Skip to main content
  • Nieuws
  • Onderwijs: groot budget, dalende kwaliteit

Onderwijs: groot budget, dalende kwaliteit

  • 30/09/2021

Onderwijs is essentieel voor onze economische groei. Uit wetenschappelijk onderzoek dat cognitieve skills linkt aan economische groei, blijkt dat een algemene stijging van de PISA-resultaten een enorme impact heeft op het bbp. Dat maakt meteen duidelijk dat onze dalende onderwijskwaliteit erg problematisch is. Nochtans spenderen we in het secundair onderwijs meer per leerling dan de meeste andere landen.

In alle internationale benchmarks gaan we op het vlak van leerprestaties achteruit. In 2003 behaalde Vlaanderen nog de hoogste PISA-score voor wiskunde van alle deelnemende landen. Vandaag behoren we tot de sterkste dalers. Deze negatieve trend zet zich ook door in andere leergebieden. De allereerste prioriteit moet dus een beleid zijn dat de onderwijskwaliteit verhoogt. Voka heeft hiervoor in het verleden al verschillende voorstellen gelanceerd, zoals een betere studie-oriëntering, sterkere leraren en lerarenopleidingen, wetenschappelijk onderbouwde didactiek, ambitieuze eindtermen, centrale examens, professionelere schoolbesturen met meer autonomie, groter beleidsvoerend vermogen van directeurs, enzovoort. 

Het is goed dat men in het bedrijfsleven een structurele partner ziet om het onderwijs te versterken.

Mogelijke maatregelen

1. Versnippering aanpakken

Een opvallende vaststelling is het feit dat de leerling-leerkrachtratio in het secundair onderwijs veel lager is dan in de meeste andere landen. Die ratio geeft het aantal leerlingen weer per leraar. Hoe lager de ratio, hoe meer leraren er nodig zijn. Hoewel dit geen perfecte weergave van klasgrootte is, geeft het wel een beeld van hoe versnipperd het onderwijslandschap in Vlaanderen is. Er zijn nog te veel kleine klassen die vanuit budgettair oogpunt niet leefbaar zijn. Er zijn verschillende mogelijkheden om in te grijpen. Ten eerste kan er gekeken worden naar de financieringssystemen en gekozen worden voor minder degressieve omkaderingsregelingen. Een meer lineaire berekening zorgt ervoor dat het niet langer financieel interessant is om kleine klassen te organiseren. Ten tweede kan er gekeken worden naar het totale studieaanbod. De recente hervorming van het secundair onderwijs is er niet in geslaagd een grondige rationalisatie van het aantal studierichtingen te realiseren. Dat was nochtans een van de oorspronkelijke ambities. In het oorspronkelijke plan werd ruim een derde van de studierichtingen gereduceerd. In de uiteindelijke matrix blijft er van deze reductie nagenoeg niets over. Ten derde kunnen andere programmatie- en rationalisatienormen het aanbod rationaliseren. Zo kunnen er bijvoorbeeld minimale klasgroottes ingevoerd worden voor bepaalde studierichtingen. Dat verplicht schoolbesturen om hun aanbod te rationaliseren en samen te werken. Ten vierde kan er verder ingezet worden op bestuurlijke schaalvergroting in het leerplichtonderwijs.

2. Sterke(re) schoolbesturen

Professionele(re) schoolbesturen zijn in staat een wendbaardere structuur op te zetten, waardoor ze echte sociale ondernemingen kunnen worden. Dit zal toelaten om bevoegdheden van de netten, koepels en overheid te verschuiven naar de schoolbesturen en het gehele ecosysteem te herontwerpen. Hierdoor kunnen ze de middelen niet alleen efficiënter, Hoewel de resultaten achteruitgaan, besteden we nog altijd veel middelen aan het onderwijs. Binnen het globale onderwijsbudget g aan de middelen voornamelijk naar het leerplichtonderwijs. Vooral het secundair onderwijs is duur. We besteden een groter deel van het bbp aan het secundair onderwijs dan de meeste andere landen en we geven meer uit per leerling secundair onderwijs. We geven zelfs dubbel zoveel uit per leerling secundair als Estland, dat na Singapore de PISA-ranking aanvoert. Het kan dus anders. Aangezien er nog een grote stijging van leerlingenaantallen wordt verwacht in het secundair onderwijs, zal het budget ook in de toekomst verder stijgen. In het secundair onderwijs wordt in 2025 een toename van de loonkost verwacht van bijna een half miljard euro ten opzichte van 2020, een stijging van 13%. Deze spreidstand tussen output en input is niet langer te verantwoorden. We kunnen ons dus de vraag stellen of we de middelen wel goed beheren. 

