Skip to main content

We zijn er nog niet

  • 07/02/2018

De federale regering is erin geslaagd de eigen doelstelling rond het afbouwen van de loonhandicap te halen. Dat dankt ze vooral aan haar eigen beleid en aan de Saudi’s. Toch is het werk allesbehalve af, want er blijft een handicap van 10-12% over. Daarnaast blijft het loonmechanisme kwetsbaar voor internationale schokken. Dat schrijft Stijn Decock, hoofdeconoom van Voka.

  • De regering is erin geslaagd de loonhandicap van 4,3% sinds 1996 weg te werken.
  • Maar er blijft een handicap over van minstens 10 procent.
  • De grote boosdoener zijn de hoge lasten op arbeid in ons land.
  • En er zijn geen waterdichte garanties dat de handicap niet opnieuw zal oplopen.

Het wegwerkenLoonkostenhandicap aftellen van de loonhandicap was een van de grote prioriteiten van de regering-Michel. Ze mag die nu als ‘gehaald’ aanvinken. Tenminste als je de gemakkelijke definitie van deze regering hanteert. De horde waarover moest gesprongen worden, was het wegwerken van de loonhandicap sinds 1996. Het gemiddelde Vlaamse bedrijf dat blootgesteld wordt aan buitenlandse concurrentie daarentegen zal dat toch nog anders ervaren. Als dat zijn berekeningen maakt, zal het vaststellen dat zijn Belgische personeel gemiddeld nog altijd minstens 10% duurder is dan in de drie buurlanden.

De begripsverwarring zit in het ijkpunt van 1996. Ook in de jaren 90 (net zoals in de jaren 60, 70 en 80) had dit land een loonkostenprobleem. Om daar paal en perk aan te stellen bedacht toenmalig premier Jean-Luc Dehaene in 1996 ‘de wet ter bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen’. Die moest een verbetering zijn tegenover een reeks herstelwetten uit de jaren 80. De wet van 1996 voorzag dat de Belgische lonen niet langdurig sneller mochten stijgen dan het gemiddelde van de lonen in de drie buurlanden (Nederland, Duitsland en Frankrijk). Via de tweejaarlijkse onderhandelingen over het ‘IPA’ (Interprofessioneel Akkoord) werd de loonmarge bepaald. Dat deden de sociale partners aan de hand van berekeningen van de CRB (Centrale Raad voor het Bedrijfsleven) die de loonevolutie in de buurlanden en de inflatie in België moest inschatten. Vooral dat laatste werd stelselmatig onderschat, waardoor de lonen in België ondanks alles toch veel sneller stegen dan in de drie buurlanden.

“Er blijft nog een zeer grote handicap van tussen 10 en 12% die België al decennia meesleept.”

De dodelijke cocktail voor het Belgisch concurrentievermogen ontstond in 2007. Zowat alle grondstofprijzen gingen door het dak. België, dat als enige land een automatische loonindexering kent, zag de lonen door de oplopende grondstofprijzen pijlsnel toenemen. Toen in 2008 de grote recessie uitbrak, ging in alle landen de rem op de lonen. Behalve in België, waar door de inflatie en de indexering de lonen bleven stijgen. In tijden van recessie was dat voor de Belgische bedrijven een zware dobber. Getuige de snelle daling van de private tewerkstelling in die tijd. De loonhandicap tegenover 1996 liep in 2010 op tot 4,3%.

Proces versneld

Vanaf 2013 begon het tij te keren. Saudi-Arabië zette, om de Amerikaanse schaalolieboeren een hak te zetten, de oliekraan open, waardoor heel wat grondstofprijzen daalden. Hierdoor zakten de inflatie en het tempo van de indexeringen in België. Bovendien had het Duits bedrijfsleven de grote recessie goed doorstaan en was het opnieuw tijd voor loonstijgingen voor de naarstige Oosterburen. De regering-Michel versnelde dit proces door in 2014 een indexsprong door te voeren (waardoor de lonen 2% minder snel stegen dan in de buurlanden) en een taxshift, die zo’n 1%-punt van de loonhandicap aftopte. Hierdoor was volgens de CRB de jongste loonhandicap eind 2016 quasi (op 0,6% na) volledig weggewerkt.

Maar hiermee is de kous helemaal niet af. Er blijft nog een zeer grote handicap van tussen 10% en 12% die België al decennia meesleept. Want toen Dehaene zijn wet in 1996 indiende, werd geen rekening gehouden met de historische handicap. Die bestaat nu nog.

Het is belangrijk te weten waar dat cijfer vandaan komt. De absolute loonhandicap juist berekenen is niet zo gemakkelijk. De CRB berekent bijvoorbeeld enkel de evoluties van de lonen in de buurlanden (wat een eenvoudigere oefening is). Het probleem zit vooreerst in wat je met wat gaat vergelijken. Ga je het gemiddelde nemen van alle lonen in een land? Dat is niet zo relevant voor onze bedrijven. Het maakt voor een Vlaamse kmo niet zoveel uit dat een Oost-Duitse caissière in de Aldi van een grensdorp met Polen 40% minder verdient dan de caissière in de Aldi van Brasschaat. Het is vooral belangrijk de verschillen in kaart te brengen in sectoren die blootgesteld worden aan buitenlandse concurrentie.

Loonhandicap van 16,5%

De laatste grote oefening om de absolute handicap in kaart te brengen is die van de expertengroep ‘Concurrentievermogen en werkgelegenheid’ in 2013. De berekening werd gemaakt aan de hand van cijfers van 2010. In dat jaar bedroeg de gemiddelde loonkosthandicap van het (niet gewogen) gemiddelde en niet gecorrigeerd voor productiviteitsverschillen (wat tot discussie met de vakbonden leidde) van 21 sectoren 16,5%. Dat is het cijfer waarvan de werkgeversorganisaties nog altijd vertrekken om de absolute handicap te berekenen.

Die grote handicap blijft een probleem voor het bedrijfsleven. Een loonhandicap van 12% betekent dat een bedrijf voor wie de loonkost 40% van de verkoopkost bedraagt, zijn product in het buitenland meer dan 4% duurder moet verkopen. Wat in deze tijden van extreme prijsvergelijkingen dodelijk kan zijn om dat product verkocht te krijgen.

De grote boosdoener in het loonverschil is niet zozeer dat de nettolonen hoger liggen dan in de buurlanden, maar wel dat de lasten op arbeid veel hoger zijn. In België zit je bijzonder snel in de hoogste belastingschijf. In België betaal je al vanaf een bruto jaarloon van 38.000 euro 50%

Stijn Decock - Hoofdeconoom Voka - stijn.decock@voka.be -  0497 59 37 72

Contactpersoon

IMU - Altez 0110
VZW_IMU_GROUPS
IMU - Sport Vlaanderen
ING
SD  Worx