filter op onderwerp

filter op regio

zoek naar:  

Nieuws

07apr
09
 Michael Braungart, van wieg tot wieg

Ondernemingen moeten zich niet uitputten om te kijken hoe ze hun negatieve impact op de planeet kunnen verminderen.

“Minder slecht doen is niet goed genoeg”

 

Ze moeten niet zoeken hoe ze de emissie van schadelijke stoffen kunnen terugdringen of hoe ze het verbruik van toxische stoffen kunnen doen dalen. Ze moeten kijken hoe ze een positieve impact voor moeder aarde kunnen hebben. Dat zegt Michael Braungart, de man die de kreet ‘cradle to cradle’ lanceerde en die nu ondernemingen adviseert om dat principe ‘van wieg tot wieg’ ook in de praktijk te brengen. We vragen hem hoe en waarom.

 

De kreet ‘cradle to cradle’, ‘van wieg tot wieg’, duidt op een eeuwigdurende beweging. We moeten geen producten meer maken die straks, eens opgebruikt, voor een ecologisch probleem kunnen zorgen. We maken geen afval meer, want dat is ‘cradle to grave’, van wieg tot graf. We moeten, zegt Braungart, ervoor zorgen dat de biologische cirkel nooit breekt. Dat producten eeuwig gerecycleerd kunnen worden, of in de voedingsketen kunnen opgenomen worden, of als nutriënt (meststof) kunnen gebruikt worden. Het klinkt bijna als een hemel op aarde.


En Michael Braungart, 50 jaar, heeft wel iets idealistisch in zich. De man is chemicus van opleiding, maar als jonge knaap was hij lid van Greenpeace. Later werd hij een van de mede-oprichters van de Duitse groene partij (Die Grünen). Vervolgens werd hij professor procestechnologie aan de universiteit van Lüneburg, hij richtte zijn eigen onderzoekscentrum EPEA op (“Environmental Protection Encouragement Agency”) en hij startte samen met William McDonough een designbedrijf voor advies rond “veilige en gezonde” industriële en andere processen. Met McDonaugh schreef hij enkele jaren geleden ook het boek ‘Cradle to cradle – remaking the way we think’.

 

Hij geeft ons meteen zijn naamkaartje af. “Prof. Dr. Michael Braungart”, staat erop, maar het is hem vooral te doen om de kleur van de inkt: oker-groen. Duidelijk geen standaardkleur. “Het is een samengestelde inkt, een dubbeldruk van geel en blauw”, vertelt hij. “Er bestaat namelijk nog altijd geen groene inkt die je veilig kan opbranden en de asse in je tuin strooien. Geen veilige groene drukinkt, maar ook geen veilige groene autolak. Als je iets voor het milieu wil doen, dan koop je dus beter een zwarte Porsche dan een groene.” De toon is gezet, Braungart vindt dat er ook humor mag zijn, zelfs als het om ecologie gaat.

 

Is het dan niet zo ernstig?
Michael Braungart:
“Toch wel. De mensen beseffen dat stilaan wel. Ze weten ook dat we nog altijd te traag reageren, dat de planeet in sneltempo verwoest wordt. Maar het besef groeit. Het antwoord daarop is dan ‘duurzaamheid’. Maar dat is niet bepaald een aantrekkelijk concept. Als ik jou zou vragen hoe de relatie is met je partner en jij zou zeggen ‘duurzaam’, dan zou ik dat heel jammer voor je vinden. Het mag toch wat meer zijn. Veel mensen denken dat ecologie nog altijd over groen gaat. Voor mij gaat het om kwaliteit. Een kwaliteitsproduct is niet alleen maar groen, het is veel meer. Het is ook groen.”

