Skip to main content
  • Nieuws
  • Ondernemers & Co: Delboo - Bedrijfsverkoop aan je kinderen

Ondernemers & Co: Delboo - Bedrijfsverkoop aan je kinderen

  • 14/01/2022

Het binnen de familie houden van het bedrijf is een nobel doel dat door vele families nagestreefd wordt. Maar niet elk kind staat te popelen om een bedrijf te leiden en dus gebeurt het vaak dat maar enkele van de kinderen of één kind het bedrijf van de ouders overkoopt. Op het eerste zicht lijkt dit een eenvoudige transactie, maar er komt toch veel meer bij kijken dan men zou verwachten.

1. Waardering

Het eerste en misschien wel belangrijkste punt is de waardering van het bedrijf. Ouders die het bedrijf aan één kind of meerdere verkopen en dus niet aan een derde, doen er goed aan hun bedrijf door een specialist te laten waarderen. Van belang is dat de waardering juist is. Veel ouders zien in hun bedrijf een extra kind en willen dat niet belasten door er al te veel financiële last op te leggen bij een verkoop. Er kan uiteraard een familiale décote toegekend worden, maar vertrek dan wel van een zo juist mogelijke waardering zodat iedereen weet hoe groot die werkelijk is.

Mocht de waardering echt zeer ver afwijken van de reële waarde van het bedrijf (bijv. meer dan 50%) dan zou men zelfs van een vermomde schenking kunnen spreken, met alle erfrechtelijke implicaties tot gevolg. Indien dit het overgrote deel van de nalatenschap zou uitmaken, kan dit zelfs tot een inkorting leiden bij een overlijden. 

2. Fiscaliteit

De meeste adviseurs gaan uit van een niet-belastbaarheid bij verkoop van de aandelen door de ouders aan de kinderen. Dat dient toch wat genuanceerd te worden. Het principe is dat de meerwaarde belastbaar is, tenzij de verkoop kadert binnen het normale beheer van het privaat vermogen. 

Omdat de aandelen meestal al lang in de familie zijn en de verkoop zeer lang na de verwerving ervan plaatsvindt, gaan de meeste adviseurs ervan uit dat voldaan is aan het criterium van het normale beheer van het privaat vermogen. Maar dat is natuurlijk niet het enige criterium. Belangrijk bij een verkoop is dat de ouders echt niets meer te zeggen hebben in de overgedragen zaak. Meestal zullen de kinderen zelf een nieuwe vennootschap oprichten die dan de aandelen van de ouders overkoopt. In die holding mogen de ouders dus noch aandeelhouder noch bestuurder zijn. In de dochtervennootschap kunnen ze eventueel wel nog een rol vervullen. 

De financiering van de overname is ook van belang bij de beoordeling of het een normale transactie is. Bedrijven verkopen met veel overtollige cash is al een zeker risico. De kinderen moeten een eigen inbreng doen in de holding en moeten natuurlijk dat geld hebben. Dat  kan hen voorafgaandelijk door de ouders worden geschonken en de ouders mogen ook een vendor loan toestaan of een deel van de prijs uitgesteld ontvangen. 

Wat al wat moeilijker ligt, is dat de ouders de verkoopprijs onmiddellijk zouden wegschenken aan de kinderen die het bedrijf overgenomen hebben. Er wordt best wat tijd, bijvoorbeeld drie jaar, gelaten tussen de verkoop en schenking van de verkoopprijs aan de kinderen die het bedrijf overgenomen hebben. Kortom, heel wat fiscale aandachtspunten.

3. Bij de duivel te biecht gaan

Stel de vraag gewoon aan de fiscus of je transactie al dan niet belast is. Middels een ruling ben je tenminste zeker van de fiscale gevolgen van je handelen. Ik hoor sommige adviseurs zeggen dat de transactie enerzijds onbelast is en dat anderzijds een ruling aanvragen bij de duivel te biecht gaan is en dus af te raden. Dat is nu eens klinkklare nonsens. Als je overtuigd bent dat de transactie onbelast is, hoef je toch niet te vrezen de zaak aan de fiscus voor te leggen? Het is zeker zo dat dit een vertragend effect zal hebben. Een rulingaanvraag duurt soms lang en soms legt de fiscus wel zeer vreemde voorwaarden op, maar beter deze op voorhand te kennen dan er achteraf over te moeten procederen. 

Een adviseur die mordicus beweert dat de transactie onbelast is en geen ruling wenst aan te vragen, moet op papier durven te zetten dat het zeker onbelast is en moet voldoende verzekerd zijn om in geval hij het fout had, de schade (de belasting) te vergoeden. De cliënt moet duidelijk maken dat hij dit niet zou gedaan hebben mocht hij geweten hebben dat het belastbaar was. Op die manier verschuift het risico op belasting van de cliënt naar de adviseur. Verba volent, scripta manent, weet je wel.

Mark Delboo

Delboo

Contactpersoon

Sven Van Ryckeghem

Member Services/Publicaties

Vraag het @ Voka

Een prangende vraag? Wij antwoorden binnen de 2 werkdagen!

Stel hier jouw vraag

Artikel uit publicatie