Skip to main content
  • Nieuws
  • Wat betekent het begrotingsakkoord voor jouw onderneming?

Wat betekent het begrotingsakkoord voor jouw onderneming?

  • 26/10/2022

We lijsten de voor bedrijven relevante maatregelen op met alle details, op basis van de informatie die we momenteel hebben. We blijven dit overzicht aanvullen naarmate de maatregelen nog verder worden ingevuld en uitgewerkt.

ENERGIE

Tijdelijke werkloosheid

Een bijkomend stelsel van tijdelijke werkloosheid ‘energie’, met bepaalde versoepelingen in vergelijking met de bestaande regelingen van tijdelijke werkloosheid wegens economische oorzaken, is ingevoerd tot eind 2022. 

Het bijkomend stelsel wordt verlengd tot het einde van het eerste kwartaal 2023

ARBEIDSMARKT

Studentenjobs worden financieel aantrekkelijker 

Voor een gewone job bedraagt de socialezekerheidsbijdrage voor een werknemer 13,07%. Tot 475 gewerkte uren betaalt een jobstudent enkel een solidariteitsbijdrage van 2,71% van het brutoloon aan sociale bijdragen

Het jaarlijkse quotum van 475 uur studentenarbeid wordt in 2023 en 2024 verhoogd tot 600 uur. In de loop van 2024 zal er een evaluatie plaatsvinden.

Uitbreiding flexi-jobs

Het systeem van belastingvrij klussen is vandaag beperkt tot de kleinhandel en de horeca. Het laat toe om goedkoop tijdelijke werkkrachten in te zetten.

Er komt een uitbreiding van de flexi-jobs vanaf 1/1/2023 naar enkele extra sectoren
•    Landbouwsector (paritair comité 144). 
•    Aanleg en onderhoud parken en tuinen (paritair comité 145, subsector 4)
•    Sport (paritair comité 223)
•    Cultuur (podiumkunsten, bioscoopzalen). Uitgesloten: artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende functies 
•    Evenementensector 
•    Zorgsector (beperkt tot ondersteunende functies; zorgberoepen zelf uitgesloten)

Inperking tijdskrediet

Alle vormen van tijdskrediet worden ingekort van 51 naar 48 maanden. De regering beperkt voor het voltijds tijdskrediet omwille van de zorg voor een kind de leeftijd van dat kind. Die werkonderbreking was voordien mogelijk tot het kind acht jaar werd. Dat wordt nu tot vijf jaar. Ook moet de aanvrager niet langer minimaal 24 maar 36 maanden bij zijn werkgever aan de slag zijn.

De periode voor tijdskrediet met andere motieven - zoals het bijstaan van gehandicapten of langdurig zieken of het volgen van een opleiding - wordt van 60 naar 51 maanden teruggebracht. Bij de aanvraag van halftijds tijdskrediet moet u voortaan voltijds aan het werk zijn. Voordien volstond een 3/4-tewerkstelling.

Dit gaat in vanaf januari 2023.

Afschaffing gedeeltelijke terugbetaling inschakelingsvergoeding

De werkgever in herstructurering die overgaat tot een collectief ontslag is een inschakelingsvergoeding verschuldigd aan de werknemers. Als die hoger is dan de normale opzegvergoeding kan de werkgever de meerkost verhalen op de RVA. 

Vanaf 1 januari 2023 komt er een afschaffing van de gedeeltelijke terugbetaling van de inschakelingsvergoeding door de RVA aan werkgevers. Dit was één van de enige compensaties langs werkgeverszijde voor toegenomen kosten Eenheidsstatuut.

De afschaffing van de terugbetaling verhoogt de kosten van herstructureringen. Betreurenswaardig.

Afschaffing alternatieve financiering Fonds Sluiting Ondernemingen (FSO)

Het Fonds Sluiting Ondernemingen (FSO) heeft als taak de werknemers te vergoeden die getroffen zijn door de sluiting van hun onderneming. Dit omvat o.m. een sluitingsvergoeding. Het verruimen van het toepassingsgebied van vermelde vergoeding tot bedrijven van 5 tot 19 werknemers werd gecompenseerd door alternatieve financiering. 

Met ingang van 1 januari 2023 komt er een afschaffing van de alternatieve financiering voor het FSO van de sluitingsvergoedingen voor KMO's 5-19 werknemers. Deze besparing maakt onderdeel uit van de besparing op de RVA in 2023, zoals overeen gekomen bij opmaak van het regeerakkoord. 

