Energieheffing treft vooral professionals en ondernemingen

04/10/2017 , Klaas Nijs - klimaat en energie

Vorige week gaf Vlaams minister-president Geert Bourgeois zijn septemberverklaring in het Vlaams parlement. Hierbij kwam ook de aangekondigde hervorming van de energieheffing ruim aan bod. In de media werden daarbij vooral de (gunstige) effecten op de factuur van 2018 voor particuliere verbruikers opgepikt. Een bredere beoordeling van deze maatregelen is echter nodig, om alle toekomstige effecten in kaart te brengen.

Voka blijft vragende partij voor een langetermijnvisie op de energie-uitdagingen die op ons afkomen.

  • Financiële gevolgen quotumverhogingen en heffing voor meeste verbruikstypes gunstig.
  • ‘Professionele’ verbruikers en ondernemingen betalen 85% van de inkomsten.
  • Een standvastig kader voor investeringen blijft noodzakelijk met energienorm als leidraad. Groene energie

Op het eerste gezicht kan Vlaanderen na de septemberverklaring vooruitkijken naar een veel lagere factuur voor de overschakeling naar hernieuwbare energie. In 2018 zal zowat elke verbruiker immers een lagere elektriciteitsfactuur tegemoetzien, met dank aan een zwaar gedaalde bijdrage via een energieheffing. Niet alle kostencomponenten gaan echter omlaag. Een beperkte stijging op de quotumverplichting voor groene stroom (het aantal groenestroomcertificaten dat de leverancier in naam van zijn klanten bij de regulator moet indienen), zal kostenverhogend werken. En de voorziene verlaging van de quotumplicht voor warmtekrachtcertificaten vanaf 2019 wordt niet aangehouden: het huidige quotum van 11,2% blijft behouden. Afhankelijk van het verbruiksprofiel, kan de totale rekening in 2020 daardoor hoger uitvallen. Hiervoor heeft de Vlaamse regering flankerende maatregelen aangekondigd.

De energietransitie is van groot belang en we mogen de schuldenberg niet voor ons uitschuiven. Het is dus zeker positief dat de Vlaamse regering een nieuwe oplossing heeft gevonden voor de structurele tekorten op de groenestroomfactuur, waarbij de financieringsnood niet integraal via de certificatenverplichtingen wordt doorgerekend. Een bredere financieringsbasis dan enkel de elektriciteitsfactuur blijft noodzakelijk om de competitiviteit van de energieprijzen te kunnen garanderen.

Tezelfdertijd merken we bij de doorrekening echter dat de bedrijven meer dan 80% van de kost voor deze nieuwe maatregelen zullen moeten ophoesten, namelijk ongeveer 150 miljoen euro per jaar. Voor bepaalde ondernemingen zal deze hervorming gepaard gaan met een meerkost. En wat nu al doorgerekend wordt, volstaat niet voor het afdekken van maatregelen die nog nodig zullen blijken om te voldoen aan onze Europese verplichtingen. Daarom blijven we uitkijken naar de uitwerking van de aangekondigde flankerende maatregelen, zodat voor alle ondernemingen een behoud van de concurrentiepositie gegarandeerd kan worden. Enkele zaken moeten ook technisch nog verder uitgewerkt worden, zoals de situatie van de gebruikers op de gesloten distributienetten, en hoe de kosten van wanbetalers bij de leveranciers verrekend moeten worden…

Onze huidige bekommernissen overstijgen in ieder geval ook de aangekondigde maatregelen: Voka blijft vragende partij voor een langetermijnvisie op de energie-uitdagingen die op ons afkomen. Investeringen kunnen enkel verwacht worden in een stabiel, concurrentieel kader. De politieke besluitvorming rond het energievraagstuk moet daarom dringend het dagelijkse crisisbeheer overstijgen. Het interfederale energiepact kan en moet daarbij een gecoördineerde beleidsaanpak van de energietransitie vooropstellen. In dit pact moet er absoluut een plaats zijn voor de uitwerking van een energienorm. Deze norm moet (zoals bij de loonnorm) de energiekosten voor Vlaamse ondernemingen structureel beoordelen, en terug in lijn brengen met de kosten in de landen waarmee onze ondernemingen concurreren.

Klaas Nijs - Senior adviseur klimaat en energie - klaas.nijs@voka.be - 0485 28 76 62