De nieuwjaarsreceptie van Voka lokte meer dan 700 Voka-leden en politici. Voorzitter Luc De Bruyckere sprak er over het Nieuw Industrieel Beleid en over een staatshervorming voor meer bestuurskracht. Lees hier de volledige toespraak.
Eerst en vooral wens ik u en uw dierbaren een gezond en gelukkig nieuw jaar toe en ik wens uw onderneming en organisaties voorspoed en succes. Moge 2011 een jaar worden van positieve verandering, een jaar waar ondanks alles plaats is voor vreugde. Een jaar waarin wat goed is voor ons leven, ons mag sturen. Een jaar waarin we meer bezig zijn met wat belangrijk is eerder dan met wat dringend is. Ik wens u voor 2011 een jaar waarin u grote en nieuwe mogelijkheden ziet en waarin we op een duurzame manier werken aan de toekomst om ze waar te maken. Bovenal wens ik ons allen de moed om de verandering te zijn die we nodig hebben.
Ik leg u enkele opmerkelijke uitspraken voor:
De eerste luidt: “Een zeer snelle reis met de trein is onmogelijk. De passagiers zouden van verstikking omkomen.” Dat zei de Londense professor Lardner, lang geleden. In 1850 om precies te zijn. Hij wist zeker dat de mogelijkheden van de toen nog relatief nieuwe spoorwegen beperkt waren.
Een tweede uitspraak is afkomstig van Charles Duet, directeur van het Amerikaans octrooibureau. In het jaar 1899 liet hij de uitspraak noteren: “Alles wat kon worden uitgevonden, is al uitgevonden.” Duet was er rotsvast van overtuigd dat de wereld toen aan het einde van zijn evolutie stond.
De derde uitspraak is van Maarschalk Ferdinand Foch, de beruchte Franse oorlogsstrateeg die zijn sporen verdiende in de Eerste Wereldoorlog. In het jaar 1911 liet hij noteren: “Vliegtuigen zijn amusante gadgets, maar zonder enig militair belang.”
Vandaag, 100 jaar later, weten we beter. We kennen de mogelijkheden van hogesnelheidstreinen, we weten dat elke dag opnieuw nieuwe dingen worden uitgevonden, we beseffen dat morgen mogelijk zal worden wat we vandaag nog voor… onmogelijk houden.
Ik trap een open deur in als ik stel dat we, naast de uitzonderlijke politieke actualiteit van vandaag waarop ik zo dadelijk iets dieper zal ingaan, meer dan ooit voor grote uitdagingen staan. Ik verwijs daarvoor vooral naar ons Voka-congres van enkele weken geleden over Wereldwijd Winnen. We hadden het over de wereldwijde herbalancering en de groeiende rol van Azië; over de dwingende noodzaak een systematische en duurzame productiviteitsconcurrentie aan te kunnen; over de wereldwijde concurrentie tussen staten en regio’s; over de noodzaak een visie te ontwikkelen en opportuniteiten aan te grijpen in de nieuwe markten van ecologie, zorgsector, vergrijzing e.a.
Ik wil graag vandaag op twee concrete en directe uitdagingen ingaan.
1. Het Nieuw Industriëel beleid in Vlaanderen ( NIB )
2. De staatshervorming voor meer bestuurskracht
1. Ondernemen, Nieuw Industrieel Beleid
Het jaar 2010 bracht ons niet alleen politieke impasse, crisissen en crisettes. Er was ook goed nieuws. Onze economie heeft het, na enkele bijzonder moeilijke jaren, toch weer wat beter gedaan. Steeds meer ondernemingen brengen hoopgevende cijfers, er zijn meer vacatures, de werkloosheid daalt en het ondernemersvertrouwen neemt langzaam maar zeker toe. Dat zijn voorzichtige, maar objectieve vaststellingen. Na de crisis van 2008 en de malaise van 2009 is vorig jaar de knik blijkbaar toch gemaakt. We knopen weer aan bij economische groei.
U hoort mij heel omzichtige termen gebruiken. Want, inderdaad, er is nog geen enkele reden tot euforie. Want uiteraard vragen we ons af hoe duurzaam die economische heropleving zal zijn. Twijfel is op zijn plaats. Zijn de problemen afdoende opgeruimd die tot de crisis in 2008 hebben geleid? Hebben we inderdaad de structurele problemen aangepakt? En hebben we werkelijk iets gedaan aan de handicaps die onze Vlaamse economie de voorbije jaren extra hebben getroffen?
