Het mobiliteitsbudget in 14 vragen en antwoorden
Via het systeem van het mobiliteitsbudget kunnen werknemers die al voldoende lang beschikken over (of in aanmerking komen voor) een bedrijfswagen, die omzetten naar een mobiliteitsbudget. Binnen dit budget kiezen ze dan voor een combinatie van vervoermiddelen die hen het vlotst en op de meest milieuvriendelijke manier op het werk krijgt. Vanaf 1 januari 2024 gelden vaste formules voor het berekenen van het bedrag van het mobiliteitsbudget.
Aan de
slag
Ben ik als werkgever verplicht om het mobiliteitsbudget in te voeren?
Ja.
Vanaf 1 januari 2027 moeten grote bedrijven (minstens 50 werknemers) het mobiliteitsbudget verplicht aanbieden aan werknemers die recht hebben op een bedrijfswagen.
Vanaf 1 januari 2028 moeten ondernemingen met 15 tot 49 werknemers het mobiliteitsbudget verplicht aanbieden aan werknemers die recht hebben op een bedrijfswagen.
De volgende werkgevers zijn niet verplicht een mobiliteitsbudget aan te bieden:
- de werkgever met minder dan 15 werknemers.
- de werkgever die een beroep doet op een informatie- en raadplegingsprocedure met betrekking tot collectief ontslag met sluiting van onderneming;
- de werkgever die een onderneming in moeilijkheden is;
Geldt het mobiliteitsbudget onvoorwaardelijk voor alle werknemers?
Neen.
Op dit moment niet, maar de regering heeft wel plannen in die richting, dit werd ook zo opgenomen in het Regeerakkoord van 2025.
Is een werknemer verplicht in het systeem te stappen?
Neen.
Wanneer de werknemer behoort tot de categorie van werknemers die kunnen instappen in het systeem, is de werknemer vrij om te beslissen om al dan niet in te gaan op dit aanbod.
Een werknemer kan met andere woorden nooit verplicht worden de bedrijfswagen in te leveren in ruil voor het mobiliteitsbudget.
Kan elke werknemer instappen in het mobiliteitsbudget?
De werkgever kan momenteel enkel een mobiliteitsbudget toekennen aan werknemers die effectief over een bedrijfswagen beschikken of er voor in aanmerking komen.
Komen in aanmerking voor een bedrijfswagen: werknemers die deel uitmaken van een functiecategorie waarvoor het bedrijfswagenbeleid van de werkgever in een bedrijfswagen voorziet.
Het bedrijfswagenbeleid definieert men als “de door de werkgever vastgelegde voorschriften met betrekking tot de toekenningsvoorwaarden en het gebruik van de bedrijfswagen”. Denk bijvoorbeeld aan de car policy.
Een bedrijfswagen die werd toegekend op basis van een looninruil of via een cafetariaplan, komt dus niet in aanmerking voor het mobiliteitsbudget.
Kan ik als werkgever onmiddellijk starten met het mobiliteitsbudget?
Neen.
De werkgever kan (en is vanaf 2027 ook effectief verplicht) het mobiliteitsbudget in te voeren wanneer hij gedurende 36 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de invoering van het mobiliteitsbudget één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking stelde van één of meerdere werknemers.
Deze periode van 36 maanden hoeft vanaf 2027 niet langer ‘ononderbroken’ te zijn. Dus ook de werkgever die al één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking heeft gesteld gedurende een periode van 36 maanden, maar op een onderbroken wijze, zal verplicht zijn om het mobiliteitsbudget aan te bieden.
Voor startende werkgevers die minder dan 36 maanden actief zijn, geldt deze minimumtermijn niet. Voor hen is het mobiliteitsbudget optioneel zolang de minimumtermijn van 36 maanden niet voldaan is. Wel moeten zij, indien ze besluiten om als startende werkgever het mobiliteitsbudget aan te bieden, bij de opstart van het mobiliteitsbudget minstens één of meerdere wagens ter beschikking stellen.
