Brand in Brussel

18/12/2017 , Jean-Paul Van Avermaet, voorzitter Voka Metropolitan

Brussel zit in de greep van terreur. Na de aanslagen van IS en consoorten, nestelt zich een nieuw soort terreur in onze hoofdstad, die van een groep jonge amokmakers, uit op rellen. De explosies van geweld waaraan deze jongeren zich te buiten gaan, zijn (alsnog) niet moorddadig, maar even verwerpelijk. We kunnen nooit blind geweld en terreur aanvaarden, welke redenen er ook worden aangevoerd in een poging het uit te leggen. Het zijn in eerste orde de plegers van deze baldadigheden zelf die we ter verantwoording moeten roepen.

Falen politiek en justitie in het aanpakken van dit soort criminaliteit? Dat is uiteraard de vraag die we meteen ook moeten stellen. De manier waarop de politiediensten in het Brusselse gewest zijn georganiseerd, werd de voorbije weken terecht op de korrel genomen. De politiemensen zelf kon weinig worden verweten, wel de wijze waarop ze werden aangestuurd. Agenten van naburige politiezones stonden klaar in aanpalende straten waar de rellen toesloegen, maar werden toch niet ingezet. Dit tart elke verbeelding. De analyse van de Algemene Inspectie van de politie was vernietigend: elke coördinatie ontbrak. Onze politiediensten lijken ook niet aangepast aan de nieuwe mediacultuur, waarbij manifestaties niet worden aangevraagd maar via sociale media in sneltempo worden uitgelokt.

Ordehandhaving, het blijft de kernopdracht van onze overheid, ‘l’état gendarme’. Hierop kan niet worden afgedongen. Deze opdracht kan niet worden opgeofferd op het altaar van taboes, zoals een fusie van politiezones of de centralisatie van politionele bevoegdheid in handen van één stadsgewest. Dit debat kan ook niet worden herleid tot een communautaire tegenstelling. Iedereen is gebaat bij een betere ordehandhaving en grotere veiligheid in Brussel. Al is er vooruitgang in de terreurbestrijding, de versnipperde aanpak van onlusten in de hoofdstad van Europa valt in het buitenland niet meer uit te leggen.

Hebben we hier toch ook niet te maken met een bredere maatschappelijke problematiek, van jongeren die zich niet thuis voelen in onze samenleving? Ongetwijfeld. Maar in eerste orde dienen ook voor deze groep onze maatschappelijke spelregels, zoals respect voor medemens en elkaars eigendom, in alle duidelijkheid te worden bevestigd. Daarnaast is een diepere reflectie passend. Van waar komt dit geweld? Uit welke frustratie? Krijgen deze jongeren zelf voldoende respect en kansen in onze samenleving?

Er worden wel degelijk inspanningen geleverd om jongeren met een moeilijke sociaaleconomische achtergrond kansen te geven. Maar het is niet voldoende om alle sociale achterstelling en frustratie uit de wereld te helpen.

Het antwoord is genuanceerd. Kansen krijgen begint in het onderwijs. Onze overheid investeert meer dan behoorlijk in het
onderwijs in onze hoofdstad. Dat geldt zeker voor de Vlaamse Gemeenschap, dat zich niet enkel richt tot Nederlandstaligen maar eigenlijk vooral tot anderstaligen. Denk aan de school waar Romelu Lukaku zijn middelbaar afwerkte. Of de Brusselse schoolervaring van Vincent Kompany, afkomstig uit een Franstalig nest maar bewust in het Nederlands naar school geweest. Kompany is overigens het gezicht van een campagne van het Brusselse werkgelegenheidsagentschap Actiris om jongeren Nederlands te doen leren, en aldus hun kansen op een job in Vlaanderen te verhogen. Datzelfde Actiris zet de jongste jaren sterk in op begeleiding van jonge werkzoekenden. Ze krijgen binnen de vier maanden een job, stage of opleiding aangeboden. Actiris wil Brusselse langdurig werkzoekenden extra kansen geven met een premie voor bedrijven die hen rekruteren, ook in Vlaanderen. VDAB en Actiris werken goed samen om Brusselse werkzoekenden te begeleiden naar een job in Vlaanderen. Voka helpt mee, onder meer met het programma WELT om bedrijven bij te staan in werkervarings- en leertrajecten, of met het faciliteren van duaal leren.

Er worden wel degelijk inspanningen geleverd om jongeren, ook die met een moeilijke sociaaleconomische achtergrond, kansen te geven. Maar het is niet voldoende om alle sociale achterstelling en frustratie uit de wereld te helpen. De overheden dienen hier verder hun verantwoordelijkheid opnemen, beginnend in het onderwijs. Bedrijven kunnen mee de schouders zetten onder opleiding en werkervaring. Maar er blijft ook een verantwoordelijkheid van de betrokken jongeren en hun naaste familie.

Wat we zeker niet mogen doen, is de problemen van Brussel minimaliseren, de gemoederen sussen, brandjes blussen, en overgaan tot de orde van de dag. Daarmee wordt de reputatie van Brussel niet gered. Integendeel, de problemen negeren en niet structureel aanpakken, dat zou pas desastreus zijn. Ze grondig aanpakken, zou getuigen van geloof in de toekomst van Brussel, als wereldstad.

Deze opinie verscheen eerder als editoriaal in 'Ondernemers in de Brusselse metropool', editie december 2017. Lees hier het volledige magazine.