Bodem: waterbodem

22/11/2017

In november 2016 stelde OVAM voor dat bedrijven met bepaalde risico-activiteiten, die lozen of geloosd hebben in het oppervlaktewater, in de toekomst zelf een onderzoek van de waterbodem moeten (laten) uitvoeren. Momenteel legt het bodemdecreet deze verplichting bij de beheerder van de waterloop en moeten bedrijven enkel een onderzoek uitvoeren indien dit relevant geacht wordt door de bodemsaneringsdeskundige.

Dit initiatief van OVAM komt voort uit de Europese kaderrichtlijnwater: die stelt dat alle lidstaten tegen ten laatste 2027 een goede toestand van het watersysteem moeten bereiken; vervuilde waterbodems kunnen echter de verbetering van de waterkwaliteit en het ecologisch herstel van de waterloop en omringende oevers verhinderen.

Sinds 2006 is dan ook een specifieke regeling voor de aanpak van vervuilde waterbodems ingevoerd in het bodemdecreet. Deze Bodemdecreetregeling werd in het leven geroepen omdat bij een vervuilde waterbodem niet altijd kan vastgesteld worden wat of wie precies de oorzaak van de vervuiling is. Dit komt omdat verschillende bronnen, zowel diffuse bronnen (landbouw, gebouwen, verkeer, atmosferische depositie) als goed gekende puntbronnen (industriële lozingen, lozingen van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur) aan de basis kunnen liggen van een waterbodemverontreiniging.

OVAM heeft de laatste jaren enkele waterbodemonderzoeken uitgevoerd. Hieruit wordt nu geconcludeerd dat de verontreiniging van de waterbodem toch meer toewijsbaar is dan gedacht indien hotspotactiviteiten rond de waterloop aanwezig zijn. Met hotspotactiviteiten worden industriële risico-activiteiten bedoeld, die potentieel een waterbodemverontreiniging kunnen veroorzaken bij lozingen in het oppervlaktewater. Het gaat vaak over oude, erg vervuilende industriële activiteiten, maar ook huidige risicoactiviteiten vallen hieronder.

OVAM wenst daarom, via het Oriënterend bodemonderzoek (OBO), bedrijven, met een activiteit die voorkomt op deze hotspotlijst, waarbij geloosd wordt of werd in het oppervlaktewater, toch te verplichten om een uitspraak te doen over de waterbodem. Dit houdt in dat bedrijven op verschillende tijdstippen informatie zouden moeten verzamelen over de kwaliteit van de waterbodem van een stukje van de waterloop.

Voka heeft ernstige vragen bij dit voorstel. Hoe zal de toewijsbaarheid van een waterbodemverontreiniging gebeuren indien meerdere bedrijven lozen op één en dezelfde waterloop en er ook nog diffuse bronnen aanwezig zijn? Zeker als die waterloop dan ook nog onderhevig is aan getijdenwerking, baggerwerken enz.? Bedrijven zouden dan moeten aantonen welk aandeel ze zelf hebben veroorzaakt en welk aandeel van andere (diffuse) bronnen of voormalige historische activiteiten afkomstig is. Dat is gewoonweg onmogelijk en deze aanpak zal dus zijn doel missen. Saneren van een stuk van de waterloop heeft enkel maar zin indien de waterloop stroomopwaarts niet verontreinigd is. Anders zal het gesaneerde stuk op termijn terug verontreinigd worden door vervuiling van stroomopwaarts van de waterloop. Dit zal dus leiden tot een zinloos verspillen van middelen en slechts in beperkte mate bijdragen tot een beter milieu. Met betrekking tot het luik aansprakelijkheid vindt Voka het zeker geen evidentie dat bedrijven die conform hun lozingsvergunning geloosd hebben, zonder meer aansprakelijk kunnen gesteld worden voor een waterbodemverontreiniging.

Er moet daarom volgens Voka, zoals het bodemdecreet vandaag voorziet, verder ingezet worden op de meest verontreinigde waterbodems met een bewezen negatieve impact op de waterkwaliteit en bijhorende ecosystemen. Op die manier worden milieuproblemen aangepakt op de plaats waar dit het meest noodzakelijk is en de milieuwinst het grootst zal zijn. 

Ellen Vanassche - Adviseur Milieu en Klimaat - ellen.vanassche@voka.be - 0479 26 96 72