Gezocht: inflatie

10/11/2017 , Stijn Decock - hoofdeconoom Voka - stijn.decock@voka.be

Het is hét gespreksonderwerp onder economen. Hoe komt het dat de economie op volle toeren draait en de arbeidsmarkt krap is terwijl we (behalve in België) nauwelijks inflatie zien? Centrale bankiers liggen wakker van deze vraag. Want inflatie is de allerbelangrijkste parameter waarop hun hele rentebeleid gebouwd is. En dat beleid raakt iedereen, en niet het minst het bedrijfsleven. Dat schrijft Stijn Decock, hoofdeconoom van Voka.

Centrale bankiers moeten de prijsstabiliteit van hun munt garanderen. Bij teveel inflatie ontwaardt de munt. Bij te weinig inflatie is er geen smeerolie meer in de economie (stijgende prijzen maken het afbetalen van investeringen veel gemakkelijker) en dan dreigt er te weinig geïnvesteerd en geconsumeerd te worden. In het eerste geval zullen ze de rente inflatie gezochtoptrekken, in het tweede geval zullen ze de rente verlagen. Als dat niet volstaat, gaan ze de geldhoeveelheid uitbreiden via het opkopen van bv. staatsobligaties. De Amerikaanse centrale bank zit in het eerste scenario (rente optrekken), de ECB zit nog in het tweede.

De economische theorie zegt dat de inflatie in regel daalt bij een afkoelende economie en aantrekt bij een aantrekkende economie. Dat is voor de centrale bankiers handig, omdat het rentebeleid dan de conjunctuurcyclus kan volgen en de conjunctuurpieken kan afzwakken. Een rentedaling helpt de economie in tijden van recessie, een rentestijging helpt een oververhitte economie af te koelen.

Het grote probleem is dat de theorie dat bij een aantrekkende economie de inflatie stevig toeneemt, niet meer volledig klopt. We stellen vast dat de inflatie laag blijft. In de eurozone daalde de kerninflatie (de inflatie zonder grondstofprijzen) vorige maand bv. van 1,1 naar 0,9 procent, ondanks de dagelijkste stroom aan positief conjunctuurnieuws. In de VS, waar de werkloosheidsgraad nog maar 4,1 procent bedraagt, haalt de kerninflatie nog steeds een matige 1,7 procent. Dus als de centrale bank haar eigen definitie te streng volgt, dan moet ze de rente extreem laag houden. Dat is een risico omdat die lage rente zeepbellen dreigt te maken (bv. voor huizenprijzen of aandelenkoersen). Nog erger is dat er nu geen rentemunitie wordt opgeladen die kan gebruikt worden (in de vorm van een renteverlaging) op het moment dat de conjunctuur weer verzwakt.

“Net zoals bedrijven zich fundamenteel moeten herdenken in de vierde industriële revolutie, zullen centrale banken dat ook moeten doen.”

De hamvraag is waarom de inflatie zo lang laag blijft, terwijl de economie toch goed draait en de meeste arbeidsmarkten krapte vertonen. In theorie zouden krappe arbeidsmarkten tot loonstijgingen moeten leiden en een stijgende vraag naar producten tot een krapte aan aanbodszijde waardoor de prijzen toenemen. Toch gebeurt dat tot nu toe maar in zeer beperkte mate.

Duitse vakbonden

Er zijn verschillende verklaringen. Een ervan is dat de (loon)inflatie wel zal komen, maar dat ze langer op zich laat wachten dan normaal. We komen uit een diepe recessie die gepaard ging met heel wat bedrijfsherstructureringen. Werknemers zijn en waren blij dat ze een job hebben of kunnen behouden. Looneisen zijn minder aan de orde. Werkzekerheid op de lange termijn is veel belangrijker. Volgens sommige waarnemers is dat de positie van de Duitse vakbonden. Zij stellen langetermijnwerkgelegenheid voorop en willen die niet via exuberante looneisen in gevaar brengen. Aangezien heel wat andere landen hun loonpolitiek op Duitsland afstemmen, is dat meteen de reden waarom we weinig looninflatie zien in Europa.

langetermijnwerkgelegenheidToch kan het dat we uiteindelijk wel looninflatie zullen zien als de krapte op de arbeidsmarkt zich verder doorzet. Dan krijgen we vroeg of laat het effect dat bedrijven inzake lonen moeten opbieden tegen elkaar. Als men het personeel niet vindt, zal men finaal proberen personeelsleden uit andere bedrijven aan te trekken met aantrekkelijke loonvoorwaarden. Wanneer we op dat punt komen, zouden we een inflatieversnelling kunnen zien. Om die reden  verwachten wij in Europa dan ook een licht oplopende kerninflatie.

