Hindernissen voor nieuw Betaald Educatief Verlof

28/02/2018 , Sonja Teughels - arbeidsmarkt

Het vormingspact van 2017 wordt momenteel vertaald van ontwerp naar decreet en besluiten. Twee nieuwe beleidsvoorstellen gaan verder dan het initiële akkoord en hebben mogelijks ongunstige effecten voor de ondernemingen.

  • In de vertaling van het Vormingspact naar beleid duiken twee nieuwe denkpistes op.
  • Achterliggende logica om te focussen op de groep die het ontbreekt aan tijd blijft niet gehandhaafd.
  • Er zou een urencontingent komen dat overdraagbaar en cumuleerbaar is binnen een tijdsperiode van bijvoorbeeld drie jaar.
  • Beide beleidsvoorstellen rijmen niet met een gesloten budget.

Op 11 juli 2017 bEducatieve opleidingereikten de Vlaamse sociale partners en de regering een akkoord over het Vormingspact. Het akkoord omhelst alle Vlaamse opleidingsincentives voor de werknemers, waaronder het Betaald Educatief Verlof (BEV). Aanleiding van het akkoord was de zesde staatshervorming die de gewesten toelaat een eigen beleid uit te tekenen. De doorlichting van het BEV door het Rekenhof legde een malaise bloot: gebrek aan beleid en duidelijke criteria inzake de erkende opleiding, geen kwaliteitscriteria, geen monitoring, laat staan dat er een zicht is op de effectiviteit. Gezien de financiële en arbeidsorganisatorische impact op de ondernemingen, waren dit belangrijke vaststellingen in het licht van noodzakelijke bijsturingen.

Die bijsturingen krijgen intussen vorm. Met het akkoord van 11 juli 2017 werden duidelijke doelstellingen vastgelegd. Zo evolueert Vlaanderen naar een kenniseconomie waarin vorming en opleiding fundamentele bouwstenen zijn. Gezien echter de middelen begrensd zijn (ongeveer 65 mio euro) dienen er keuzes gemaakt te worden naar type opleiding alsook naar het doelpubliek. Voortaan komen enkel arbeidsmarktgerichte opleidingen nog in aanmerking, waarbij er voldaan dient te worden aan eenzelfde kwaliteits- en erkenningskader.

De principes en bouwstenen uit dit ‘Guldensporenakkoord’ worden momenteel operationeel vertaald richting decreet en besluiten die in werking zouden moeten treden vanaf januari 2019. In die vertaling worden we echter geconfronteerd met twee nieuwe elementen of denkpistes die ons verontrusten. Het betreft de uitbreiding van het toepassingsgebied van werknemers die in aanmerking komen, alsook het idee van een urencontingent dat overdraagbaar en cumuleerbaar is binnen een tijdsperiode van bijvoorbeeld 3 jaar. Voka kan zich hierin niet vinden omdat het éénzijdig een delicaat evenwicht doorbreekt.

Het huidige toepassingsgebied is vrij complex omschreven en maakt een onderscheid tussen voltijdse werknemers, deeltijdse werknemers (4/5de) met vast en variabel uurrooster en tot slot minstens halftijdse werknemers.  In feite is het de regel dat het oude Betaald Educatief Verlof  is voorbehouden voor voltijds werkenden alsook voor deeltijds werkenden, in geval zij variabele uurroosters hebben én een bepaald type van opleiding volgen. De achterliggende logica was daarbij focussen (want de middelen zijn beperkt) op de groep die het ontbreekt aan tijd om een opleiding te volgen.

“Gezien de middelen voor het Betaald Educatief Verlof begrensd zijn, dienen er keuzes gemaakt te worden naar type opleiding alsook naar het doelpubliek.”

Educatieve opleidingHet huidige beleidsvoorstel breekt het toepassingsgebied open en laat iedereen (ook de halftijdsen) in aanmerking komen (weliswaar pro rata in functie van de arbeidsformule). Dit betekent dat mensen die werken op maandag, dinsdag en woensdagvoormiddag tijdens die beperkte arbeidstijd toch betaald verlof zouden krijgen voor het volgen van een opleiding op bijvoorbeeld vrijdag of zaterdag. Voor ondernemingen, waar de schaarste volop toeslaat en de complexe arbeidsorganisatorische puzzel nauwelijks gelegd geraakt tussen alle deeltijdse roosters, is het voorzien van bijkomend verlof moeilijk. Het is bovendien ook maar de vraag of het nodig is gezien het deze groep alvast niet ontbreekt aan tijd, een nochtans cruciaal element in de rechtvaardiging van het BEV. Voka vraagt, gegeven het beperkte budget én de impact op ondernemingen, dat men blijft focussen op de groep die het minst beschikt over tijd.

Een tweede nieuwigheid is de idee van een urencontingent. Waar nu het BEV bestaat uit een jaarlijks recht op uren, wil het voorliggend beleidsvoorstel uitgaan van een contingent aan uren dat kan overgedragen en gecumuleerd worden op 1 jaar. Dit betekent dat als elke werknemer recht heeft op 100 uren, hij die uren zou kunnen overdragen en opsparen tot bijvoorbeeld 300 uren op te nemen in 1 jaar. Enige voorwaarde is de toestemming van de werkgever. Voka is hier geen voorstander van om twee redenen. Ten eerste wordt een bijkomende onderhandelingsmaterie geïntroduceerd in de ondernemingen, met het risico op conflict indien de werkgever hier niet mee wil instemmen. Ten tweede betekent het dat mensen tot twee maanden betaald afwezig zouden kunnen zijn boven andere wettelijke verlofredenen. Opnieuw laat de huidige krapte op de arbeidsmarkt dit niet toe.

De beide beleidsvoorstellen zijn dus moeilijk te rijmen met het voornemen van gesloten budget. De beperkte middelen dwingen tot focus en keuzes. Het kiezen voor arbeidsmarktgerichte opleidingen is daar zeker één van. Het geven van betaald verlof aan deeltijdsen of het construeren van contingenten zodat langlopende opleidingen hierin passen, is dat niet. Opleidingen die heroriënteren of vragen om langdurige investering, behoeven andere instrumenten richting modularisering van tijdskrediet voor vorming.

Tot slot vraagt Voka enige financiële buffer, aangezien het terugbetalingsforfait periodiek dient geïndexeerd te worden. De federale sociale partners hebben immers federaal positief advies gegeven voor een indexering van het referteloon. Het spreekt voor zich dat dan ook het terugbetalingsforfait dezelfde cadans moet volgen.

Sonja Teughels - Adviseur Arbeidsmarkt - sonja.teughels@voka.be - 0472 34 26 60