 

Vertelt u maar.
“Kijk maar eens naar alles wat je rond je ziet. De dingen zijn nooit ontworpen vanuit het standpunt ‘goed voor de biosfeer’. Ik heb net een merkkostuum voor mijn verjaardag gekregen van een ontwerper uit New York. Ik kon de verleiding niet weerstaan, ik heb het geanalyseerd. Wel, het is niet ontworpen voor mensen, het is zelfs niet geschikt voor huidcontact. Het zit vol lood en chroom. Of kijk naar het speelgoed van Mattel: daar zitten hoge concentraties zware metalen in. Niet per vergissing, ze doen dat daar uit traditie. En dan denk ik zo: als we al geen veilige producten voor kinderen kunnen maken, wat maken we dan nog veilig?”

 

geen verwijten

Dat zijn zware verwijten.
“Ja, maar ik wil eigenlijk niet in verwijten vervallen. Dat lost niets op. Want dan kom je tot statements als: ‘neem liever de lift dan de trap, want het kost meer energie om een menselijke calorie aan te vullen dan een elektrische’, of ‘geef alle luchtvaartpassagiers een purgeerpil zodat hun ingewanden leeg zijn voor het opstijgen, dat bespaart zeven ton keroseen per jaar’. Dat is onzin, natuurlijk. Het komt er namelijk niet op aan om minder slecht te zijn of om onze ecologische footprint te minimaliseren. Wie zijn kind nog drie keer slaat in plaats van vijf keer, die mishandelt het kind nog altijd. Minder slecht zijn is dus niet genoeg. Het komt er op aan een positieve voetafdruk te creëren, dingen te doen die heilzaam zijn voor de planeet.”

 

Hoe kunnen ondernemingen dat doen?
“Ik had onlangs een heel interessante ervaring. Ik was bij Océ, de fabrikant van kopieertoestellen, printers, inkt en printpapier. De mensen daar waren heel trots. ‘Hé, Michael, we hebben een printer die twee keer zo snel gaat en die 20 procent minder energie gebruikt’, zo kwamen ze me trots vertellen. Ik heb ze één simpele vraag gesteld: ‘Wat gebeurt er met het papier?’ Want papier wordt verbruikt, een machine niet. Ik wou weten of je het papier dat uit die nieuwe machine kwam, kon composteren en het in de tuin gebruiken. Of het versnipperd kon worden, in mijn ochtendmuesli vermengd en opgegeten kon worden. Of het misschien verbrand kon worden, en de asse verstrooid in mijn tuin. Helaas. Op elk van die vragen was het antwoord neen. Met andere woorden, ze hadden de verkeerde dingen perfect gemaakt. Ze hadden het perfect verkeerd gedaan. Het eerste ding wat je je bij alle verbruiksgoederen moet afvragen, is: kan je dit na verbruik terug in de biologische cyclus brengen, kan je dit opeten, kan je het veilig verbranden, wordt het teruggenomen? Want als dat niet kan, hoe kan ik er dan verantwoordelijk mee omspringen?”

 

Wat had de printerfabrikant dan moeten doen?
“De inkt en de papiersoort zorgvuldiger kiezen. Maar hij heeft zich geconcentreerd op de machine, alleen de machine. Ten onrechte. De basisvraag, als je een verbruiksproduct maakt, is: kan je het achteraf terug in de biologische cyclus inschakelen? Kan je het als een technisch nutriënt gebruiken?”

 

alibi-wetgeving

U bedoelt: het moet bijvoorbeeld als biomassa gebruikt kunnen worden, als brandstof,
als meststof…?
“Ja, maar daar wil ik toch meteen kanttekeningen bij maken. De Europese Unie heeft een aantal richtlijnen in die richting. Ik noem dat alibi-wetgeving en doen alsof. Dan heb ik liever iemand als de vorige Amerikaanse president, George W. Bush. Die maakte duidelijk dat hij niets deed. Hij kon niets doen. Ik heb de anekdote met hem meegemaakt, in november 2007, toen ik in Sydney, Australië was. “I’m so glad I’m in Austria’, zei hij. Hij dacht dat hij in Oostenrijk was, dus meende hij dat het Wenen was, en hij begon over de OPEC. Terwijl het een conferentie was van de APEC, de Asian-Pacific Economic Cooperation. Wel, als dat de president is, dan weet je dat je er alleen voor staat. Dan moet je niet wachten op overheidsoptreden. De EU is veel erger, want die doet alsof ze iets doet. Ze verklaarde bijvoorbeeld onlangs dat afval gelijk staat met hernieuwbare energie en dat biobrandstoffen goed zijn. Gevolg: het regenwoud wordt gekapt om palmolieplantages aan te leggen. En dat noemen ze dan ecologie.”

