Offshore-industrie

28/02/2017

De sector van de blue growth heeft een sterk groeipotentieel, met heel wat mogelijkheden op vlak van energie, aquacultuur, kustbescherming, transport, enz. Aangezien er in de regio Oostende al heel wat topbedrijven en kennisinstellingen actief zijn, pleit Voka voor de verankering van een sterke “blauwe” cluster in Oostende. Die cluster kan bijdragen tot de creatie van nieuwe, innovatieve start-ups in de regio en moet bijdragen aan de groei van de kmo’s die actief zijn in de mariene en maritieme sector.

De offshore-industrie biedt enorm veel lange termijn opportuniteiten aan tal van toeleveranciers in de regio. Het is dan ook belangrijk om het draagvlak uit te breiden en te bestendigen voor de toekomst. Niet alleen is deze energievorm erg hard nodig als we de voorwaarden van het klimaatpact 2020 willen halen, bovendien biedt de industrie veel werkgelegenheid en bouwen we knowhow op. Knowhow waarmee we een stap voor zijn op onze omringende landen en die we kunnen exporteren. Voka West-Vlaanderen is dan ook sterk voorstander van de uitbouw van de GreenBridge-campus in Oostende, onder impuls van Universiteit Gent. Daardoor kan de campus uitgroeien tot een “Blue Valley” waarin kennisontwikkeling en valorisatie gekoppeld aan de zee door de UGent gedreven worden.

“Voka is zich ervan bewust dat de kostenefficiëntie van de transitie naar duurzame energie moet worden bewaakt”, vindt algemeen directeur Bert Mons. “Dat is noodzakelijk voor alle afnemers. De Belgische overheid zal dus veel doordachter moeten werken inzake tenders, studies, timing,… zodat men kostenbesparingen kan realiseren die finaal ten goede komen van de producent en de consument. Maar we moeten er ook op toezien dat we voldoende ontwikkelingskansen blijven behouden voor de Belgische windindustrie. Investeren in offshore windenergie is eveneens investeren in een koolstofneutrale en veilige energieopwekking, met bijkomende voordelen van jobcreatie en ontwikkeling van een nieuwe industriële activiteit in de maritieme en energiesector. Bovendien is windenergie onmisbaar geworden voor het Belgische klimaatbeleid en voor onze energiebevoorradingszekerheid.”  

 

Hoeveel kosten de Belgische windmolenparken?

Voka West-Vlaanderen en BOC (Belgian Offshore Cluster), de vereniging die de Belgische toeleveranciers van de offshore-industrie samenbrengt, betreuren de soms ongenuanceerde berichtgeving over de Belgische windmolenparken op zee. De verschillen tussen de Belgische en de Nederlandse steunverlening voor de windmolenparken wordt onvoldoende benadrukt. Daardoor lijkt het alsof de Belgische windmolenparken dubbel zoveel kosten als de Nederlandse, maar dat klopt niet.

De media baseren zich voor hun berekeningen op een studie van de CREG, de federale energieregulator. Die vergeleek de Belgische steun met de recente bieding voor de Nederlandse windmolenparken Borssele, vlak naast de Belgische parken. Het Deense Dong Energy zal die parken bouwen voor een gegarandeerde energieprijs van 72,70 euro, terwijl België voor de nieuwe parken van Rentel en Norther (in uitvoering)  een prijs tussen de 124 en 130 euro per megawattuur garandeert. Daardoor lijkt het alsof België 2 keer zoveel betaalt als Nederland, maar dat klopt niet.
 
“Voor het Nederlandse windmolenpark Gemini dat momenteel wordt gebouwd, betaalt de Nederlandse overheid een LCOE-kost(levelized cost of energy)van 165 euro. Omgerekend naar Belgische omstandigheden (19-jarige concessie) komt dat neer  op een prijs van 123,5 euro per MWh. Dat is bijna identiek aan de Belgische steunverlening van 124 euro per MWh. De Belgische parken situeren zich qua steunverlening op het Europese gemiddelde. Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk betalen zelfs meer”, benadrukt Christophe Dhaene, voorzitter van BOC. “Er is dus geen sprake van oversubsidiëring, maar het klopt dat er door het Deense Dong Energy een dalende trend is ingezet. Dat opent perspectieven voor de windmolenparken die nog moeten worden gebouwd. Dankzij de pioniersrol die België heeft gespeeld in de ontwikkeling van de parken, hopen we straks met onze bedrijven in het toppeloton mee te rijden bij de wereldwijde expansie van windenergie. Dat zal een mooi terugverdieneffect opleveren voor onze economie.” 

 

Kosten en risico’s zijn groter voor Belgische parken

De ondernemingen die in de Belgische parken investeren, moeten heel wat meer kosten maken en risico’s nemen. Ook de CREG beaamt dat.

  • In Nederland staat de overheid zelf in voor de voorbereidende werkzaamheden zoals zeebodemonderzoek, windstudies, meteorologische studies,... en vraagt vergunningen aan. In België duurt het ontwikkelingstraject voor een windmolenpark veel langer.
  • De netaansluiting van het park met het hoogspanningsstation wordt in Nederland door Tennet, de Nederlandse tegenhanger van Elia, uitgevoerd en onderhouden. Bovendien ontvangt de ontwikkelaar een vergoeding als de connectie niet tijdig wordt opgeleverd of als die niet beschikbaar is. Belgische windparken daarentegen moeten zelf de kabel tussen het windmolenpark en het land aanleggen en gedurende de volledige exploitatieperiode onderhouden. Zij nemen daarbij ook het volledige productie-risico op zich.
  • Er zijn ook grote verschillen in capaciteit en opbrengst van de parken. De ruimere concessieoppervlakte van Borssele garandeert een hogere energieproductie. Er zijn geen (interne) parkeffecten. In de Belgische zone staan de windmolens dichter bij elkaar. Bovendien zijn ze in diepere zones gelegen, met een kleiige bodem tussen de zandbanken.
  • Er speelt ook een timing-effect. De Borssele offshorewindmolenparken zullen pas over enkele jaren worden gebouwd, wat betekent dat de ontwikkelaars nieuwere (nog onbestaande) windturbinetechnologie kunnen inzetten die meer energie per windmolen genereert. 

 

Bart Vansevenant - stafmedewerker studiedienst - 056 24 16 57 - bart.vansevenant@voka.be