Skip to main content

We zijn er nog niet

  • 26/01/2018

De federale regering is erin geslaagd de eigen doelstelling rond het afbouwen van de loonhandicap te halen. Dat dankt ze vooral aan haar eigen beleid en aan de Saudi’s. Toch is het werk allesbehalve af, want er blijft een handicap van 10-12% over. Daarnaast blijft het loonmechanisme kwetsbaar voor internationale schokken. Dat schrijft Stijn Decock, hoofdeconoom van Voka.

Het wegwerkeLoonkosthandicap berekenenn van de loonhandicap was een van de grote prioriteiten van de regering-Michel. Ze mag die nu als ‘gehaald’ aanvinken. Tenminste als je de gemakkelijke definitie van deze regering hanteert. De horde, waarover moest gesprongen worden, was het wegwerken van de loonhandicap sinds 1996. Het gemiddelde Vlaamse bedrijf dat blootgesteld wordt aan buitenlandse concurrentie daarentegen zal dat toch nog anders ervaren. Als zij hun berekeningen maken zullen ze vaststellen dat hun Belgische personeel gemiddeld nog altijd minstens 10% duurder is dan in de drie buurlanden.

De begripsverwarring zit in het ijkpunt van 1996. Ook in de jaren 90 (net zoals in de jaren 60, 70 en 80) had dit land een loonkostenprobleem. Om daar paal en perk aan te stellen bedacht toenmalig premier Jean-Luc Dehaene in 1996 ‘de wet ter bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen’. Die moest een verbetering zijn tegenover een reeks herstelwetten uit de jaren 80. De wet van 1996 voorzag dat de Belgische lonen niet langdurig sneller mochten stijgen dan het gemiddelde van de lonen van de drie buurlanden (Nederland, Duitsland en Frankrijk). Via de tweejaarlijkse onderhandelingen over het ‘IPA’ (Interprofessioneel Akkoord)werd de loonmarge bepaald. Dat deden de sociale partners aan de hand van berekeningen van de CRB (Centrale Raad voor het Bedrijfsleven) die de loonevolutie in de buurlanden en de inflatie in België moest inschatten. Vooral dat laatste werd stelselmatig onderschat, waardoor de lonen in België veel sneller stegen dan in de drie buurlanden.

De dodelijke cocktail voor het Belgisch concurrentievermogen ontstond in 2007. Zowat alle grondstofprijzen gingen door het dak. België, dat als enigste land een automatisch indexeringssysteem aan de inflatie kent, zag de lonen door de oplopende grondstofprijzen pijlsnel toenemen. Toen in 2008 de grote recessie uitbrak, ging in alle landen de rem op de lonen. Behalve in België, waar door de inflatie en de indexering de lonen bleven stijgen. In tijden van recessie was dat voor de Belgische bedrijven een zware dobber. Getuige de snelle daling van de private tewerkstelling in die tijd. De loonhandicap tegenover 1996 liep in 2010 op tot 4,3%.

Regering Michel versnelt proces

percentage loonkosthandicapVanaf 2013 begon het tij te keren. Saudi-Arabië zette, om de Amerikaanse schaalolieboeren een hak te zetten, de oliekraan open, waardoor heel wat grondstofprijzen daalden. Hierdoor zakten de inflatie en het tempo van de indexeringen in België. Bovendien had het Duits bedrijfsleven de grote recessie goed doorstaan en was het opnieuw tijd voor loonstijgingen voor de naarstige Oosterburen. De regering-Michel versnelde dit proces door in 2014 een indexsprong door te voeren (waardoor de lonen 2% minder snel stegen dan in de buurlanden) en een taxshift, die zo’n 1%-punt van de loonhandicap aftopte. Hierdoor was volgens de CRB de loonhandicap eind 2016 quasi (op 0,6% na) volledig weggewerkt.

Maar hiermee is de kous helemaal niet af. Er blijft nog een zeer grote handicap tussen de 10% en 12% die België al decennia meesleept. Want toen Dehaene zijn wet in 1996 indiende, werd geen rekening gehouden met de bestaande historische handicap, die op zo’n 10 à 12% werd geschat. Die bestaat nu nog.