Als we welvaart en welzijn willen blijven creëren in Vlaanderen, moeten we immers los komen van het kunst- en vliegwerk, het lapwerk van tijdelijke maatregelen en kiezen voor structurele oplossingen voor de structurele problemen waarmee onze ondernemingen worden geconfronteerd. We hebben, met andere woorden, nood aan een omgeving waarin het goed is om te ondernemen. Een omgeving waarin mensen weer willen winnen en waarin ondernemingen weer kunnen winnen.
Wereldwijd winnen gaat o.a. over wendbaarheid, over het vermogen om zich steeds weer aan te passen in onze snel evoluerende, wereldwijde economie. Dat vraagt ook een overheid die ondernemingen bijstaat, ondersteunt, aanmoedigt, stimuleert. Een overheid die de keuzes durft maken om haar bedrijven mee te laten spelen in de Champions League.
In de voorbije crisisperiode zijn in ons land meer vennootschappen failliet gegaan dan ooit voorheen. Bedrijven hebben gesaneerd, ondernemingen hebben afdelingen afgestoten of gedelokaliseerd. Soms hebben hele fabrieken de deuren gesloten, denken we maar aan Opel. Het is een harde werkelijkheid waarvoor we de ogen niet willen, niet mogen sluiten.
Het heeft ons aangezet om stil te staan bij een belangrijke, fundamentele vraag. We weten allemaal dat de industrie de motor bij uitstek is voor de creatie van toegevoegde waarde. We weten dat zij de bron is van innovatie. We zijn er ons van bewust dat ze een sleutel is voor internationaal ondernemen en voor werkgelegenheid. We beseffen dat duurzame welvaart in Vlaanderen zo goed als onmogelijk is zonder een competitieve, groeikrachtige industrie. Maar: heeft die industrie nog wel een toekomst in Vlaanderen?
Ik wil u vandaag niet vervelen met een overvloed aan cijfers. Toch wil ik graag met u, in vogelvlucht, heel kort de analyse maken. Waar staan we vandaag met onze industrie in onze regio? Ik maak dan even het onderscheid tussen drie deelsectoren: de grondstofintensieve industrie, de O&O-intensieve industrie, en de maakindustrie.
De grondstofintensieve industrie deed het de voorbije jaren zeer goed. De toegevoegde waarde in dit segment groeide in de periode 1995-2007 in Vlaanderen sterker dan in onze buurlanden en dan het Europese gemiddelde. Enkel Finland en Zweden deden beter. De productiviteit per medewerker bleef hier zeer hoog: we evenaren hier de goede cijfers van Nederland en van het Verenigd Koninkrijk. En de werkgelegenheid in Vlaanderen bleef in deze deeltak veel beter op peil dan in de rest van Europa.
Dat kunnen we helaas niet zeggen van de O&O-intensieve industrie. Dat is een zeer expansieve deeltak, die zowat overal een groeiende toegevoegde waarde oplevert: in Japan, in de VS, in de hele Europese Unie – met de Scandinavische landen op kop. Maar niet in Vlaanderen. Wij zien hier sinds 2000 een daling in de toegevoegde waarde. De productiviteit, die in andere Europese landen, in de VS en in Japan in stijgende lijn gaat sinds 1995, kent in Vlaanderen sinds 2004 een dalend verloop. De daling van de werkgelegenheid in Vlaanderen was in deze tak van de industrie groter dan in de meeste Europese landen. Finland, Denemarken en Luxemburg slaagden er zelfs in de werkgelegenheid in dit segment te laten groeien. Wij niet.
En ook in de maakindustrie zien we een zorgwekkend beeld: de toegevoegde waarde en de productiviteit groeien dan wel in lijn met de betere buurlanden, maar de werkgelegenheid daalt bij ons sinds 2000 tegen een ritme van 2 procent per jaar.
Samengevat: onze industrie heeft een sterke basis, maar er zijn redenen tot grote bezorgdheid. De grondstofindustrie komt onder zware druk, o.a. door de toenemende internationale verplichtingen in het kader van het klimaatbeleid. De toegevoegde waarde in de O&O-industrie blijft dalen. En de maakindustrie staat voor de uitdaging om haar bestaansreden te bevestigen, in de concurrentie met de “fabriek van de wereld”: China.
