Skip to main content
  • Home
  • Nieuws
  • Sociale verkiezingen 2020: wat verandert er nu?
Sociale verkiezingen
  • 05/04/2019

Sociale verkiezingen 2020: wat verandert er nu?

In een vorig artikel “Sociale verkiezingen, wat telt er voor u?” gingen we al in op enkele cruciale data en belangrijke begrippen. We kondigden ook aan dat er ons mogelijks enkele wijzigingen te wachten stonden. De commissie sociale zaken keurde het wetsvoorstel met betrekking tot de sociale verkiezingen, goed. We zetten de belangrijkste wijzigingen voor u op een rijtje.

Oprichtingsdrempels en referteperiode

De oprichtingsdrempels voor de oprichting van een Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk (CPBW) en een Ondernemingsraad (OR) blijven dezelfde. Concreet wil dat dus zeggen dat ondernemingen met een gewoonlijke gemiddelde tewerkstelling van 50 werknemers sociale verkiezingen moeten organiseren om een CPBW op te richten. Ondernemingen met een gewoonlijke gemiddelde tewerkstelling met een minimum van 100 werknemers moeten die verkiezingen organiseren om een OR op te richten.

Tot de vorige sociale verkiezingen was het kalenderjaar voorafgaand aan de sociale verkiezingen de referteperiode. Dus dat wil zeggen dat de referteperiode, voor de sociale verkiezingen van 2016 het kalenderjaar 2015 was.

Het wetsvoorstel vervroegt de referteperiode met een kwartaal. Dat betekent dat de referteperiode voor de sociale verkiezingen van 2020 op 1 oktober 2018 van start is gegaan en op 30 september 2019 zal eindigen.

Uitzendkrachten tellen mee

Om de minimumtewerkstelling te bereiken, tellen uitzendkrachten ook mee. Tot de vorige sociale verkiezingen moest de onderneming voor de telling van de uitzendkrachten enkel rekening houden met het laatste kwartaal van de referteperiode. Dus voor de sociale verkiezingen van 2016 was dat het laatste kwartaal van 2015.

Het goedgekeurde wetsvoorstel bepaalt dat er hier een verschuiving van twee kwartalen plaatsvindt. Wanneer men dezelfde gedachtegang zou doortrekken bij uitzendkrachten als bij vaste werknemers zou dat betekenen dat ondernemingen de uitzendkrachten moeten meetellen in het derde kwartaal van het refertejaar. In die periode zijn er veel meer uitzendkrachten tewerkgesteld in de ondernemingen. Daarom viel de beslissing om de referteperiode met betrekking tot de uitzendkrachten nog met een kwartaal te verschuiven. Ondernemingen moeten dus het tweede kwartaal van 2019 in rekening brengen. Voor de sociale verkiezingen van 2020 betekent dat de berekening start op 1 april 2019 en eindigt op 30 juni 2019.

Verder moeten die ondernemingen uitzendkrachten tijdens het tweede kwartaal van 2019 inschrijven in een bijzonder register voor uitzendkrachten. Het wetsvoorstel voorziet nu een mogelijke vrijstelling voor ondernemingen met meer dan 100 werknemers. Hiervoor is er wel een unaniem akkoord nodig van de OR. Is er geen akkoord, dan blijft de huidige regeling gelden.

Uitzendkrachten stemmen nu ook mee

De meest ingrijpende beslissing is het stemrecht van de uitzendkrachten dat ze krijgen bij een of meerdere gebruikers. Wanneer ze effectief willen stemmen, moeten ze aan twee cumulatieve voorwaarden beantwoorden.

Ten eerste moeten ze in een referteperiode minimum drie ononderbroken maanden werken in de juridische entiteit van de gebruiker of in de technische bedrijfseenheid, gevormd door meerdere juridische entiteiten van de gebruiker. Zijn er onderbroken tewerkstellingsperiodes dan gelden er minstens 65 werkdagen. Die referteperiode begint de eerste dag van de zesde kalendermaand voor dag X en eindigt op dag Y.

Ten tweede moet de uitzendkracht in de periode tussen dag X en Y-13, minstens 26 werkdagen tewerkgesteld zijn in een juridische entiteit van de gebruiker of in de technische bedrijfseenheid, gevormd door meerdere juridische entiteiten van de gebruiker.

Ter verduidelijking, er gelden tijdens de procedure van de sociale verkiezingen twee scharnierdata.

  1. Dag X, de dag van het bericht dat de datum van de verkiezingen aankondigt.
  2. Dag Y, de eigenlijke verkiezingsdag. Dat wil dus zeggen, verwijzend naar de referteperiode bij punt 1 bij de cumulatieve voorwaarden, dat de eerste referteperiode al begint te lopen op 1 augustus 2019.

Voldoet een uitzendkracht niet aan de kiesvoorwaarden en wilt de gebruiker de uitzendkracht schrappen, dan kan dat alleen met een akkoord van de OR of het CPBW. Wanneer er geen akkoord is, kunnen uitzendkrachten ook stemmen in een onderneming die ze al lang hebben verlaten.

E-voting

Als de OR en het CPBW (of bij afwezigheid, de werkgever in akkoord met de vakbondsafgevaardigden) akkoord gaan, kunnen de stemgerechtigden hun stem elektronisch uitbrengen. De wet liet dat al langer toe, maar strikt juridisch gezien, was de samenstelling van een volledig stembureau vereist. Nu kan dat vanuit de onderneming of vanop een device die verbonden is met het datzelfde netwerk.

Hierbij duiden we op het belang dat werkgevers met hun werknemers afspraken maken. Dat is om de geheimhouding van de stemming te verzekeren en beïnvloeding uit de weg te gaan.

Berekeningstool

Tot slot willen we nogmaals benadrukken dat de registratie van de gewoonlijke gemiddelde tewerkstelling en van de uitzendkrachten gedurende de referteperiodes heel belangrijk is. Aan die berekening hangen enkele regels vast. Voka West-Vlaanderen ontwikkelde hiervoor een gebruiksvriendelijke berekeningstool die u hierbij kan helpen.

Het wetsvoorstel moet wel nog in de plenaire vergadering van het parlement worden goedgekeurd. Hierdoor kunnen er nog enkele wijzigingen optreden.

Heeft u vragen over de sociale verkiezingen in uw onderneming? U kan Caroline Van de Gehuchte contacteren op het telefoonnummer 056 23 50 68 of mailen via caroline.vandegehuchte@voka.be.

Contactpersoon

Caroline Van de Gehuchte

Manager HR& Talent - Kennis&Advies/Menselijk kapitaal

Hulp nodig?

Vraag het @ Voka

Een prangende vraag? Wij antwoorden binnen de 2 werkdagen!

Vraag het @ Voka
DHL
ING
Logo Mensura
Proximus
SD Worx