 

Maar ze heeft wel loodvrije benzine gepromoot.
“En ze heeft asbest verboden. Maar niemand vraagt zich af wat nu het vervangproduct is. Wel, het is antimoniumsulfaat, zeer giftig. Loodvrije benzine, loodvrij soldeersel…? Ze vertellen er niet bij wat er dan wel in zit. Net alsof ik tegen mijn gasten voor het diner zou zeggen: vanavond eten we kipvrij. Als de EU lood verbiedt, dan krijgen we het gevoel dat ze iets doen. Maar als het vervangproduct bismuth is, en je weet dat bismuth alleen kan ontgonnen worden als bijproduct van lood in een verhouding van één op vijf, dan vraag ik me af wat we gewonnen hebben. Dan zijn we dus een hoop lood aan het fabriceren, goedkoop lood, dat we dan maar afzetten in Afrika. Alle oliereuzen verkopen loodhoudende benzine in Afrika, gewoon omdat dat het goedkoopste is. Als ik dat zie, dan heb ik liever een Bush die niets doet.”

 

We proberen de CO2-uitstoot toch te verminderen?
“Dat is juist en dat is goed. Maar dan zitten we toch terug in de schuldcultuur waar ik het net over had. Wil je CO2-neutraal zijn? Probeer maar. Dat kan alleen als je niet bestaat. Als je twee keer per week gaat joggen, dan betekent dat zoveel ton extra koolstofdioxide-uitstoot. In de schuldcultuur is het antwoord dus: doe geen sport als je iets voor het milieu wil doen. Onzin, natuurlijk.”

 

Alle menselijke activiteit is per definitie giftig, slecht voor de planeet?
“Neen, dat is niet wat ik zeg. Ik zeg: laten we alle menselijke activiteit weldadig maken voor de planeet, in plaats van minder slecht. Laten we een grote footprint maken, maar laten we er een polder van maken. Een afdruk die goed is voor het land.”

 

heilzaam effect

Concreet: wat wil dat zeggen voor een onderneming uit een traditionele sector?
“Neem bijvoorbeeld de bouwsector. Waarom bouwen we geen gebouwen die de lucht reinigen? Dan gaat het niet over zorgen dat je niet vervuilt, het gaat over verbeteren. Je kan gebouwen maken die kleine stofdeeltjes opslorpen. Fijn stof is een massadoder, gemiddeld neemt het vier jaar van het mensenleven weg – en dat zijn niet de jaren tussen je 100ste en je 104ste. Van fijn stof sterven twee keer zoveel mensen als van tabak. Neem een laserprinter met een inktpatroon: tienduizenden tonnen per jaar worden er daarvan gebruikt. Weet je wat er in zit? Soms is dat nikkel, of kwik. En wat met het stof dat uit die printer komt? In Zweden zegt de wet dat een laserprinter in een apart lokaal moet staan. Fout, dat is een verkeerde benadering. Als we er nu eens voor zouden zorgen dat printers de lucht zuiveren, zodat ze een heilzaam effect hebben op de kwaliteit van de binnenlucht op kantoor… Dan zijn we goed bezig.”

 

En kan dat dan? Is dat technisch mogelijk?
“Heel zeker. Wij werken bijvoorbeeld aan een verf die actief lucht zuivert. Het is een verf met bacteria erin – net zoals je bacteriën hebt in yoghurt. Komt er een contaminatie op het verfoppervlak terecht, dan wordt die meteen opgegeten. Op die manier verbeteren we actief de lucht. Het is dan niet gewoon minder giftig, het is goed voor.’