Kan elke werknemer onmiddellijk instappen in het mobiliteitsbudget?
Sinds 1 januari 2022 zijn de wachttermijnen voor werknemers verdwenen. Wanneer iemand door promotie in aanmerking komt voor een bedrijfswagen, kan hij meteen instappen in het mobiliteitsbudget. Men hoeft dus niet langer 12 maanden te wachten.
Hoe wordt het bedrag van het mobiliteitsbudget bepaald?
De reële jaarlijkse werkgeverskost van de bedrijfswagen die men opgeeft (of waarvoor men in aanmerking komt) bepaalt de grootte van het mobiliteitsbudget.
In deze zogenaamde Total Cost of Ownership of TCO, zit de financieringskost van de wagen vervat, maar ook alle bijhorende kosten voor brandstof, verzekeringen, de CO2-solidariteitsbijdrage, vennootschapsbelasting op niet-aftrekbare btw en niet-aftrekbare autokosten, …
Werkgevers die eigenaar zijn van de bedrijfswagen, vervangen de financieringskost door een jaarlijkse afschrijving van 20%.
De waarde van het mobiliteitsbudget (op jaarbasis) moet zich sinds 1 januari 2022 situeren tussen:
- minimaal 3.000 euro; en
- maximaal één vijfde van het totale bruto jaarloon (zoals omschreven in artikel 2 van de loonbeschermingswet) van de werknemer, met een absoluut maximum van 16.000 euro per jaar.
Door deze begrenzing in te voeren, wou men ervoor zorgen dat het bedrag van mobiliteitsbudget in verhouding zou staan tot het globale brutoloon van de werknemer.
Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd.
Sinds 1 januari 2022 mag de werkgever de kosten, verbonden aan het beroepsmatig gebruik van de bedrijfswagen, buiten beschouwing laten bij de samenstelling van het mobiliteitsbudget. Hij zal de werknemer dan wel moeten vergoeden voor de kosten van deze professionele verplaatsingen. Deze vergoeding komt bovenop het mobiliteitsbudget.
Sinds 1 januari 2024 gelden vaste formules voor het berekenen van het bedrag van het mobiliteitsbudget en voor de berekening van de bestedingen binnen pijler 1. Bovendien moet de werkgever vanaf die datum het mobiliteitsbudget verplicht in virtuele vorm ter beschikking stellen van de werknemer.
Werkgevers hebben de keuze om het budget te berekenen op basis van werkelijke kosten of op basis van forfaitaire waarden. De gekozen berekeningsmethode moet wel toegepast worden voor alle werknemers binnen de onderneming en is geldig voor een periode van drie jaar. Na afloop van die periode kan voor een andere methode gekozen worden, maar de akkoorden die al gesloten waren blijven onverminderd gelden. Een wijziging van de methode heeft dus enkel gevolgen voor nieuwe instappers. Denk dus goed na vooraleer je een keuze maakt, want je kan niet vlot switchen tussen de methodes!
Wanneer je als werkgever geen keuze maakt, dan geldt de berekening op basis van de werkelijke kosten. Het blijft ook mogelijk om de gegevens van een referentiewagen te gebruiken die geldt voor de functiecategorie van de werknemer, mits dit toegepast wordt voor alle werknemers met een bedrijfswagen.
De berekeningsmethode op basis van de forfaitaire waarden geeft sneller transparantie, omdat meteen duidelijk is welk bedrag in pijler 2 kan besteed worden en welk bedrag in pijler 3 kan verwacht worden. De forfaitaire methode bestaat voor een gehuurd of geleased voertuig uit een vaste en een variabele component, waarbij de variabele component verbonden is aan het verbruik en de afgelegde afstand.
