Skip to main content
BRV
  • 16/07/2018

BRV in laatste rechte lijn?

Traditioneel liggen er voor het zomerreces nog enkele zware dossiers op de plank van de Vlaamse Regering. Dat is zeker het geval wanneer een regering het laatste jaar van haar legislatuur ingaat. Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) is zo’n klepper waar de Vlaamse regering zich dezer dagen over buigt. Dat plan moet de opvolger worden van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) uit 1997. De ambitie is duidelijk: meer rendement halen uit de reeds ingenomen ruimte waardoor het aansnijden van open ruimte de uitzondering wordt. Zones die goed scoren qua bereikbaarheid en voorzieningsniveau wil men extra gaan ontwikkelen om op die manier andere gebieden te vrijwaren.

Voka stelt tevreden vast dat de Vlaamse Regering werk wil maken om goed gelegen maar niet benutte bedrijventerreinen snel te activeren. Tezelfdertijd wil men het slecht gelegen juridisch aanbod aanpakken. De vraag is natuurlijk hoe. Een optie is om slecht gelegen industriegrond te schrappen en de eigenaars te vergoeden omwille van hun waardeverlies. Als het verhaal daar stopt, dreigt er snel een schaarste aan bedrijventerreinen en zal Vlaanderen economische opportuniteiten mislopen. Voka roept daarom op om de oppervlakte die ten tijde van het RSV aan industrie werd toegekend integraal voor industrie te behouden. In tegenstelling tot voorgaande decennia vraagt het bedrijfsleven niet om duizenden hectaren meer industriegebied, maar vragen we wel dat wat paars is, paars blijft. Door terreinen die slecht gelegen zijn te schrappen en elders te compenseren, hoeft het netto ruimtebeslag voor industrie in Vlaanderen niet meteen worden uitgebreid en kan er op de juiste locaties ontwikkeld worden.

De wens om de totale oppervlakte aan paars gebied te behouden door planologisch te compenseren wordt des te belangrijker doordat het Witboek BRV in haar ruimteboekhouding geen afzonderlijke oppervlaktedoelen bepaalt voor de bestemmingen wonen, industrie en recreatie zoals het RSV dat destijds wel deed. Het Witboek argumenteert nogal kort door de bocht dat deze bestemmingen in de toekomst toch zo verweven zijn dat geen afzonderlijke doelen moeten bepaald worden. Heel wat economische activiteiten kunnen echter niet worden verweven met andere functies. Het risico wordt daarom reëel dat de resterende hectaren voor bedrijven opgesoupeerd worden door andere bestemmingen, zodat er geen ruimte meer rest voor de economische ontwikkeling van niet verweefbare bedrijvigheid. Positief is wel dat de Vlaamse regering samen met Voka overtuigd is dat beschikbare ruimte voor niet-verweefbare industrieën op peil gehouden moet worden en dat het ook nodig is voor dit soort van bedrijvigheid een minimumvoorraad aan ruimte te voorzien om maximaal in te spelen op economische opportuniteiten. De grootte van deze voorraad zou dan afhankelijk kunnen worden gesteld van behoefteramingen zodat het aanbod en de (potentiële) vraag op elkaar zijn afgestemd. In die optiek zal het wel cruciaal zijn dat lokale besturen bij de opmaak van hun eigen beleidsplannen en beleidskaders voldoende vooruitdenkend zijn en de aanbeveling vanuit Vlaanderen ter harte nemen om voldoende voorraad te reserveren voor industrie met hinderlijke activiteiten.

Een zwak punt in dit dossier blijft het gebrek aan een duidelijke timing en budgettaire impact. Een realistisch tijdsschema is cruciaal om het draagvlak niet te verliezen. Vele ingrepen zullen immers geld kosten en vandaag is niet duidelijk hoe of wie deze kosten voor zijn rekening zal nemen. Het is een utopie te denken dat door middel van instrumenten als verhandelbare ontwikkelingenrechten men budgetneutraal kan werken.

Tot slot wijzen we op het belang dat op de juiste locaties stedenbouwkundige voorschriften worden versoepeld zodat ze verdichting en verhoging stimuleren. Tegelijk moeten we opletten dat de goed bedoelde intenties inzake ruimtelijke rendement niet volledig ondergraven worden door het invoeren van Vlaamse heffingen op verruimde bouwmogelijkheden waardoor investeringen uitblijven. Het instrumentendecreet wil zo’n nefaste heffing doorvoeren waarbij verruiming van stedenbouwkundige mogelijkheden principieel onderworpen zouden worden aan een heffingsplicht van 25 tot 50 % op de vermoede meerwaarde. Een vorm van winstafrooming bij verruiming van bouwmogelijkheden kan in bepaalde omstandigheden billijk zijn, maar een heffing van 25 tot 50 % (zoals voorzien bij de eerste goedkeuring van het ontwerpdecreet) is volgens Voka arbitrair en buiten proportie. Hier is duidelijk dat hier verder overleg met de sector gewenst is. Maar de tijd dringt, vermits de Vlaamse Regering de intentie heeft om het instrumentendecreet samen met het BRV te laten goedkeuren…

Steven Betz - Senior adviseur milieu & ruimtelijke ordening - steven.betz@voka.be

Contactpersoon

Steven Betz

Senior adviseur milieu & ruimtelijke ordening

ING
SD  Worx