De vraag is dan uiteraard op welke manier we deze uitdaging gaan aanpakken? Ik wil hier alvast twee belangrijke elementen naar voor schuiven. We zullen maar het verschil kunnen maken als we het juiste talent hebben om onze bedrijven vooruit te helpen, en als we ons dankzij innovatie als een kennisgedreven regio kunnen profileren, met wendbare bedrijven, state-of-the-art technologie en integrale oplossingen.
Ik zei het eerder al : de toekomst begint bij de vorming van onze jeugd. Ons onderwijs moet elk talent uitdagen om ‘the best and the brightest’ te zijn. Het betekent dat we keuzes zullen moeten om ons onderwijssysteem hierop aan te passen en ook leerkrachten te vormen, die met de juiste kennis, vaardigheid en attitudes de positieve vechtlust in elk talent aanmoedigen.
Onze universiteiten moeten studenten opleiden in een internationaal competitieve omgeving. Meer dan ooit moeten deze opleidingen verder gaan dan de beheersing van het vak. Jongeren moeten het belang leren inzien van ambitie, de juiste attitude en verantwoordelijkheid.
En de uitdaging is ook om het aanwezige talent in onze ondernemingen maximaal goesting te doen krijgen om mee te werken aan de toekomst van hun bedrijf. Dit vraagt inspanningen van werkgevers, werknemers en hun vertegenwoordigers. We hebben arbeidsvoorwaarden en afspraken op maat nodig, om flexibel te kunnen inspelen op de nieuwe uitdagingen die ons wachten.
De ondernemingen die vandaag al het verschil maken, en die ondernemingen die straks wereldwijd zullen winnen, worden gekenmerkt door wendbaarheid. Ze bieden hun klanten vandaag en morgen integrale oplossingen aan, en doen dat met snelheid, de nodige schaalgrootte, en in nauwe samenwerking met leveranciers, klanten, kennisinstellingen, overheden. Soms zelfs met concurrenten. Dankzij die open innovatie en het combineren van sterktes zullen we internationale waardeketens vernieuwen. Zo kunnen we groeien vanuit Vlaanderen in de wereld!
We moeten de ambitie hebben om met uitmuntende technologie en kennis unieke business cases te ontwikkelen, die beantwoorden aan de behoeftes van vandaag en morgen. Daarom moeten we focussen op speerpuntclusters. Clusters van bedrijven, onderzoeksinstellingen en investeerders, die elkaar versterken in een dynamiek om steeds weer te innoveren.
Ja, we moeten durven kiezen. Want kiezen is winnen! We moeten het debat durven voeren – ook met alle sectoren in Vlaanderen – over de kritische succesfactoren van deze strategie. Het gaat erom dat we durven bouwen op onze bestaande sterktes, dat we sterk leiderschap krijgen van organisaties die de trekkers willen zijn, dat we ondernemingen kunnen besturen met gepaste governance structuren en last but not least: dat we focussen op een te vermarkten output op middellange termijn.
Precies om al deze uitdagingen aan te gaan, hebben we nood aan een duidelijk industrieel beleid met ondernemingsvriendelijke randvoorwaarden. Het is cruciaal dat we daar het komende jaar samen met de overheid aan een concrete invulling van de plannen werken. Zoals bekend werkt Voka, samen met Mc Kinsey en met een schare van industriële topondernemers en professoren, aan een voorstel dat we volgende week met de minister-president bespreken en dat onze inbreng is voor het witboek waaraan de Vlaamse regering werkt.
We zullen zometeen met grote belangstelling luisteren naar wat Kris Peeters, onze Minister-president, ons hierover nu al kan vertellen.
Maar eerst wil ik nog even ingaan op de politieke actualiteit.
2. Meer bestuurskracht
De voorbije dagen kreeg ik heel wat telefoons en mails van vooraanstaande Belgische ondernemers om me hun grote ongerustheid uit te drukken over wat zich de voorbije dagen, weken en maanden heeft afgespeeld.. Zij maken zich zorgen over het uitblijven van elk perspectief op een oplossing. Hun signalen moeten gehoord worden.
Zij zijn niet de enigen die zich zorgen maken bij de evolutie van de politieke toestand in dit land. Ook op de financiële markten groeit de zenuwachtigheid.
De tienjaarsrente op Belgisch staatspapier stijgt vandaag opnieuw tot 4,23% waarmee de spread met Duitsland stilaan oploopt richting 140 basispunten, dat is het hoogste niveau sinds de jaren 90. En in de kranten was vandaag nog te lezen dat ons land nu al is opgerukt tot de 16 plaats in de lijst van staten met risico op wanbetaling.