Het aanbod aan mobiliteitsopties binnen het mobiliteitsbudget is ingedeeld in 3 pijlers:
- Pijler 1: een milieuvriendelijke bedrijfswagen
- Pijler 2: duurzame vervoermiddelen en huisvestingskosten voor wie binnen een straal van 10 km van het werk woont
- Pijler 3: resterend saldo na bestedingen in pijler 1 en/of 2 dat de werknemer kan ontvangen
Voor gedetailleerde informatie over de berekeningsmethoden, neem je best contact op met je sociaal secretariaat.
Ligt de grootte van het mobiliteitsbudget voor eens en altijd vast?
Neen.
Het mobiliteitsbudget is geen statisch gegeven. Een promotie of demotie, waardoor een werknemer in een hogere of lagere wagencategorie terecht komt, beïnvloedt de grootte van het budget in positieve of negatieve zin.
Het mobiliteitsbudget is niet onderworpen aan een verplichte indexering. Maar de werkgever kan wel een eigen indexmechanisme op poten zetten. Het resultaat van zo'n bedrijfseigen aanpassing mag nooit hoger zijn dan wanneer men het mobiliteitsbudget gewoon volgens de sectorale loonindex zou aanpassen.
Waaraan kan men het mobiliteitsbudget spenderen?
Werknemers kunnen het mobiliteitsbudget besteden in 3 pijlers met elk een eigen sociale en fiscale behandeling.
Pijler 1: milieuvriendelijke bedrijfswagen
De bedrijfswagen kan deel blijven uitmaken van het mobiliteitsbudget. Maar niet elke wagen komt in aanmerking.
De wagen die men binnen deze pijler kiest, moet milieuvriendelijk zijn.
Milieuvriendelijke wagens zijn elektrische wagens OF wagens die gelijktijdig beantwoorden aan volgende voorwaarden:
- een CO2-uitstoot hebben van max. 95 gr/km;
- de emissienorm voor luchtverontreinigende stoffen moet ten minste overeenstemmen met de geldende norm voor nieuwe voertuigen;
- wanneer het een oplaadbare hybride wagen betreft, moet de capaciteit van de elektrische batterij minstens gelijk zijn aan 0,5 kWh per 100 kg wagengewicht;
- minstens even milieuvriendelijk zijn als de wagen die aan de basis lag van het mobiliteitsbudget.
Vanaf 1 januari 2026 zal men binnen het mobiliteitsbudget enkel kunnen kiezen voor een wagen die helemaal geen CO2 uitstoot.
De wagen die de werknemer binnen deze pijler kiest, ondergaat dezelfde sociale en fiscale behandeling als de "gewone" bedrijfswagen. De werkgever is inzake RSZ een CO2-solidariteitsbijdrage verschuldigd. Voor de werknemer ontstaat een belastbaar voordeel van alle aard. Auto- en brandstofkosten zijn aftrekbaar in de vennootschapsbelasting. De aftrekbaarheid wordt bepaald door een formule waarin brandstoftype en reële CO2-uitstoot een belangrijke rol spelen.
Pijler 2: Duurzame mobiliteit
Elke besteding die de werknemer binnen deze pijler maakt, is volledig vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing.
Vanaf 1 januari 2022 zal elke werkgever minstens een aanbod moeten doen binnen deze pijler.
Zachte mobiliteit
Hieronder vallen de aankoop, huur, leasing, de financiering en het onderhoud van:
• volgende modi met maximale snelheid van 45 km/uur:
o rijwielen: ongeacht het type van fiets dus gewone stadsfiets, e-bike, speed pedelec, bakfiets, mountainbike, enz.
o voortbewegingstoestellen: monowheel, hooverboard, elektrische step, enz.
o bromfietsen.
• motorfietsen die uitsluitend elektrisch aangedreven zijn.
De werknemer kan ook de uitrusting die de veiligheid en zichtbaarheid verhoogt van zichzelf en de eventuele passagier via het mobiliteitsbudget financieren.
Ook de kosten voor stalling van fietsen e.d. komen voortaan in aanmerking.
