Skip to main content
  • Nieuws
  • De Vlaamse energieheffing – Quo vadis?

De Vlaamse energieheffing – Quo vadis?

  • 28/06/2017

De hervorming van de Vlaamse energieheffing in 2015 vormde een belangrijk onderdeel van de strategie van de Vlaamse regering om een structurele oplossing te zoeken voor de steeds hoger oplopende schulden bij de financiering van hernieuwbare energie. Vorige week besliste het Grondwettelijk Hof echter dat deze aangepaste heffing ongrondwettelijk is. Daarmee komen we opnieuw in de fundamentele discussie over de financiering van de energietransitie terecht.

Een geslaagde energietransitie is enkel mogelijk via een gezond financieringsmechanisme.

  • Heffing werd ingevoerd om oplopende schulden van groene stroom te financieren.
  • Juridisch blijkt de constructie niet houdbaar.
  • Een financiering vanuit de algemene middelen moet zeker in aanmerking worden genomen.

De Vlaamse regering keurde in december 2015 een verhoogde energieheffing per actief afnamepunt van elektriciteit goed. Deze heffing werd ingevoerd om oplopende schulden van groene stroom (wind, PV, biomassa…) te financieren, op een manier die zou toelaten om sociale én economische criteria in rekening te brengen. Juridisch blijkt de constructie echter niet houdbaar, vooral door de koppeling aan afnamehoeveelheden, hetgeen een verbruikselement aan de heffing koppelde. Dit schendt volgens het Grondwettelijk Hof het ‘non bis in idem’-beginsel, gezien de bestaande federale bijdrage op elektriciteit. Het Grondwettelijk Hof handhaaft wel de heffing voor de jaren 2016 en 2017, waardoor deze inkomsten toch nog nuttig aangewend kunnen worden voor de financiering van een deel van de opgebouwde groenestroomschulden.

We moeten dus op zoek naar een ‘oplossing’ voor de energieheffing. De middelen daarvan waren bestemd voor het energiefonds en dienen om groenestroomcertificaten uit de markt op te kopen en zo de oplopende certificatenschuld een halt toe te roepen. In totaal zaten we eind 2015 al aan te kijken tegen een schuldenberg van zomaar even 2 miljard euro, met vooruitzicht op nog erger. Ook een rentelast voor deze schuld die kon oplopen tot 100 miljoen euro (in 2020) maakte een oplossing noodzakelijk. Met de uitspraak van het Grondwettelijk Hof is een nieuwe evaluatie van de financieringsmechanismen aan de orde.

Het goede nieuws is dat we inkomsten van de energieheffing uit de voorbije twee jaar (goed voor bijna 1 miljard euro) niet kwijt zijn. Daardoor kan de groenestroomschuld al worden gehalveerd.

Sinds de invoering van de heffing in 2015 is de rol voor grootschalige biomassa binnen het Vlaams energiebeleid zeer onzeker geworden. Het niet opstarten van de biomassaprojecten in Gent en Genk vermijdt een aanzienlijke toename van de groenestroomschuld in de toekomst. Tegelijk stelt zich wel de vraag of we daardoor de verplichte doelstellingen voor 2020 nog kunnen halen. Een eventuele boete vanuit Europa zal eveneens ergens mee betaald moeten worden.

Veel voer voor discussie dus, en in ieder geval een grote nood aan onderbouwde cijfers om de reële kost en de impact van elk financieringsalternatief op industriële verbruikers te berekenen. Om geen verdere competitiviteitsnadelen te riskeren, zal deze oefening zeer omzichtig moeten gebeuren. Energiekosten zijn voor veel bedrijven in Vlaanderen al een bekommernis, en de energienorm laat op zich wachten. Daarenboven wordt in de discussie over wie de energieheffing moet betalen, vaak vergeten dat via de automatische loonindexering niet de burgers, maar de ondernemingen aan het einde van de rit opdraaien voor de energieheffing. De Vlaamse bedrijven hebben dus het volle recht om hun zegje te doen over de toekomst van de energieheffing.

Voor Voka moet de oefening zo breed mogelijk worden gehouden: een financiering van de groenestroomschuld vanuit de algemene begrotingsmiddelen moet daarbij zeker in aanmerking worden genomen. Indien bijkomend nodig, moeten we daarnaast ook durven nadenken over bepaalde engagementen uit het verleden (steeds met maximaal behoud van investeringszekerheid), en nog op te nemen verbintenissen voor de toekomst. Bij grootschalige projecten, kan nagedacht worden over een tenderingsmechanisme dat de laagste prijzen met de hoogste output garandeert. Op termijn moet de steun voor mature technologieën ook uitgefaseerd kunnen worden.

Aan de Vlaamse Regering nu om aan te tonen dat ze bereid is deze moeilijke oefening samen met de bedrijven tot een goed einde te brengen en daarmee een economisch verantwoord draagvlak voor de kosten van de energietransitie te realiseren.

Contactpersoon

Niko Demeester

Secretaris-Generaal

IMU - btonic
VZW - eATA 2021
IMU - LOOK&FIN
VZW - Take The Lead
VZW - DigiChambers 2021
IMU salesforce
ING
SD  Worx