We hebben dus echt een politiek akkoord nodig om het vertrouwen te herstellen, zowel van ondernemingen en ondernemers, als van financiers in binnen- en in buitenland.
Maar we hebben die staatshervorming ook nodig om, in breder perspectief, de sociale en economische toekomst van ons land te garanderen.
De inzet van de staatshervorming is immers de slagkracht van het bestuur. Dat is van bij aanvang het uitgangspunt van Voka. De Vlaamse ondernemers zijn en blijven vragende partij voor een duurzame staatshervorming. Die moet er toe leiden dat de regio’s een socio-economisch beleid op maat kunnen voeren waarbij ze verantwoordelijkheid dragen voor het gevoerde beleid via de inkomsten en de uitgaven. Dit moet leiden tot efficiënter bestuur ten bate van ondernemers en burgers.
Ik besef ten volle dat deze re-engineering van onze samenleving een aartsmoeilijke opgave is, zeker in wat Guy Tegenbos het tweelandenland noemt. Vlaanderen redeneert steeds meer vanuit een confederale logica terwijl Wallonië in overgrote mate redeneert vanuit een Belgische logica; dat is de kwadratuur van de cirkel!
We zitten in een systeemcrisis en dus moeten we het systeem aanpakken en kiezen voor definitieve oplossingen. Geen halfslachtige compromissen die leidden tot de huidige impasse. België wordt door sommigen geroemd om zijn vaardigheid in het afsluiten van compromissen, zelfs Koning Albert verwees er naar in zijn Kerstboodschap.
We hebben echter meer nodig. Een akkoord waar partijen pro-actief en niet defensief voor kiezen. Dat vraagt doortastende maatregelen en bestuurskracht. Die kan er maar komen mits een duurzame staatshervorming die hefbomen aanreikt voor economische groei.
Daartoe is een nieuwe federale regering nodig met volheid van bevoegdheden en geen noodregering. Die hebben we immers reeds! De staatshervorming mag niet uitgesteld worden, zoals sommigen bepleiten, want de fundamentele oorzaak van het gebrek aan bestuurskracht is precies onze complexe en onaangepaste structuur.
Zoals jullie weten pleit ik van bij aanvang van mijn voorzitterschap voor een attitudeverandering. Ik voel me daarbij gesterkt door wat ik dit weekend in sommige kranten las bij o.a. Bart Sturtewagen in De Standaard over België 2.0, zoals hij de nieuwe versie van ons land noemt, en bij Pierre Huylenbroeck in De Tijd over ons rotverwende land. Kunnen we echt niet uit die infernale negatieve spiraal? Hoe geraken we weg uit de verzuring en het pessimisme? Hoe keren we de hervorming naar een positief mobiliserend project? Hoe laten we belangen congrueren i.p.v. eindeloos botsen? Want het gaat om belangen, laten we mekaar niets wijs maken.
Wellicht is het tijd voor de “coalition of the brave” waarover ik een jaar geleden sprak. De overheid laat zich voor alles en nog wat adviseren; waarom zou ze zich niet laten inspireren door goedmenende en verantwoordelijke niet-politici die bekwaam zijn het eigenbelang te overstijgen. Niet evident meer gegeven de tijdsdruk!
Misschien kan Brussels Metropolitan daarbij inspiratie bieden, het regio-overschrijdend initiatief dat Voka lanceerde onder voorzitterschap van mijn voorganger Urbain Vandeurzen, samen met UWE en BECI en het VBO. Daarbij wordt uitgegaan van het feit dat de socio-economische ontwikkeling niet stopt aan een regio-grens en dat samenwerking loont als men vertrekt van respect voor mekaars identiteit en territorium.
Het is een opdracht waarvoor we tijd moeten nemen, maar zonder tijd te verliezen.
Het steriele spelletje zwartepieten moet stoppen; ”ja maar” of “neen tenzij”, het onderscheid is marginaal. De speculanten hebben daar geen boodschap aan.
Een klaar en duidelijk akkoord over een duurzame staatsstructuur, met een heldere kijk op wat we nog gemeenschappelijk gaan doen en wat we, in volle financiële verantwoordelijkheid, aan de regio’s overlaten.
Daar is echt moed voor nodig ... en leiderschap. Ik wens het ons allen toe.
Bron : Nieuwjaarstoespraak Luc De Bruyckere, 10 januari 2011