Koopkrachtmist

11/01/2019 , Bart Van Craeynest - Hoofdeconoom Voka

In de schaduw van de overdreven aandacht voor de gele hesjes en het onwaarschijnlijke einde van de regering Michel werd de voorbije weken heel wat mist gespoten over hoe het gesteld is met de koopkracht in dit land. Voormalig premier Elio Di Rupo deed daar net voor kerst nog een grote schep bovenop. “De Nationale Bank mag zeggen wat ze wil, het leven is veel duurder geworden”, klonk het. Daarmee hing hij op z’n zachtst gezegd een nogal misleidend beeld op. Bart Van Craeynest, hoofdeconoom van Voka, reageert in zijn wekelijkse column op de heisa over de koopkracht. 

Bart Van Craeynest
©Dann

Niemand, zeker ook de Nationale Bank niet, zal ontkennen dat het leven de voorbije jaren duurder is geworden. Dat is trouwens zo in de meeste jaren. Sinds de start van de regering Michel bedraagt de totale inflatie, d.i. de stijging van het algemene prijspeil, 8,4% of gemiddeld 2% per jaar. Dat ligt in lijn met de 20 jaar daarvoor, toen de inflatie op 1,9% per jaar uitkwam. Dat algemene prijspeil wordt trouwens bepaald op basis van de prijsontwikkeling van een korf goederen en diensten die de consumptie van de gemiddelde Belg weergeeft, waarbij die korf regelmatig wordt upgedate. Zoals altijd waren er ook de voorbije vier jaar in die korf producten waarvoor de prijsstijgingen er bovenuit sprongen: deze keer gold dit vooral voor elektriciteit (+78%), boter en aardappelen (+43%) en diesel (+19%). Anderzijds zakte de prijs van stookolie en benzine (respectievelijk -15% en -4%) en bijvoorbeeld ook die van GSM’s (-15%) en mobiele telefoondiensten (-9%). Het leven werd de voorbije jaren inderdaad duurder, maar de beweging was zeker niet uitzonderlijk.

Die prijsontwikkelingen vormen maar één element van de koopkracht. De evolutie van de inkomens en wijzigingen in de belastingen zijn andere essentiële elementen. De Nationale Bank combineert die elementen in het reëel beschikbaar inkomen, d.i. het gemiddelde inkomen gecorrigeerd voor inflatie en belastingen, en de best beschikbare indicator van de gemiddelde koopkracht. Dat reëel beschikbaar inkomen nam van 2014 tot 2018 met 3,9% toe, voor alle duidelijkheid dat is bovenop de inflatie, en daar zou volgend jaar nog eens 2,1% bijkomen. De toenemende werkgelegenheid, de stijgende reële lonen en de belastingverlaging via de taxshift zijn de belangrijkste factoren achter die extra koopkracht. Een relevante kanttekening bij die cijfers is dat het gaat om gemiddeldes. Er zijn dus indicaties dat het merendeel van de bevolking haar koopkracht ziet toenemen, maar echt goede cijfers over de verdeling daarvan zijn er niet.    

De beschikbare cijfers over de koopkracht geven aan dat het daarmee de goede richting uitgaat. Het verontrustende is eerder het niveau van het debat dat daarrond gevoerd wordt. Als de campagne, en nog erger straks ook het beleid, uitgetekend zal worden vanuit de idee ‘de Nationale Bank (en andere neutrale instanties) mag zeggen wat ze wil, wij weten het toch beter…’, en politici de feiten die hen niet aanstaan zomaar kunnen negeren of zelfs ontkennen, voorspelt dat weinig goeds voor de beleidskeuzes die er zitten aan te komen.