Openbaar vervoer
Met het mobiliteitsbudget kan de werknemer zowel abonnementen als vervoersbewijzen financieren.
Abonnementen moeten niet langer betrekking hebben op het woon-werkverkeer van de werknemer. Vanaf 1 januari 2022 komen ook abonnementen voor de inwonende gezinsleden in aanmerking.
Losse tickets voor het openbaar vervoer kunnen zuiver privé gebruikt worden door de werknemer en zijn gezin. En dit niet alleen voor reizen binnen België maar binnen de ganse Europese Economische Ruimte.
Men kijkt niet alleen naar de officiële aanbieders van openbaar vervoer. Ook andere initiatieven, zoals de waterbus, vallen hieronder.
Parkeerkosten die gepaard gaan met het gebruik van het openbaar komen voortaan ook in aanmerking.
Georganiseerd gemeenschappelijk vervoer
Georganiseerd gemeenschappelijk vervoer is niet noodzakelijk door de werkgever georganiseerd, maar kan ook via een groep van werkgevers verlopen of zelfs via derden.
Zo kan de werknemer met zijn mobiliteitsbudget ook verplaatsingen met de kantoorbus financieren.
Gedeeld vervoer
Deze rubriek omvat alle mogelijke vormen van gedeeld vervoer, zoals deelfietsen, -auto's, -scooters, -steps, … Ongeacht of ze toebehoren aan een vloot dan wel aan een particulier.
Ook het gebruik van een taxi of de huur van wagen met chauffeur (Uber) valt hieronder. Wel is vereist dat beiden in orde zijn met de regelgeving die op hen van toepassing is.
Tot slot kan men ook de huur van een wagen (zonder chauffeur) voor maximaal 30 kalenderdagen financieren met het mobiliteitsbudget. Dit kan handig zijn wanneer men met het gezin op vakantie wil gaan met de wagen.
Sinds 1 januari 2026 mag ook dit gedeeld vervoer geen CO2 meer uitstoten om nog een plaats te krijgen in pijler 2. Enkel voor taxi’s geldt deze voorwaarde niet.
Huisvestingskosten
Dichtbij het werk wonen is bij uitstek een duurzame mobiliteitsoplossing.
Wie binnen een straal van 10 km van de normale plaats van tewerkstelling woont, kan het huurgeld of de hypothecaire lening (kapitaal én intresten) financieren met het mobiliteitsbudget.
Bedrijfsfiets en fietsvergoeding
Werkgevers kunnen hun fietsende pendelaars via het mobiliteitsbudget fietsen ter beschikking stellen en/of een fietsvergoeding toekennen. Hiervoor is wel een link met de woon-werkverplaatsingen vereist.
Voetgangerspremie
Wie te voet naar het werk komt, kan voor die afstand een voetgangerspremie financieren via het mobiliteitsbudget. Het maximale bedrag is gelijk aan het bedrag van de vrijgestelde fietsvergoeding (momenteel 0,37 euro per kilometer). Deze mogelijkheid wordt verder uitgebreid naar woon-werkverplaatsingen met een zgn. voortbewegingstoestel (skateboard, hooverboard, rollator, …).
Gemotoriseerde drie- en vierwielers
Elektrisch aangedreven drie- en vierwielers behoren tot de lijst van voortbewegingstoestellen.
De driewielers moeten geschikt zijn voor personenvervoer. De vierwielers moeten bovendien beschikken over een gesloten passagiersruimte.
Deze voertuigen kunnen de concurrentie aangaan met een motorfiets of wagen. Ze zijn geschikt voor personenvervoer en halen een snelheid van meer dan 45 km/uur.
Pijler 3: cash
Op het einde van elk kalenderjaar gebeurt een afrekening.
Het deel van het mobiliteitsbudget dat de werknemer niet gebruikte voor de financiering van een milieuvriendelijke bedrijfswagen (pijler 1) en/of duurzame mobiliteitsmodi (pijler 2), moet hem één keer per jaar in geld uitbetaald worden. En dit uiterlijk samen met het loon van januari van het daaropvolgende jaar.
