Skip to main content
Bart Van Craeynest
  • 01/03/2019

COLUMN - Langer werken

Het nieuwe loonakkoord werd deze week op heel wat kritiek onthaald. Vooral de afspraken over het uitstellen van de afbouw van de vervroegde uittredingsmogelijkheden lokten verontwaardiging uit. Hoewel een jaar uitstel op langere termijn niet het grote verschil maakt voor onze arbeidsmarkt, is de kritiek toch terecht. Dat schrijft Bart Van Craeynest, hoofdeconoom van Voka.

Bart Van CraeynestEr wordt in België al lang gepraat over de noodzaak van langer werken – vooral om onze welvaartsstaat betaalbaar te houden – , en daar komt stilaan wat beterschap in. De realiteit blijft evenwel dat er in België nog altijd veel te weinig ouderen aan het werk zijn. Van de Belgische 60- tot 64-jarigen werkt vandaag amper 29,6%. Dat is al beter dan pakweg tien jaar geleden, toen dat nog maar 17% was, maar blijft toch opmerkelijk laag. In Europa ligt dat percentage enkel in Luxemburg en Slovenië nog lager. In landen als Nederland, Duitsland en Zwitserland werkt zo’n 60% van de 60- tot 64-jarigen, in Zweden zelfs 70%. België loopt dus ver achter, en de mentaliteit over langer werken zit nog lang niet goed. Elk signaal in de verkeerde richting kunnen we dus missen. 

De kritiek op het loonakkoord ging wel voorbij aan enkele cruciale punten rond langer werken. Om dat te realiseren zal het niet volstaan om enkel de vervroegde uittredingsmogelijkheden verder af te bouwen. Er zijn immers nog andere hindernissen die langer werken in België in de weg staan, met name de loonvorming en het gebrek aan opleiding. Vooral voor bedienden blijft de loonontwikkeling in belangrijke mate gekoppeld aan de anciënniteit. Dat impliceert dat het loon van een Belgische bediende blijft toenemen naarmate hij of zij ouder wordt. Daardoor worden ouderen op een bepaald moment te duur, waardoor ze uit de arbeidsmarkt geprijsd worden. Concreet ligt het loon van een Belgische bediende ouder dan 60 jaar bijna 20% hoger dan dat van een veertiger. In Nederland, Duitsland, Zweden en Zwitserland ligt het loon van die 60-plusser op hetzelfde niveau als dat van de veertiger. De koppeling van loon aan anciënniteit moet doorbroken worden. Daarnaast is ook levenslang leren een essentiële factor voor langer werken. In België volgde in 2018 10,8% van de 25- tot 49-jarigen een opleiding of training. In toplanden als Zweden en Zwitserland is dat ongeveer 35%. Van de Belgische 55- tot 64-jarigen volgde 4,6% een opleiding, tegenover meer dan 20% in de toplanden. In een snel veranderende wereld is het weinig verrassend dat mensen op een bepaald punt niet meer mee kunnen, als daar geen effectief beleid van levenslang leren tegenover staat.

Langer werken is gedeeltelijk een kwestie van mentaliteit, en op dat vlak kunnen we elk signaal in de verkeerde richting missen. Maar het is toch vooral een kwestie van het geschikte beleidskader. Dat impliceert inderdaad het verder afbouwen van de gesubsidieerde vervroegde uittredingsmogelijkheden, maar daar stopt het niet. Een correcte loonvorming en levenslang leren zijn minstens even belangrijk om langer werken mogelijk te maken. Enkel als op elk van die drie sporen gewerkt wordt, kunnen we de Europese toplanden op dat vlak achterna.  

ING
SD Worx