De afschaffing van de alternatieve financiering voor het Fonds voor Sluiting Ondernemingen impacteert de inkomsten van het Fonds wat dan moet worden opgevangen met een verhoging van de werkgeversbijdragen voor 2023. Dit betekent meerkost voor de bedrijven. 

FISCALITEIT

Tijdelijke loonlastenverlaging/uitstel van betaling in 2023

Om de gestegen loonkosten te temperen voorziet de regering volgende maatregelen voor alle ondernemingen in de profit- en de non-profit sectoren en voor de autonome overheidsbedrijven, ongeacht de indexering: 

•    In 1e en 2e kwartaal 2023: tijdelijke korting op de verschuldigde 'netto globale werkgeversbijdragen' met 7,07%. De netto globale werkgeversbijdrage betreft de patronale basisbijdragen verschuldigd voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de loonmatigingsbijdrage, verminderd met de structurele vermindering en de RSZ-doelgroepverminderingen. Dit moeten ondernemingen niet op een later moment terugbetalen. Het betreft dus een eenmalige vrijstelling. 

•    In 3e en 4e kwartaal 2023tijdelijk uitstel van betaling 7,07% van de verschuldigde 'netto globale werkgeversbijdragen'.  Dit moeten ondernemingen wel terugbetalen in 4 gelijke schijven in de loop van 2025. Een betalingsuitstel dus.

De maatregel is niet van toepassing voor ondernemingen die:

•    rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap gevestigd in een staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307 par 1 WIB of in artikel 179 KB/WIB
•    betalingen hebben gedaan aan vennootschappen gevestigd in een staat die is opgenomen op één van deze lijsten. Tenzij de betaling in de loop van het belastbaar tijdperk minder dan 100.000 euro bedragen of kan worden aangetoond dat deze betalingen worden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen ten gevolge van rechtmatige financiële of economische behoeften;

Tijdelijke uitbreiding minimale belastbare basis in vennootschapsbelasting

Ons land streeft er naar om in 2024 tot een minimumbelasting te komen voor grote ondernemingen. Daartoe moet een Europese richtlijn worden goedgekeurd die momenteel wordt geblokkeerd door Hongarije. De regering had de beoogde ontvangst (300 miljoen) echter bij de regeringsvorming al voorzien voor 2023. Ze moest daarom op zoek naar een tijdelijk alternatief in 2023

Bij de hervorming van de vennootschapsbelasting (2017) werd de aanwending van vorige verliezen, overgedragen DBI-aftrek, overgedragen innovatieaftrek, overgedragen notionele interestaftrek en de hervormde notionele interestaftrek (de zogenaamde 'korf') jaarlijks beperkt. Zo kon men de daling van het tarief van de vennootschapsbelasting financieren. De facto werd op deze manier een minimale belastbare grondslag gecreëerd.

Meer bepaald worden voor de belastbare basis die de 1 miljoen overtreft deze aftrekken sindsdien beperkt tot 70%, Zo blijft 30% van de belastbare basis boven 1 miljoen belastbaar. Vandaag kan een onderneming dus bijvoorbeeld slechts 70% van de winst boven 1 miljoen verrekenen met in het verleden gerealiseerde verliezen.

Er komt een tijdelijke aanpassing van deze regeling voor het aanslagjaar 2024 dat verbonden is aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1/1/2023.

In aanslagjaar 2024 worden voor de belastbare basis die 1 miljoen overtreft deze aftrekken beperkt tot 40%. Zo blijft niet 30%, maar 60% van de belastbare basis boven 1 miljoen belastbaar. Deze niet-aangewende aftrekken kunnen een volgend jaar wel worden aangewend. Deze maatregel is in principe eenmalig, maar neemt formeel slechts een einde op het moment dat het pijler2-akkoord in werking treedt in Belgisch recht. In principe is dat laatste voorzien in 2024.

Elke wijziging die vanaf 11 oktober 2022 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, heeft geen uitwerking voor deze tijdelijke aanpassing van de korf.

Afschaffing notionele interestaftrek

De notionele interestaftrek in de vennootschapsbelasting beoogt de fiscale discriminatie tussen financiering via eigen vermogen (vergoeding op eigen vermogen niet aftrekbaar) en via vreemd vermogen (interest aftrekbaar) te verminderen. Het is een maatregel die financiering via eigen vermogen bevordert. 

