Skip to main content
  • Home
  • Nieuws
  • Schaf de ‘industrietaks’ op de waarde van het machinepark af
Machinepark van industrieel bedrijf
  • 27/02/2019

Schaf de ‘industrietaks’ op de waarde van het machinepark af

Voka vraagt de volgende Vlaamse regering de onroerende voorheffing op materieel en outillage af te schaffen vanaf 2020, zoals in het Brussels Gewest. Sommige industriële bedrijven worden immers nog steeds belast op de waarde van hun machinepark. Deze vermogensbelasting voor ondernemingen is contraproductief, discriminerend en administratief complex. 

  • Sommige bedrijven worden jaarlijks nog steeds belast op de waarde van hun materieel en outillage, zeg maar hun machinepark.
  • Voka ijvert voor de afbouw van deze ‘industrietaks’, want nieuw materieel is doorgaans milieuvriendelijker en efficiënter.
  • De volgende Vlaamse regering zal zich over dit dossier moeten buigen en best deze onroerende voorheffing afschaffen.

MachineparkVooral industriële ondernemingen in Vlaanderen zijn al lang onderworpen aan enkele vermogensbelastingen. Zo worden sommige jaarlijks nog steeds belast op de waarde van hun materieel en outillage; zeg maar op de waarde van hun machinepark. Voka ijvert al lang voor een afbouw van deze industrietaks. De focus lag daarbij op een lastenverlaging voor investerende ondernemingen. Nieuw materieel en outillage is immers doorgaans zuiniger en milieuvriendelijker. Moderne bedrijfsuitrusting draagt bovendien ook bij tot efficiëntere productieprocessen en verhoogt zo de concurrentiepositie en inbedding van de ondernemingen in Vlaanderen. 

Bovendien betalen bedrijven deze belasting zowel in goede als in minder goede tijden. Dat komt onfair over. Daarnaast zijn quasi alle beleidsniveaus betrokken. De federale overheid bepaalt de belastbare waarde van het machinepark op basis van een formule afgeleid van de aanschaffingswaarde. De Vlaamse overheid is bevoegd om het tarief en de vrijstellingen te bepalen. En de provincies en gemeenten passen daar opcentiemen op toe. Dat samenspel maakt de afwikkeling en de ‘politieke economie’ van de belasting vaak complex.

De Vlaamse regering heeft de voorbije twee decennia gehoor gegeven aan de vraag van Voka om deze industrietaks af te bouwen. Zo betalen ondernemingen sinds 1998 geen onroerende voorheffing (OV) meer op hun uitbreidingsinvesteringen in nieuw materieel en outillage. In 2008 en 2014 werd de fiscale ondersteuning van nieuwe investeringen in materieel en outillage verder versterkt via een versnelde afbouwregeling. Een investering levert zo vanaf 2014 een dubbel fiscaal voordeel op. Het KI van de nieuwe machines blijft vrijgesteld op basis van de bestaande vrijstelling. Daarbovenop wordt dat vrijgestelde KI in mindering gebracht van het KI van het bestaande belastbare machinepark. Deze vrijstelling gold initieel slechts voor investeringen in de periode 2014-2016. De huidige Vlaamse regering heeft de maatregel verlengd voor investeringen tussen 2017 en 2019. 

“Voka hoopt dat ook de volgende Vlaamse regering blijft ijveren voor een rechtszeker en aantrekkelijk investeringsklimaat.”

De volgende Vlaamse regering zal zich dus opnieuw over dit dossier moeten buigen. Ze heeft daarbij drie opties: de versnelde afbouwregeling stoppen, ze opnieuw verlengen of de onroerende voorheffing op materieel en outillage in Vlaanderen definitief afschaffen. De voorkeur van Voka gaat vandaag uit naar de derde optie. 

De eerste optie – het niet verlengen van de afbouwregeling – is onaanvaardbaar. Een stabiel fiscaal kader is immers onontbeerlijk voor een goed investeringsklimaat. Daar komt bij dat zonder verlenging van deze maatregel de concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen onderling blijvend verstoord geraken: ondernemingen die de voorbije jaren fors investeerden betalen – uiteraard – ook de volgende jaren minder of geen onroerende voorheffing op materieel en outillage. Ondernemingen die daarentegen de voorbije jaren (nog) niet fors investeerden – bijvoorbeeld omdat de investeringsprojecten nog niet alle noodzakelijke goedkeuringen kregen – zouden in dat scenario ook in de volgende jaren relatief veel OV materieel en outillage blijven betalen. Zonder verlenging blijft ook een aanzienlijke discriminatie tussen ondernemingen bestaan. Immers, ondernemingen die investeren op een ‘brownfield’ – in casu op een kadastraal perceel waar voor 1 januari 1998 materieel en outillage was – betalen daar in vele gevallen nog onroerende voorheffing op. Ondernemingen die dezelfde activiteit uitvoeren op een ‘greenfield’ – in casu een kadastraal perceel zonder materieel en outillage op 1 januari 1998 – betalen geen OV materieel en outillage.  

De tweede optie – een (tijdelijke) verlenging van de versnelde afbouwregeling – is dus onontbeerlijk. Temeer omdat het steeds de bedoeling was deze resultaatsonafhankelijke vermogensbelasting te laten uitdoven. De verlenging van deze maatregel moet dan wel gepaard gaan met de ‘oplossing’ voor twee hardnekkige administratieve anomalieën die haaks staan op de bedrijfseconomische logica. Zo zou de verrekening van investeringen mogelijk moeten worden tussen kadastrale percelen die behoren tot dezelfde bedrijfssite. Vandaag kan dat niet. Bovendien zou een nieuwe machine die op de eerste locatie vrijgesteld is van onroerende voorheffing dat ook moeten blijven bij verplaatsing naar een tweede locatie.  
Te overwegen valt echter om ook in het Vlaams Gewest vanaf 2020 een nultarief voor de onroerende voorheffing materieel en outillage in te voeren. Een maatregel die het Brussels Gewest al nam in 2017. Op die manier zou de Vlaamse regering onmiddellijk komaf maken met de bestaande discriminatie tussen ondernemingen actief op een ‘brownfield’ en op een ‘greenfield’. De onontbeerlijke administratieve verrekeningen – die in het verleden wegens afstemmingsproblemen tussen verschillende administraties niet tot stand kwamen – zijn dan ook niet meer vereist. Bovendien lijkt het budgettair haalbaar voor de Vlaamse overheid om de gederfde opbrengst – ongeveer 100 miljoen euro in 2019 – vanaf 2020 via een dotatie toe te kennen aan de lokale besturen. De lokale besturen zouden dan ter compensatie wel een Fiscaal Pact met de Vlaamse overheid moeten afsluiten. Daarin zouden ze er zich toe moeten verbinden deze legislatuur geen bedrijfsbelastingen te verhogen of in te voeren. Iets waar het Agentschap Binnenlands Bestuur strikt op zou moeten toezien. 

Voka hoopt dat ook de volgende Vlaamse regering met concrete acties wil blijven ijveren voor een rechtszeker en aantrekkelijk investeringsklimaat. We vragen daarom dat ze één van de weinige fiscale hefbomen waarover ze zelf beschikt actief aanwendt en alle lokale besturen ertoe brengt om dit beleid niet te fnuiken. 

Contactpersoon

Karl Collaerts

Senior Adviseur Fiscaliteit & Begroting

ING
SD Worx