 

Geen afval meer?
“Wie is uw favoriete filmster? Brad Pitt misschien? Wel, als je zegt: ik denk niet meer aan Brad Pitt, dan ben je nog altijd aan Brad Pitt aan het denken. Als je zegt: geen afval meer, dan spreek je nog altijd in termen van afval. De natuur heeft het nooit over afval, in de natuur is afval een nutriënt, een voedingsstof, een meststof. Daar moeten we naartoe.”

 

Maar we zijn met zoveel mensen op de planeet, we produceren zoveel afval. Zijn we niet met te veel?
“Je moet eens kijken naar de mieren. Als je alle mieren op de planeet samen op de weegschaal zou zetten, dan kom je aan een gewicht van vier keer alle mensen. Mieren leven gemiddeld zes maanden en ze werken veel harder dan wij, want ze nemen nooit de lift of de wagen. In calorieverbruik zijn ze gelijk aan 70 miljard mensen. En dat lukt. We zijn dus niet met te veel op de aarde. We doen gewoon stom. We doen de verkeerde dingen. Als je een kleine baby ziet, denk je toch ook niet: shit, overbevolking! Je denkt: wat een potentieel hebben we hier! Wat een opportuniteit voor de planeet!”

 

En zo komen we terug uit bij ‘van wieg tot wieg’, ‘cradle to cradle’. Is dat nu een ethisch concept dan wel een business concept?
“Het is absoluut dat laatste. Het gaat niet om de ethiek. Want ethiek, dat is iets wat je vergeet als het moeilijk wordt. Het gaat om business, goede business. Het grote voordeel van het concept is dat je niets negatiefs meer moet zeggen over een product. Je hoeft niet te zeggen ‘er zit geen kwik in’. Als je kan zeggen dat je product “cradle to cradle” is, dan maak je een positieve statement. Dan verander je niet alleen het product, dan verander je de hele onderneming. En dan heb je een positieve agenda.”

 

Zijn er Vlaamse ondernemingen die in deze richting werken?
“Heel zeker. Ik was onlangs bij Umicore – een onderneming waartegen ik nog gemanifesteerd heb in mijn Greenpeace-tijd. Ik was onder de indruk hoezeer de mensen daar beseffen dat het niet volstaat om ‘minder slecht’ te zijn. Ze willen ‘goed’ zijn.”
“En tapijtenfabrikant Desso noemt zichzelf een cradle-to-cradle-bedrijf. Ze heeft voor zichzelf een pad opgesteld om tegen 2020 alleen nog dingen te doen die goed zijn voor het milieu. Het heeft daar zelfs een stappenplan voor uitgetekend, maand per maand. Dat is een positieve agenda. Dat is goed.”


Voka-standpunt: Marc Van den Bosch, adviseur Voka-kenniscentrum

Bedenkingen rond een leuk concept


Het concept ‘cradle to cradle’ (‘CtoC’) heeft de verdienste dat het bedrijven en overheden leert om grondig na te denken over hun processen – of het nu gaat over producten, dan wel over diensten. Voor ondernemingen is het zelfs een leuk concept, omdat het groei en ecologie verzoent. Het gaat niet over consuminderen maar over consumanderen. Het is ecologie zonder het traditionele bestraffende vingertje in de lucht. Dat zegt Marc Van den Bosch, adviseur milieu bij het Voka-kenniscentrum.

