

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Op basis van de huidige stand van zaken is een afzonderlijke bijdrage van 5% bij ontoereikende bedrijfsleidersvergoeding voorzien in de aanslagjaren 2019 en 2020. Deze afzonderlijke bijdrage zou stijgen naar 10% vanaf aanslagjaar 2021.

 

Top


Niet-doorstorting bedrijfsvoorheffing onderzoekers

+ Wat is de situatie vandaag?

Voor uw onderzoekers geniet u momenteel een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van hun bedrijfsvoorheffing. Dit vrijstellingspercentage bedraagt vandaag 80% van de beoogde bezoldigingen.

Deze vrijstellingsmaatregel is van toepassing op:

  • Universiteiten, hogescholen en bepaalde wetenschappelijke fondsen
  • Erkende wetenschappelijke instellingen
  • Ondernemingen die samenwerkingsovereenkomsten hebben gesloten met universiteiten, hogescholen, bepaalde wetenschappelijke fondsen en erkende wetenschappelijke instellingen
  • Young Innovative Companies
  • Ondernemingen die onderzoekers met specifieke diploma’s tewerkstellen.

Voor personeelsleden van instellingen en ondernemingen in de eerste vier categorieën zijn geen diplomavereisten voorzien. Een professionele bachelor komt bij deze instellingen en ondernemingen dus ook in aanmerking. Dat is niet het geval indien uw onderneming onder de vijfde categorie valt: deze onderzoekers moeten specifieke, wettelijk bepaalde diploma’s bezitten. U moet ze tewerkstellen in onderzoeks-of ontwikkelingsprojecten of - programma’s.

De wet schrijft momenteel niet voor hoe een ‘wetenschappelijke instelling’ wordt erkend.

 

+ Wat verandert er?

Indien uw onderneming behoort tot de categorie ‘ondernemers die onderzoekers met specifieke diploma’s tewerkstellen’ is er goed nieuws. De specifieke diplomavereisten worden uitgebreid. Indien uw vennootschap in de Vlaamse gemeenschap gevestigd is, zullen ook professionele bachelordiploma’s (of gelijkwaardige diploma’s) van volgende specifieke studiegebieden in aanmerking komen: biotechniek, gezondheidszorg, industriële wetenschappen en technologie, nautische wetenschappen, productontwikkeling, handelswetenschappen en bedrijfskunde. In dit laatste geval moeten de opleidingen echter in hoofdzaak gericht zijn op informatica.

De regering wil deze uitbreiding van het toepassingsgebied faseren in de tijd. U zal voor deze ondersteunende werknemers in het innovatieproces kunnen genieten van een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten bedrage van 40% op de bezoldigingen vanaf 1 januari 2018. Voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2020 zou de vrijstelling voor werknemers met een bachelordiploma verder stijgen tot 80%.

Het totale bedrag van de vrijstelling niet-doorstorting bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers met een professioneel bachelordiploma is begrensd. Het mag maximaal 25% bedragen van de genoten vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing voor andere onderzoekers (met een academische bachelor of een doctoraat). Deze beperking wordt verhoogd tot 50% indien uw vennootschap een kmo-vennootschap is [1].

[1] Kleine vennootschap op grond van artikel 15, paragraaf 1 tot en met 6 Wetboek Vennootschappen

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Vanaf 1 januari 2018: 40% vrijstelling van doorstorting bedrijfsvoorheffing.

Vanaf 1 januari 2020: 80% vrijstelling van doorstorting bedrijfsvoorheffing.

 

Top


Effectentaks

+ Wat is de situatie vandaag?

Er bestaat vandaag geen effectentaks.

 

+ Wat verandert er?

Er wordt een taks ingevoerd op de effectenrekeningen van natuurlijke personen. Natuurlijke personen-rijksinwoners worden daarbij zowel belast op in België als in het buitenland gehouden effectenrekeningen. Niet-inwoners met een effectenrekening bij een Belgische financiële tussenpersoon moeten de taks eveneens betalen.

De belasting is van toepassing indien de totale gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op de effectenrekening 500.000 euro of meer bedraagt. De taks wordt dan geheven op het gehele bedrag van de gemiddelde waarde, vanaf het moment dat deze gemiddelde waarde meer dan 500.000 euro bedraagt.

De titularis van de effectenrekening betaalt effectentaks op zijn aandeel in de effecten. De wetgever gaat er daarbij van uit dat verschillende titularissen van een effectenrekening een even groot aandeel van de effectenrekening bezitten. Als het effectieve aandeel in een effectenrekening minder groot is dan dit proportionele aandeel, moet de belastingplichtige binnen de twee jaar het te veel betaalde terugvragen. Dit kan via een ‘aanvraag tot teruggaaf’. Deze aanvraag moet vergezeld gaan van bewijsstukken die het werkelijke aandeel aangeven.

Volgende financiële instrumenten die op een effectenrekening staan zouden belastbaar worden:

  • Al dan niet beursgenoteerde aandelen
  • Certificaten met betrekking tot al dan niet beursgenoteerde aandelen
  • Al dan niet beursgenoteerde obligaties
  • Certificaten met betrekking tot al dan niet beursgenoteerde obligaties
  • Kasbons
  • Warrants (met uitzondering van warrants die de titularis heeft verworven in het kader van zijn beroepswerkzaamheden)
  • Al dan niet beurgenoteerde rechten van deelneming in gemeenschappelijke beleggingsfondsen
  • Aandelen in beleggingsvennootschappen.

Deze effecten worden enkel belast indien ze op een effectenrekening staan. Aandelen op naam worden dus ook belast indien ze op een effectenrekening staan, niet als ze gehouden worden in een register.

Uitgezonderd van de taks zijn rekeningen die worden gehouden in het kader van een levensverzekering (tak 23) of een regeling voor pensioensparen.

Het tarief bedraagt 0,15% op de volledige waarde van alle effecten die onderworpen zijn aan de taks op de effectenrekeningen.

De berekening van de belasting gebeurt op basis van de gemiddelde waarde van de effectenrekening op de laatste dag van elke driemaandelijkse periode tussen 1 oktober en 30 september van het volgende jaar. In 2018 zal eenmalig een gemiddelde waarde berekend worden op basis van de data op 1 januari, eind maart, eind juni en eind september. Bij een opening, een sluiting of een wijziging van titularis wordt de dag van de verandering een meetpunt.

De aangifte (een overzicht van de rekeningen) en de betaling gebeurt op 1 oktober door de Belgische financiële tussenpersoon voor rekening van de titularis. Deze taks werkt bevrijdend voor de titularis. Belgische beleggers met een effectenrekening in het buitenland moeten zelf hun aangifte doen en de taks betalen. Ze moeten dat uiterlijk doen op de twintigste dag van de derde maand na het einde van de referentieperiode. Ze worden van die plicht ontslagen indien ze kunnen aantonen dat de buitenlandse tussenpersoon de taks heeft ingehouden, aangegeven en betaald. Wanneer de titularis bij verschillende Belgische tussenpersonen effectenrekeningen aanhoudt én vermoedt dat zijn totale waarde 500.000 euro of meer bedraagt, moet hij een verklaring tot inhouding doen. Hij geeft dan toestemming aan zijn tussenpersoon om de belasting in te houden.

 

+ Vanaf wanneer treedt de aanpassing in voege?

Het doel is om deze taks vanaf 1 januari 2018 in te voeren.

 

Top