Het gedeelte in cash is geen zuiver netto-gegeven. De uitbetaling gebeurt na aftrek van de bijzondere werknemersbijdrage inzake sociale zekerheid van 38,07%.
Ter compensatie van de hoge prijs die de werknemer hiervoor moet "betalen”, zal het saldo opgenomen worden in de berekeningsbasis voor de ziekte- en werkloosheidsuitkering én meetellen voor pensioenopbouw.
Het is wel vrij van belastingen. Voor de werknemer is het saldo in cash een vrijgesteld sociaal voordeel. Voor de werkgever vormt het een aftrekbare beroepskost.
Moet ik alle voordelen van de 2e pijler aanbieden?
Neen.
Maar sinds 1 januari 2022 moet je wel minstens één aanbod doen binnen deze pijler. Dit geldt ook voor wie al eerder een mobiliteitsbudget invoerde.
Een werkgever kan zelf kiezen welke voordelen hij al dan niet aanbiedt, rekening houdend met het eigen mobiliteitsbeleid en de mobiliteitsbehoeften van zijn werknemers.
Bovendien kan de werkgever ook rekening houden met de administratieve beheersbaarheid van de mobiliteitskeuzes.
Moet een werknemer het mobiliteitsbudget in alle pijlers besteden?
Neen.
Een werknemer kan vrij kiezen binnen welke pijler hij zijn mobiliteitsbudget wil aanwenden. In het meest extreme geval kiest de werknemer ervoor om zijn mobiliteitsbudget volledig cash te laten uitbetalen. Hij moet daar dan wel een hoge prijs voor betalen, onder de vorm van de bijzondere werknemersbijdrage van 38,07%.
Wie een bedrijfswagen nodig heeft voor de uitoefening van de job, zal vanaf 2027 in principe wel verplicht kunnen worden om een bedrijfswagen te kiezen in pijler 1, als de ontwerpwetgeving die momenteel voorligt in zijn huidige vorm gepubliceerd wordt. Dus onder voorbehoud van wijzigingen aan de ontwerpteksten.
Is het recht op het mobiliteitsbudget van onbepaalde duur?
Neen.
De toekenning van het mobiliteitsbudget eindigt uiterlijk de eerste dag van de maand waarin de werknemer:
- een functie uitoefent waarvoor geen recht op een bedrijfswagen voorzien is in het loonbeleid van de werkgever;
- terug over een andere bedrijfswagen beschikt dan de milieuvriendelijke wagen gekozen in de eerste pijler. (De werkgever is immers nog steeds niet verplicht om effectief pijler 1 aan te bieden. Stel dat er bv. geen profielen zijn die de werkgever wil verplichten om een pijler 1 wagen te nemen, dan kan de werkgever kiezen enkel pijler 2 en 3 op te nemen in het aanbod. Iemand die dan zijn wagen heeft ingeleverd en plots toch terug een wagen wil, zal dan onder deze voorwaarde vallen en zal niet meer in het mobiliteitsbudget vallen dan.)
Wordt het mobiliteitsbudget toegekend bij langdurige afwezigheid?
De werknemer heeft inzake het mobiliteitsbudget enkel recht op:
- de terbeschikkingstelling ervan door de werkgever;
- een behandeling die gelijk is aan de behandeling van het voordeel van het privégebruik van de bedrijfswagen.
Dit betekent onder meer dat een werknemer het recht op het mobiliteitsbudget behoudt gedurende afwezigheidsperioden gedekt door gewaarborgd loon.
Ruimere rechten die zouden bestaan op sector- of ondernemingsvlak inzake behoud bedrijfswagen (bijvoorbeeld bij langdurige schorsing arbeidsovereenkomst) moet men ook doortrekken naar het mobiliteitsbudget.


