Skip to main content
  • Nieuws
  • Stikstofproblematiek: wat is de stand van zaken voor ondernemingen?

Stikstofproblematiek: wat is de stand van zaken voor ondernemingen?

  • 03/05/2021

De impasse in het stikstofdossier is doorbroken. Vlaams minister voor Omgeving Zuhal Demir geeft haar administratie via een Ministeriële Instructie duidelijke richtlijnen over hoe de komende maanden om te gaan met vergunningsaanvragen. Maar wat houdt dit dossier precies in, en in het bijzonder voor ondernemingen?

Wat is het probleem?

Om wilde planten en dieren te beschermen verplicht Europa elke lidstaat om op zijn grondgebied zones aan te duiden waarop Europese natuurdoelen moeten worden gehaald. In Vlaanderen zijn er zo 62 speciale beschermingszones (SBZ) afgebakend die ongeveer 12% van het Vlaamse grondgebied in beslag nemen. 

Belangrijk om te weten is dat de Habitatrichtlijn de lidstaten een resultaatsverbintenis oplegt tot het nemen van de passende maatregelen met twee doelen. Ten eerste om ervoor te zorgen dat de toestand van deze beschermde planten en dieren niet verslechtert. En dat op termijn hun toestand evolueert naar een gunstige staat van instandhouding. 

En het probleem is dat onze natuur het niet altijd even goed doet. Tachtig procent van onze Natura 2000-gebieden kreunt immers onder te veel stikstof. Stikstof is namelijk tot op een zeker hoogte goed voor onze natuur maar te veel stikstof leidt tot verzuring of vermesting waardoor heidevelden gaan vergrassen, bossen verschralen, enz.

Op welke manier zijn bedrijven betrokken?

Met de stikstofproblematiek wordt vooral milieuvervuiling bedoeld van twee componenten, met name ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx). NOx ontstaat bij alle vormen van verbranding zodat logischerwijs verkeer en in mindere mate industrie hiertoe een belangrijke bijdrage leveren. Voor de uitstoot van ammoniak is de landbouwsector (veehouderijen) bijna volledig verantwoordelijk. 

Maar… de uitstoot van ammoniak en NOx hebben niet dezelfde impact op de natuur. NOx afkomstig van industriële bronnen wordt doorgaans verspreid via hogere schouwen en tegen hoge temperaturen waardoor de uiteindelijke neerslag veel diffuser gebeurt.

Bij ammoniak is dat anders omdat het onder meer een andere concentratiedichtheid heeft waardoor het sneller neerdaalt dan NOx en de impact van ammoniak op de bodem ook sterker is. Voor de ammoniakuitstoot in Vlaanderen is landbouw met 95% nagenoeg volledig verantwoordelijk.

Van de stikstofneerslag van Vlaamse bronnen is 78% afkomstig van de landbouw, 15% van verkeer en maar 4% van de industrie.

Welke maatregelen zijn al genomen?

Om de stikstofuitstoot onder controle te houden, werkte Vlaanderen al enkele jaren met zogenaamde significantiedrempels voor ammoniak en NOx. Als de vergunning voor bijvoorbeeld een stal, voor weginfrastructuur of voor een fabriek werd aangevraagd, werd via een depositiescan berekend wat de impact van het project is op de nabijgelegen beschermde natuur. Droeg het project minder dan 5% van het maximum dat kwetsbare habitats in de buurt kunnen verdragen, dan kon men zonder uitgebreide natuurtoets de vergunning bekomen. 

Eind februari 2021 haalden echter enkele milieuorganisaties hun slag thuis. Zij hadden met succes de vergunningsaanvraag aangevochten van een pluimveestal in Kortessem. De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde dat het louter verwijzen naar de drempelwaarden van het PAS-significantiekader niet volstond om een project uit te sluiten van een individuele beoordeling van de betekenisvolle effecten op de nabijgelegen natuur.

Ze oordeelde ook dat iedereen, zodra er redenen zijn om te vermoeden dat een project een betekenisvolle aantasting met zich meebrengt van de natuurlijke kenmerken van het nabijgelegen natuurgebied, een uitgebreid onderzoek moet doen naar de impact. 

Waarom was een nieuw initiatief nodig?

Sinds dat arrest van 25 februari 2021 heerste er daarom veel onduidelijkheid. Studiebureaus wisten niet meer hoe ze een dossier met een stikstofuitstoot correct moesten indienen. De bevoegde adviesinstanties begonnen ook zeer terughoudend te adviseren bij gebrek aan instructies en investeringen werden allemaal on hold gezet. We stevenden dus af naar een de facto vergunningsstop

Al enige tijd voor het stikstofarrest van 25 februari 2021 was de beweging ingezet om tot een definitieve-programmatische aanpak stikstof te komen (D-PAS). Reeds in 2018 werd hier voor een milieueffectenonderzoek gestart (plan-MER) en begin dit jaar werd nog een expertenpanel van academici aangesteld die de minister zullen adviseren hoe de bevingen van het onderzoek kunnen worden omgezet in maatregelen. Er gingen dan ook stemmen op om te wachten op deze D-PAS en in tussentijd wat blijven aan te modderen.