Daarnaast zijn er ook meer structurele verklaringen. De nieuwe technologie doorkruist hier voor een deel de bestaande economische theorie. In het boek ‘Groei of schaarste’ betoogden we al dat in een hoogtechnologische economie met een grote dienstensector parameters zoals het bbp steeds meer tekorten zullen vertonen als meetinstrument. Technologische kwaliteitsverbeteringen worden in het bbp onderschat en het consumentensurplus van gratis-technologie (bv e-mail) wordt niet goed verdisconteerd. Die problemen gelden eveneens in de inflatiemeting van een economie. De nieuwe technologie zorgt voor een grote druk op de prijzen en zorgt ervoor dat we een steeds groter aanbod krijgen voor eenzelfde prijs. En dat inflatie een moeilijke parameter wordt.

Prijsverhoging Netflix: inflatie of deflatie?

Stel bijvoorbeeld dat Netflix de maandelijkse abonnementsprijs optrekt van 10 naar 12 euro, maar tegelijkertijd zijn aanbod series en films verdubbelt. Zitten we hier met inflatie (de prijs is met 20% gestegen) of met deflatie (de prijs is weliswaar met 20% gestegen, maar de kwantiteit van het product is met 100% toegenomen)? Met dat soort lastige economische discussies zullen we steeds meer geconfronteerd worden. In heel wat domeinen vallen door de digitalisering de fysieke beperkingen weg die er in de oude economie waren om de productie uit te breiden. Dus bij meer netflix inflatie of deflatievraag naar een digitaal product, zal het aanbod altijd kunnen volgen (aangezien digitale producten aan een quasi variabele nulprijs geproduceerd kunnen worden).

Daarnaast zorgt de nieuwe technologie er ook voor dat we prijzen steeds beter kunnen vergelijken en dat we via e-commerce voor de scherpste prijs kunnen gaan, waar die ook aangeboden wordt. In heel wat landen (zeker in de VS) is er ook een transitie in de kwaliteit van banen. De deeleconomie zorgt ervoor dat er minder vaste middenklassebanen zijn en meer onregelmatige platformbanen, wat er ook voor zorgt dat er weinig druk is op de lonen.

Voor centrale banken wordt het debat nog moeilijker. Niet alleen is er de vraag of inflatie nog de juiste parameter is, ook de impact van een rentewijziging staat ter discussie. Een lage rente die te lang laag blijft gaat niet noodzakelijk de economie ondersteunen. Een te lage rente kan ertoe leiden dat spaarders net meer sparen in plaats van meer te consumeren. Omdat het inkomen uit spaargeld te laag ligt (en gepensioneerden dat nodig hebben als aanvullend inkomen), zullen ze net op de rem staan in hun uitgaven en meer sparen. Zeker met de groeiende groep gepensioneerden wordt het aantal spaarders groot dat rente-inkomsten nodig heeft als extra inkomen.

We prediken hier niet dat de centrale banken onmiddellijk het beleid of hun modellen overboord moeten gooien. Wel moeten het debat en het onderzoek naar de relevantie van het huidig model en het hierop gebaseerde beleid gestimuleerd worden. Wat is de relevantie van inflatie in tijden van hyper-digitalisering? Wat is de impact van een renteverandering in tijden van vergrijzing? Het huidige model van de centrale banken is gebaseerd op inzichten uit de tweede en derde industriële revolutie. Net zoals bedrijven zich fundamenteel moeten herdenken in de vierde industriële revolutie, zullen centrale banken dat ook moeten doen.

Stijn Decock - hoofdeconoom Voka - stijn.decock@voka.be