Skip to main content
  • Home
  • Nieuws
  • Van Vlaamse ruit naar Vlaamse ruggengraat
Beleidsplan Ruimte Vlaanderen
  • 13/06/2018

Van Vlaamse ruit naar Vlaamse ruggengraat

Minister Joke Schauvliege reageerde in een commissievergadering van het Vlaams Parlement op de bezorgdheden van Voka over het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Zo vreest Voka voor de groeikansen van de regio’s gelegen buiten de Vlaamse Ruit. Die bezorgdheid werd gevoed door een studie van het VITO die als basis zou dienen om het groeipotentieel van een gebied te beoordelen en die nogal sterk de focus legt op de ligging van collectief vervoer. Rekening houdend met het gebrek aan een spoornetwerk in West-Vlaanderen en Limburg vrezen deze regio’s naast de boot te vallen.

  • BRV moet ruimtelijke ruggBeleidsplan Ruimte Vlaanderenengraat benadrukken: vertrekkende van onze steden in Vlaanderen en van de internationale en dus grensoverschrijdende verbindingen.
  • Omzendbrief ‘Bebouwd en onbebouwd gebied’ blijft wel op de maag liggen.
  • Dat onderscheid is ‘nieuw’ en hoort niet thuis in een omzendbrief.

Het antwoord van minister Schauvliege op de bezorgdheid van Voka was enigszins geruststellend. Zo benadrukte ze dat het Witboek BRV juist komaf wil maken met het concept van de Vlaamse Ruit en spreekt het daarentegen van een ruimtelijke ruggengraat vertrekkende van onze steden in Vlaanderen en van de internationale en dus grensoverschrijdende verbindingen. Steden als Brugge, Kortrijk, Hasselt en Genk komen hierdoor veel duidelijker naar voren als onderdeel van een internationaal verknoopte ruimtelijke ruggengraat.

Tegelijkertijd benadrukte de minister wel dat overal in Vlaanderen de doelstelling blijft om open ruimte maximaal te vrijwaren. Tussen de regels door lees je dat het toekomstige BRV vooral het groeipotentieel van een resem landelijke gemeenten streng wil beoordelen aan de hand van hun knooppuntwaarde: de ligging van collectief vervoer, de spoor-, bus- en tramhaltes, en op de nabijheid van het voorzieningenaanbod. Positief gegeven is dat de genoemde VITO-studie maar een momentopname is en nog herbekeken zal worden waarbij andere factoren zoals de voorziene realisaties van missing links (in openbaar vervoer) of de rioleringsgraad toegevoegd zullen worden.

“Bedrijventerreinen die slecht gelegen zijn, moeten worden geschrapt en elders worden gecompenseerd.”

Er moet opgemerkt worden dat de VITO-oefening dient om de knooppuntwaarde in te schatten voor woningen en verweefbare bedrijvigheid maar niet voor bedrijventerreinen waarop hinderlijke activiteiten worden uitgevoerd. Zo kan een afrit van een autosnelweg misschien slecht scoren inzake knooppuntwaarde voor woningbouw, maar mogelijks wel uitstekend voor de realisatie van een nieuw bedrijventerrein bestemd voor niet verweefbare industrie. Dat is dus industrie die omwille van hinderaspecten zich niet leent om te verweven met andere functies zoals wonen. Voka ijvert al langer dat voor deze categorie van bedrijvigheid ook in het toekomstige BRV blijvend een minimumreserve aan ruimte wordt voorbehouden waarvan de grootte afhankelijk wordt gesteld van ruimte behoeftestudies.

Omzendbrief ‘Bebouwd en onbebouwd gebied’

Het voorgaande toont aan dat ruimte voor huisvesting een ander toetsingskader nodig heeft dan ruimte voor ondernemen. In die zin blijft de omzendbrief ‘Een gedifferentieerd ruimtelijk transformatiebeleid in de bebouwde en de onbebouwde gebieden’ van 4 van juli 2017 op de maag liggen. Die nota verdeelt Vlaanderen in bebouwd en onbebouwd gebied en koppelt specifieke maatregelen en voorwaarden aan deze indeling. Een voor interpretatie vatbare definitie bepaalt wat bebouwd gebied is, en alles wat hier niet onder valt is onbebouwd gebied. Op basis van de categorie waarin de vergunningverlener een project onderbrengt, zal de vergunningsaanvraag worden beoordeeld. Nieuwe ontwikkelingen voor bijkomende woon- of werkfuncties in de onbebouwde gebieden zijn volgens de omzendbrief enkel mogelijk op grond van een grondige onderbouwde behoefte- en voorzieningenstudie waarbij wordt aangetoond dat aan de behoefte niet kan worden voldaan door ontwikkelingen binnen de bebouwde gebieden in de omgeving. Dat gaat ver. De vraag blijft daarom of deze omzendbrief haar boekje niet te buiten is gegaan vermits een omzendbrief enkel een interpretatie mag geven aan bestaande regelgeving maar geen nieuwe regels mag opleggen. Het onderscheid tussen bebouwd en onbebouwd gebied is alvast nieuw alsook de vraag naar een behoeften- en voorzieningenstudie.

Bovendien wil de nabijheid van onbenutte bedrijventerrein in de omgeving lang niet zeggen dat deze ook effectief gebruikt kunnen worden. Vlaanderen bezit immers een aanzienlijke hoeveelheid hectaren onbenutte, maar ook ongeschikte bedrijventerreinen. Daarom ijvert Voka ervoor dat terreinen die slecht gelegen zijn, worden geschrapt en elders worden gecompenseerd. Zo hoeft het netto ruimtebeslag in Vlaanderen voor industrie niet meteen uit te breiden en kan er op de juiste locaties ontwikkeld worden.

Steven Betz - Adviseur Milieu en Ruimtelijke ordening - steven.betz@voka.be - 0475 85 03 16

Contactpersoon

Steven Betz

Senior adviseur milieu & ruimtelijke ordening

ING
SD  Worx