Daartoe kunnen ondernemingen een 'fictieve rente' toepassen op de aangroei van hun eigen vermogen. Dit bedrag wordt dan afgetrokken van de belastbare winst. 

Het systeem werd al beperkt door de vorige regering in het kader van de hervorming vennootschapsbelasting in ruil voor een aanzienlijke tariefverlaging. De facto enkel nog beperkt van toepassing voor kleine ondernemingen en enkel berekend op de aangroei van het eigen vermogen, niet langer op het totale eigen vermogen.

Boekjaren na 30 december 2022 geven geen aanleiding meer tot het ontstaan van de aftrek voor risicokapitaal (notionele interestaftrek). Ondernemingen kunnen wel nog overgedragen notionele interestaftrek verrekenen. Iedere wijziging die vanaf 11 oktober 2022 wordt aangebracht aan de afsluitdatum van het boekjaar wordt geacht niet te hebben plaats gevonden voor de toepassing van deze afschaffing. 

Beperking aftrek bankentaks, taks op verzekeringsondernemingen en taks op ICB's

België kent al aanzienlijke bankentaksen. In 2021 bedraagt het totaal aan bankentaksen 3,2 miljard. Naast de klassieke taksen en heffingen (vennootschapsbelasting, sociale bijdragen,….) betaalt de financiële sector nog enkele specifieke heffingen. De jaarlijkse taks op de kredietinstellingen (JTK), de DGS-bijdrage, de bijdrage aan het resolutiefonds: goed voor 1,5 miljard in 2021.

Er komt nu een bijkomende 'solidariteitsbijdrage' op de financiële sector. Dit neemt de vorm aan van een gedeeltelijke afschaffing van de fiscale aftrekbaarheid in de vennootschapsbelasting van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, de jaarlijkse taks op collectieve beleggingsinstellingen en de jaarlijkse taks op de verzekeringsondernemingen.

Meer bepaald worden deze taksen voor 80 % toegevoegd aan de verworpen uitgaven in de vennootschapsbelasting. Deze taksen zijn dus slechts meer voor 20% aftrekbaar in de vennootschapsbelasting. De aangepaste regeling geldt voor de taksen verschuldigd vanaf 1 januari 2023 

Indexering vennootschapsbijdrage

Deze jaarlijkse vaste bijdrage te betalen door alle vennootschappen werd ingevoerd in 1992, initieel als eenmalige maatregel. Deze maatregel is echter behouden gebleven (zoals wel meer met eenmalige maatregelen). Ze werd voor het laatst geïndexeerd in 2003. 

Kleine ondernemingen betalen nu 347,50 euro en grote ondernemingen 868 euro

Voor de toepassing van deze regeling is men al ‘grote onderneming’ vanaf een balanstotaal van meer dan 706.579,60 euro. (cijfers 2021)

Overwinstbelasting elektriciteitsproducenten

Een recente Europese verordening over de overwinsten in de elektriciteitssector legt de klemtoon op noodzaak aan level playing field tussen verschillende lidstaten. De EU stelt plafond van 180 euro per MMh voor, waarboven belast zou worden. Deze Europese verordening is van kracht tussen 1 december 2022 en 30 juni 2023. De overwinsten worden al afgeroomd via de repartitiebijdrage (1,1 miljard voor 2022, inkomsten 2023)

Voor de periode 1/1/2022-30/11/2022: wegens de hoge energieprijzen voert de regering retroactief een bijkomende overwinstbelasting in, bovenop de Europese verplichting. Die zal opgenomen worden in de programmawet en beoogt een bijkomende opbrengst van 171,8 miljoen in 2022. 

Voor de periode december 2022-juni 2023: afwijkend van het EU-plafond (180 euro per MMh) voert de federale regering een inkomensplafond in van 130 euro per MWh voor de stroomproducenten die hun energie niet met gas opwekken (inframarginale technologieën). Alle contractprijzen daarboven worden afgeroomd.

Voor inframarginale technologieën die van LCOE-steun genieten wordt het plafond bepaalt op de LCOE plus 50 euro/MWh (indien de LCOE + 50 euro/MWh > 130 euro/MWh). LCOE is een maatstaf om energiesubsidies te berekenen op basis van de netto productiekosten.

Eind april volgt evaluatie met oog op onmiddellijke verlenging indien EU dat zo voorziet.
 

imu - vzw - Recupel
IMU - vzw - Mediafin TTL