De keuze voor sterkere schoolbesturen gaat gepaard met het herdenken van het onderwijsecosysteem en gedeeld leiderschap. Professionelere, sterke schoolbesturen zouden makkelijker taken van de overheid kunnen overnemen, waardoor de overheid zich enkel hoeft te beperken tot de ‘wat’ (de inhoud via de eindtermen) van onderwijs, de controle op de kwaliteit (onder meer via inspectie en centrale toetsen) en het financieren van het onderwijs. De schoolbesturen kunnen dan de autonomie krijgen om de ‘hoe’ (de manier waarop) van onderwijs te bepalen. Net zoals het hoger onder wijs zouden zij autonomie kunnen krijgen over de besteding van de overheidsmiddelen. Sterkere schoolbesturen zouden ook taken kunnen overnemen van de koepels en intermediaire structuren zoals het opstellen van leerplannen. Uit onderzoek blijkt dat een ruimere autonomie voor scholen in combinatie met hogere verantwoording en rapportering over de onderwijskwaliteit via onder meer centrale examens leidt tot de beste resultaten.

3. Modern en flexibel personeelsbeleid

Scholen zijn vandaag sterk centraal geregeld vanuit de overheid en hebben vaak eenzelfde organisatiemodel. Deze gecentraliseerde en rigide schoolorganisatie met opgelegde leerjaren en vakken is niet meer aangepast aan de complexe omgeving. De arbeidsorganisatie aanpakken en de school anders organiseren zijn kansen om professioneler onderwijs te organiseren. Mocht een school of schoolbestuur zijn eigen loonbudget kunnen aanwenden, dan zouden ze er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om naast ‘vaste’ leerkrachten ook bepaalde competenties (tijdelijk) te huren of in te kopen van andere organisaties. Die manier van werken met freelancers wint maatschappelijk aan populariteit. De digitalisering versnelt dat alleen maar. De evolutie naar flexibelere statuten zal een vorm van loopbaanplanning mogelijk moeten maken, waardoor niet altijd naar de levenslange vaste benoeming teruggegrepen moet worden om de job aantrekkelijk te maken.

4. Open-end afremmen

Er zijn ook een aantal meer instrumentele mogelijkheden die de loonkost verminderen. Zoals gezegd zijn die niet altijd wenselijk en moeten ze minstens kaderen in bredere hervormingsoefeningen. De begrotingsmaatregel die technisch het makkelijkst te realiseren is, grijpt in op het openend karakter van de onderwijsbegroting. Die is op dit moment sterk afhankelijk van de groei van leerlingen. Meer leerlingen betekent meer leraren en dus meer budget. Hierop ingrijpen kan via het aanwendingspercentage. Dat is een percentage dat de Vlaamse regering vastlegt op basis van de budgettaire mogelijkheden.

5. Aantal uren lesgeven verhogen

Leraren in het secundair onderwijs geven vandaag niet evenveel uren per week les. Dat is afhankelijk van de noemer in de lesopdracht die per graad verschilt. Concreet betekent dat dat grosso modo leraren in de eerste graad 22 uur lesgeven, in de tweede graad 21 uur en in de derde graad 20 uur. De verantwoording voor dit verschil is dat lesvoorbereidingen meer tijd vragen in de hogere graden, maar daarover is er geen consensus. Bovendien blijkt uit de analyse in het eerste deel van de paper dat Vlaamse leraren in het hoger secundair onderwijs jaarlijks bijna 10% minder uren lesgeven dan het OESO-gemiddelde. Ook wat de totale opdracht betreft, presteren de Vlaamse leraren minder uren. Het gelijkschakelen van de noemers, waarbij iedereen 22 uren lesgeeft, betekent een structurele efficiëntiewinst van ongeveer 135 miljoen euro.

Artikel uit publicatie

Propaganda
Logo Mensura
Proximus
SD  Worx
Logo KPMG
alk
Logo JAM
Trixxo