Skip to main content
  • Home
  • Nieuws
  • Hoge loonkosten nog altijd een probleem voor klassieke arbeid
Een te hoge loonkost
  • 20/02/2018

Hoge loonkosten nog altijd een probleem voor klassieke arbeid

Professor Gert Peersman relativeert het probleem van de historische loonhandicap in De Standaard. Hij ziet enkel een probleem voor laagproductieve arbeid waar in België door de hoge opgelegde lonen te weinig vraag naar is. Hiermee verengt hij het loonkostenprobleem teveel. Dat schrijft Stijn Decock, Hoofdeconoom van Voka.

De gereputeerdLoonkost te hooge economieprofessor betoogt in zijn column ‘Van kapitaal belang’ dat zaken als de indexsprong of de historische loonhandicap na enkele jaren worden afgevlakt. Er was een loonhandicap van 6% die is opgebouwd tussen 2005 en 2010. Die was zoals Peersman terecht opmerkt, dodelijk voor het concurrentievermogen van België. Dankzij het beleid van Di Rupo I en vooral Michel I (oa indexsprong) is die handicap weggewerkt en is er geen loonprobleem meer voor de doorsnee werknemers in België.

Peersman gaat ervan uit dat de historische loonhandicap van 10%, opgebouwd voor 1996, niet meer bestaat. Die handicap is weggewerkt doordat in België enkel de meest productieve activiteiten zijn overgebleven. Dat klopt ten dele, maar dat is wel geen argument om te zeggen dat er geen loonhandicapprobleem (voor normale activiteiten) meer is.

Het feit blijft namelijk dat België arbeid veel harder belast dan in de buurlanden. Zeker geschoolde arbeid wordt door de zeer snelle progressiviteit van de belastingschalen heel hard belast. In België zit je vanaf een jaarlijks brutoloon van 38.000 euro al in de hoogste belastinggschijf van 50%, in andere landen is dat meestal van 60.000 euro en meer. Ook sociale zekerheidsbijdragen worden niet vanaf een bepaald bedrag afgetopt, zoals in zowat alle andere landen. Dat maakt dat een arbeider voor eenzelfde nettoloon als in het buurland, het bedrijf in België makkelijk 10 tot 15% meer kost.

Inroepen dat productiviteitverschillen die belastingkloof met de buurlanden dichten is een gevaarlijke redenering. Het veronderstelt bijna dat Belgische arbeiders over sterkere productiviteitsgenen beschikken dan de Nederlanders, Fransen of Duitsers. Dat ook voor nieuwe activiteiten Belgen, dankzij hun unieke biologische eigenschappen, automatisch 10% productiever zijn dan de buren.

Ik kan me vergissen, maar ik vrees dat we die eigenschappen niet hebben. Als een bedrijf de keuze heeft om zijn productievestiging in België of Nederland uit te breiden met dezelfde (in technologische termen) productielijn, dan zal hij in Nederland dankzij lagere belastingen op arbeid, goedkoper af zijn. En krijgt Nederland die lijn.

Het productiviteitsargument klopt dus enkel voor kapitaalintensieve activiteiten die al lang in België aanwezig zijn en waarbij de loonkost maar een beperkt deel van de omzet uitmaakt. Maar het geldt niet voor nieuwe activiteiten of voor uitbreidings- en vervangingsinvesteringen. Het is het beeld dat we zagen bij enkele grote bedrijven het voorbije decennia. Ford, GM, Caterpillar… grepen jaar na jaar naast enkele investeringen of interessante nieuwe productiemodellen. Die gingen naar goedkopere buitenlandse vestigingen (zelfs in buurlanden). Wanneer het dan voor het moederconcern economisch tegenzat, gingen de Belgische vestigingen als eerste dicht, met groot jobverlies tot resultaat.

Het bedrijfsleven zit in een belangrijke transitieperiode. Auto’s worden de komende decennia elektrisch, chemie wordt deels biobased, maakindustrie deels 3D… Als we willen dat we die producten morgen ook vanuit Vlaanderen blijven maken, dan moeten we zorgen dat we concurrentieel zijn voor investeerders. En er dus voor zorgen dat arbeid bij ons niet gemiddeld 10% duurder is dan in de buurlanden.

Stijn Decock - Hoofdeconoom Voka - stijn.decock@voka.be

Contactpersoon

ING
SD Worx