Skip to main content
  • Home
  • Nieuws
  • COLUMN - Lonen stijgen 4,6% in 2019-2020
Bart Van Craeynest
  • 18/01/2019

COLUMN - Lonen stijgen 4,6% in 2019-2020

De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven publiceerde deze week haar rapport over de beschikbare marge voor de loonstijging in de komende twee jaar. Het cijfer dat daarbij het meest opgepikt werd, was de 0,8% maximale ruimte voor loonstijging in 2019-2020. Daarbij wordt nogal vlot voorbij gegaan aan de indexering die voor die periode geraamd wordt op 3,8%. In zowat alle andere landen gebeuren de loononderhandelingen over het volledige pakket. In België wordt de loonindexering automatisch toegekend, waardoor enkel onderhandeld wordt over de reële marge (d.w.z. de loonstijging bovenop de inflatie). Maar de totale ruimte voor loonstijging omvat wel die reële marge en de indexering. Voor 2019-2020 komt dat uit op een loonstijging met 4,6%. Dat schrijf Bart Van Craeynest, hoofdeconoom van Voka. 

Bart Van Craeynest
© Dann

Als één van de meest open economieën ter wereld is de Belgische economie zeer gevoelig voor schommelingen in haar concurrentiepositie. En de loonontwikkeling is daarin een belangrijke factor. Daarom proberen we al lang onze loonontwikkeling af te stemmen op die van onze handelspartners, met wisselend succes. Sinds 1996 gebeurt die afstemming ten opzichte van de buurlanden, veruit onze belangrijkste handelspartners. Dat vastleggen van de loonmarge gebeurt uiteraard op basis van vooruitzichten, en die blijken achteraf niet altijd perfect overeen te komen met de realiteit. Probleem daarbij was dat die afwijkingen in het verleden vooral in het nadeel van de Belgische concurrentiepositie uitdraaiden. Vooral de inflatie kwam vaak hoger uit dan verwacht, wat via de automatische loonindexering de lonen in ons land hoger duwde dan in de buurlanden. Dat resulteerde tegen 2010 bijvoorbeeld in een opgebouwde loonhandicap van 5,4% in vergelijking met 1996. Dat kwam bovenop de historische handicap die voor 1996 al opgebouwd was. 

In 2017 paste de regering Michel de wet van 1996 aan. Daardoor wordt nu gewerkt met een correctie- en een veiligheidsmarge. Die eerste dient om de eerdere loonhandicap weg te werken, de tweede om een buffer te hebben voor eventuele inschattingsfouten in de gebruikte vooruitzichten. Als die veiligheidsmarge achteraf niet nodig blijkt, wordt die meegenomen naar de volgende loononderhandelingen. Met het oog op het vrijwaren van onze concurrentiepositie is dat een gezondere manier van werken dan het oude systeem.

De zwakke schakel in dit proces blijft het automatische indexeringsmechanisme, waarmee we afwijken van de manier waarop de lonen in onze handelspartners bepaald worden. Op die manier zorgt een verhoging van de indirecte belastingen of een onverwachte stijging van de grondstoffenprijzen voor een snellere stijging van de lonen in ons land in vergelijking met de buurlanden. Om die verslechtering van de concurrentiepositie vervolgens te corrigeren, moet dan achteraf ingegrepen worden met maatregelen die moeilijk liggen zoals een indexsprong. Vanuit die hoek blijft er ook met de aangepaste procedure voor de loonvorming een risico op een loonkostenontsporing.

Ten slotte dreigt de reële marge van 0,8% ook meegenomen te worden in de misleidende slogans rond de koopkracht. Zo kondigde het ABVV voor begin februari alvast een betoging aan voor meer koopkracht. Reële lonen zijn inderdaad een belangrijke factor voor de koopkracht, maar zeker niet de enige. Ook de extra jobs en de belastingverlagingen die er nog aankomen, zorgen voor extra koopkracht. Zo levert de taxshift volgens ramingen van de NBB in 2019 een stijging van het gemiddelde inkomen met 0,5% op. Volgens alle beschikbare indicatoren gaat het met de koopkracht duidelijk de goeie richting uit. 

VZW - NBN
VZW - vGD
ING
SD Worx