Maar nog maanden wachten op een definitieve regeling en in tussentijd leven in onduidelijkheid was geen optie en Voka is opgelucht dat minister Demir haar verantwoordelijkheid heeft opgenomen om sneller rechtszekerheid te bieden en zo een vergunningsstop te vermijden.

Via een Ministeriële Instructie aan verschillende adviesinstanties heeft zij op 2 mei 2021 duidelijk richtlijnen meegeven hoe moet worden omgesprongen met vergunningsdossier met een stikstofuitstoot. Deze richtlijnen zijn onmiddellijke van toepassing in alle lopende vergunningsaanvragen waarin nog geen definitieve beslissing genomen werd

Wat staat er in de nieuwe Ministeriële Instructie?

In deze Ministeriële Instructie wordt vastgesteld dat de neerslag van NOx de voorbije jaren voortdurend is gedaald, o.a. door het goedgekeurde Luchtbeleidsplan 2030 en door technologische en maatschappelijke evoluties (o.a. de elektrificatie van het wagenpark, hogere normen voor verbrandingsemissies bij wagens, proces- en productinnovatie, implementatie van Europese BBT voor de industrie, strengere energieprestatienormen). Voor ammoniak zijn we de laatste jaren jammer genoeg niet in geslaagd een zelfde dalende trend in te zetten.

Juist omwille van deze dalende trend, en de vooruitzichten van verdere reducties in uitvoering van het luchtbeleidsplan, verantwoorden dat in afwachting van een definitief PAS-kader voor industriële processen een nieuw significantiekader werd voorzien. De voortoetsdrempel gaat van 5% naar 1% van de kritische depositiewaarde van gevoeligste habitattype in de omgeving.

Het is niet zo dat er voor projecten die boven deze drempel uitkomen automatisch een probleem is (en dat dus geconcludeerd moet worden dat zij een significant effect hebben op de nabijgelegen natuur). Neen, het resultaat zal zijn dat zij een passende beoordeling moeten uitvoeren om hun effecten nauwgezet in kaart te brengen.

Belangrijk is ook dat de Instructie bevestigt, net zoals het vorige significantiekader voorschreef, dat eventuele maatregelen steeds getoetst moeten worden aan de kosteneffectiviteit. Enkel wanneer de bijdrage van het project de drempel van 5% van de kritische depositiewaarde van gevoeligste habitattype in de omgeving zou overschrijden, komen potentieel maatregelen in beeld die verder gaan dan de zogenaamde best beschikbare technieken (waar steeds kosten en baten tegenover elkaar worden afgewogen).

De vaststelling dat de vorige significantiedrempels wel voor de nodige reducties hebben gezorgd bij NOx, maar niet voor ammoniak, en de wetenschap dat er extra maatregelen nodig zijn om het stikstofprobleem het hoofd te bieden, wordt voor veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties geen voortoetsdrempel ingevoerd zodat nieuwe activiteiten of uitbreidingen binnen deze sector steeds onderworpen moeten worden aan een passende beoordeling.

Wat zijn de volgende stappen?

De rechtsonzekerheid die de afgelopen weken heerste, is nu tijdelijk van de baan. Voka benadrukt dat een definitieve oplossing tegen het einde van dit jaar echt noodzakelijk blijft. Ondernemingen hebben rechtszekerheid nodig op een zo lang mogelijke termijn.

Zonder rechtszekerheid komen investeringsplannen op de helling te staan. In deze tijden van economische relance moeten we er alles aan doen om investeringen aan te trekken en te laten doorgaan. Daarom is ook een definitief stikstofplan nodig.

En gelet op de geleverde inspanningen en de effecten op natuur, heeft Voka er alle vertrouwen in dat industriële processen ook in deze definitieve programmatisch aanpak rationeel zullen worden benaderd. Industriële activiteiten worden immers vandaag al bijzonder streng gereglementeerd en gemonitord wat ook tot belangrijke emissiereducties heeft geleid.

Onze bedrijven zijn actief op een internationale markt waardoor we hun concurrentiekracht niet willen hypothekeren met enkele “symbolische” maatregelen die onze industrie zwaar financieel zou treffen, jobs in gevaar zouden brengen en de vestigingspolitiek van de getroffen bedrijven zou beïnvloeden en dat terwijl de winsten voor onze natuur miniem zouden zijn en elders ingrepen veel meer effect hebben aan een veel lagere kostprijs.


 

Contactpersoon

Steven Betz

Senior adviseur milieu & ruimtelijke ordening

VZW_IMU_GROUPS
IMU - Altez 0110
IMU - Sport Vlaanderen
ING
SD  Worx