Industriejobs als garantie tegen populisme

16/06/2017 , Stijn Decock - hoofdeconoom Voka - stijn.decock@voka.be

Angelsaksische commentatoren bijten dezer dagen hun tanden stuk in analyses over de brexit en Trump. Hun verbazing is nog groter nu continentaal Europa niet de weg van het populisme en isolationisme inslaat, maar voor gematigde kandidaten kiest. Wat is er gebeurd? Wat gaat er beter in Frankrijk en Duitsland? Kan het iets te maken hebben met een sterkere aanwezigheid van de industrie?

Sinds de brexit regent het analyses in de betere Angelsaksische kwaliteitsbladen zoals Financial Times, The Economist en New York Times. Een crisisgevoel overheerst. Hoe kan het dat net in de twee landen die aan de wieg stonden van de democratie en de liberale wereldorde, het politiek zo fout is gelopen? De malaise in die kringen is nu nog groter aangezien net Frankrijk - het land waarop die bladen toch altijd wat neerkijken - een president heeft gekozen die zowat alles belichaamt waar zij wel voor staan (liberaal, globaal, coöperatief naar andere landen, ..) terwijl ze in eigen land met een May en Trump zitten opgezadeld. Waar liep het mis?

Edward Luce, commentator bij de Financial Times, had het deze week in een interessant opiniestuk over het Minsky-moment van de Angelsaksische elites. Een Minsky-moment is een beursterm en slaat op het feit dat als markten lange tijd heel stabiel (en stijgend zijn) marktpartijen steeds meer risico’s gaan nemen omdat ze vergeten dat markten ook kunnen crashen. Marktpartijen worden hierdoor blind voor risico’s. De analogie volgens Luce is dat de Angelsaksische elites onvoorzichtig met de democratie zijn omgesprongen, zoals door het uitroepen van een binair brexit-referendum (i.p.v. meerdere tussenliggende scenario’s) of de deelname van Trump aan de republikeinse voorverkiezingen. Volgens Luce wordt in continentaal Europa veel omzichtiger met de democratie omgesprongen vanwege vroegere trauma’s, zoals de opkomst en bezetting van nazi-Duitsland. De Duitse democratische instituties (zoals de pers, zelfs de tabloids) zijn veel beter opgewassen en kritischer tegenover populistische tendensen.

Een tweede belangrijke oorzaak volgens Luce is dat de opwaartse sociale mobiliteit in zowel het VK als in de VS is stilgevallen. Bovendien is de inkomensongelijkheid toegenomen doordat de middenklasse sterk onder druk staat. In het vermaledijde Frankrijk ligt de tewerkstellingsgraad bij mannen tussen 25 en 54 zelfs hoger dan in de VS. Een klasse van vooral laaggeschoolde mannen lijkt in de VS en het VK al decennia afgeschreven te zijn.

Hoe komt dat? Luce argumenteert vooral dat het onderwijs mee schuldig is. Er is een groot verschil tussen het bekomen van een basisdiploma en het verwerven van economisch belangrijke skills. Als je in de Angelsaksische landen geen diploma hoger onderwijs bezit, ben je quasi gedoemd om een laagbetaalde job uit te oefenen. In Duitsland daarentegen is er een sterk uitgebouwd systeem van duaal leren, waarbij een leerling die minder goed studeert of leermoe is, toch heel wat nuttige en relevante kennis opdoet, waardoor hij later interessant is voor de industrie en dus een loon ontvangt dat hem in de middenklasse houdt. Zijn confrater in de VS of het VK is veroordeeld tot een slecht betaalde baan, met beperkte opwaartse mobiliteit.

Je kan nog verder gaan op die redenering van Luce. Het grote verschil tussen continentaal West-Europa en de Angelsaksische landen is dat er hier een veel groter (weliswaar krimpend) aanbod is van middenklasse jobs omdat er hier nog veel kapitaalintensieve bedrijven zijn die kwalitatieve jobs hebben voor mensen die laag- of middengeschoold zijn. In de VS en het VK zijn dat soort bedrijven voor een groot stuk verdwenen. In Duitsland bedraagt de industriële tewerkstelling nog 24,6%, in het VK is dat maar 15,6%.

Het probleem in die landen is dat ze sinds de jaren 80 en 90 te eenzijdig in de diensteneconomie zijn gaan geloven. De redenering luidde toen dat het niet erg is dat een autofabriek dicht gaat, want er worden tegelijkertijd 10.000’en beter betaalde jobs gecreëerd in de financiële hoofdstad Londen. Of in Silicon Valley. Alleen kwamen degenen die hun job verloren niet in aanmerking voor die veel beter betaalde nieuwe jobs vanwege een te lage scholing. Daarnaast zakt in de VS ook de horizontale mobiliteit waarbij wie zonder werk valt, veel minder geneigd is te verhuizen naar een staat waar wel werk is (wat lang een van de sterktes was van het Amerikaanse arbeidsmodel).

Een protectionistisch beleid tegenover de verwerkende industrie was en is niet het juiste antwoord hierop, wel een flankerend beleid dat verwerkende industrie competitief houdt via onderwijs, innovatie, investeringsstimuli en een aangepast loonbeleid. Het is de reden waarom Duitsland zijn industriële clusters grotendeels kon behouden. En waarom die in Nederland, Vlaanderen en delen van Frankrijk minder zijn afgebouwd dan in de VS of het VK.

Het wezenlijk verschil tussen de midden- en laaggeschoolde werknemer in Duitsland of Vlaanderen en het VK en de VS is dat hij hier veel meer kans heeft om een ‘productiviteitshefboom’ te vinden in zijn job. Met ‘productiviteitshefboom’ bedoelen we een werknemer die dankzij de inzet van machines, ICT en investeringen productiever wordt. En doordat hij door die investeringen productiever wordt, stijgt zijn loon navenant en blijft hij in de middenklasse. In veel dienstenjobs is die hefboom veel minder aanwezig. Er is geen machine waardoor je meer hamburgers per uur kan bakken of meer pakjes per uur kan ronddelen zonder de snelheidsbeperkingen te overtreden. Het loon kan dan ook nauwelijks stijgen. Een veel minder goed uitgebouwde sociale zekerheid zorgt eveneens dat bij jobverlies het armoederisico snel toeneemt.

Met andere woorden, de beste garantie om in eigen land toestanden zoals in de VS en het VK te vermijden is ervoor te zorgen dat we voldoende bedrijven hebben waar mensen zonder diploma hoger onderwijs een productieve job hebben. Waar ze dankzij machines en kapitaalgoederen hun productiviteit verder kunnen opdrijven. Hierdoor blijven ze een loon ontvangen dat hen in de middenklasse houdt en hen niet verarmt.

Het beste anti-armoede en anti-populismebeleid in België is het behoud en de versterking van bestaande en nieuwe industriële clusters. Want zij creëren bij uitstek 100.000’en goedbetaalde jobs voor het electoraat dat in de VS of het VK voor de brexit of Trump koos. Het is wellicht geen toeval dat de meest populistische partij in België zich dezer dagen met de PTB in de oude Waalse industriebekkens bevindt. De regio waar al decennia niet het juiste beleid gevoerd om tot een succesvolle transformatie te komen.