Het is belangrijk te weten waar dat cijfer vandaan komt. De absolute loonhandicap juist berekenen is niet zo gemakkelijk. De CRB berekent bijvoorbeeld enkel de evoluties van de lonen in de buurlanden (wat een eenvoudigere oefening is). Het probleem zit vooreerst in wat je met wat gaat vergelijken. Ga je het gemiddelde nemen van alle lonen in een land? Dat is niet zo relevant voor onze bedrijven. Het maakt voor een Vlaamse KMO niet zoveel uit dat een Oost-Duitse caissière in de Aldi van een grensdorp met Polen 40% minder verdient dan de caissière in de Aldi van Brasschaat. Het is vooral belangrijk de verschillen in kaart te brengen in sectoren die blootgesteld worden aan buitenlandse concurrentie.

Loonhandicap op 16,5% geschat in 2010

De laatste grote oefening om de absolute handicap in kaart te brengen is die van de expertengroep ‘Concurrentievermogen en werkgelegenheid’ in 2013. De berekening werd gemaakt aan de hand van cijfers van 2010. In dat jaar bedroeg de gemiddelde loonkosthandicap van het (niet-gewogen) gemiddelde en niet gecorrigeerd voor productiviteitsverschillen (wat tot discussie met de vakbonden leidde) van 21 sectoren 16,5%. Dat is het cijfer waaruit de werkgeversorganisaties nog altijd vertrekken om de absolute handicap te berekenen.

Die grote handicap blijft een probleem voor het bedrijfsleven. Een loonhandicap van 12% betekent dat een bedrijf voor wie de loonkost 40% van de verkoopkost bedraagt, zijn product in het buitenland meer dan 4% duurder moet verkopen. Wat in deze tijden van extreme prijsvergelijkingen dodelijk kan zijn om dat product verkocht te krijgen.

De grote boosdoener in het loonverschil is niet zozeer dat de nettolonen hoger liggen dan in de buurlanden, maar wel dat de lasten op arbeid veel hoger zijn. In België zit je bijzonder snel in de hoogste belastingschijf. In België betaal je al vanaf een bruto jaarloon van 38.000 euro 50% belastingen. Het gemiddelde jaarloon in België ligt onder de 38.000 euro. In Zweden bijvoorbeeld wordt de hoogste belastingschijf pas vanaf 66.000 euro gehanteerd. Daarnaast is ook de socialezekerheidsbijdrage niet geplafonneerd, wat in de meeste andere landen wel het geval is. Dat maakt dat een geschoolde arbeider in een exporterend bedrijf nog altijd makkelijk 10-15% duurder is dan een gelijkaardige arbeider in eenzelfde soort bedrijf in een van de buurlanden. En dat die Belgische arbeider, ondanks zijn hoge kost, netto niet meer overhoudt dan zijn buitenlandse collega’s.

Het werk is dus absoluut nog niet af. Deze en volgende regeringen moeten nog twee grote werven opzetten rond de loonkosten. Vooreerst moet de absolute handicap van 12% verder afgebouwd worden. Dat via verdere loonmatiging en belastinghervormingen. Ten tweede voldoet de wet van 1996 nog altijd niet. Deze regering heeft weliswaar de wet verstrengd en scherper gemaakt, het systeem is nog altijd niet opgewassen tegen jaren van crisis gecombineerd met stijgende grondstofprijzen (zoals de periode rond 2008). Want dan zal door de automatische loonindexering het concurrentievermogen weer pijlsnel kelderen.

Het zijn dus gemengde gevoelens die we overhouden bij het bericht van deze week. Ja, het is goed dat de regering de handicap van 4% heeft afgebouwd en dat is ten dele te danken aan haar eigen beleid. Neen, we zijn er nog steeds niet want de absolute handicap blijft groot en we hebben nog altijd geen waterdichte garanties dat de handicap niet opnieuw snel kan oplopen.

Contactpersoon

IMU - Sport Vlaanderen
VZW_IMU_GROUPS
IMU - Altez 0110
ING
SD  Worx