 

De auteurs hebben het over eco-effectiviteit. En hoe meer we daar op letten, hoe beter het milieu ervan wordt. Klinkt goed. Toch passen een aantal bedenkingen. Want wat betekent dit concept in de praktijk?
Eerst en vooral, je moet je producten zo ontwerpen dat ze volledig kunnen worden hergebruikt. Een product moet zoveel mogelijk afbreekbaar zijn in de biosfeer en de niet-afbreekbare stoffen moeten als grondstof beschouwd worden voor nieuwe producten in de technosfeer. Dat klinkt toch erg makkelijk. Voor heel wat niet-afbreekbare stoffen bestaan namelijk nog geen eindproducten. Ze zullen dus moeten gecreëerd worden. En ze zullen op hun beurt uiteindelijk ook weer als grondstof moeten dienen. Een oneindige cirkel dus, die er onvermijdelijk voor zorgt dat de technosfeer groeit ten opzichte van de biosfeer.

 

Ook aan recyclage in de biosfeer zitten beperkingen. Biologisch afbreekbare producten kennen nu al een groot succes (denk aan biologisch afbreekbare bloempotjes). Maar het gebruik van afbreekbare stoffen is op zich geen garantie voor succes. Bij een hoge concentratie wordt immers elk product giftig. Zelfs aan een overdosis zuiver water kan je dood gaan. En koemest mag dan wel het land vruchtbaar maken, een teveel aan mest vergiftigt de bodem en het drinkwater. Het gaat dus niet alleen om de verbetering van de kwaliteit van de producten, het gaat ook om volume en concentratie. Daar zit een ernstige beperking.

 

Om de twee kringlopen te laten draaien, heb je energie nodig. Veel energie. CtoC houdt zich nauwelijks bezig met dat energievraagstuk. CtoC legt verder veel nadruk op eco-effectiviteit, ten koste van eco-efficiëntie. Maar de twee kunnen niet zonder elkaar. Zelfs een volledig recycleerbare en/of afbreekbare auto die op honderd procent biofuel rijdt, zal nog altijd eco-efficiënt moeten zijn. Want ook biofuel is schaars.

 

Tot slot een kritiek op de werking van CtoC. Om het CtoC-label te verkrijgen, heb je CtoC-consultancy en CtoC-certificering nodig. Dit blijft allemaal draaien binnen een kleine kring van ingewijden. Het is jammer dat CtoC niet gekozen heeft voor een open systeem. Zo ontstaat de indruk dat het hier vooral gaat om een business case voor de bedenkers ervan.


Ovam volgt ‘cradle to cradle’, maar niet helemaal


De term ‘cradle to cradle’ mag dan vrij nieuw zijn, de hoofdlijnen van het concept zijn dat niet. Het Vlaamse afvalstoffenbeleid gaat al een hele tijd resoluut voor een kringloopeconomie. En de resultaten mogen gezien worden. Vokatribune vroeg Jan Verheyen, woordvoerder van Ovam, in hoeverre Ovam het cradle to cradle-concept daarbij volgt.

 

Vormt cradle to cradle voor Ovam een inspiratiebron?
Jan Verheyen, woordvoerder Ovam: “Het Vlaamse afvalstoffenbeleid heeft een hele evolutie doorgemaakt van een klassiek afvalstoffenbeleid naar een duurzaam afval- en materialenbeleid. Daarbij hebben we aandacht voor de hele levenscyclus van een product, dus niet enkel voor de afvalfase. Cradle-to-cradle is daarbij zeker een bron van inspiratie. Maar dat wil niet zeggen dat we Braungart over de hele lijn volgen.”

 

Hoezo?
“Braungart stelt dat zolang de kringloop gesloten blijft, afval geen probleem vormt. Sterker nog, hoe meer afval, hoe beter zelfs. Daar zijn we het niet volledig mee eens. Cradle-to-cradle gaat te veel uit van de technologische oplossingen en schenkt te weinig aandacht aan de gedragingen van mensen. Wij geven eerder voorrang aan afvalpreventie en milieuvriendelijk consumeren en produceren. Afval vermijden betekent ook dat je geen energie moet steken in het sluiten van kringlopen. Het beste afval is geen afval.”

 

OVAM onderzoekt hoe een duurzaam afval- en materialenbeleid er op de langere termijn moet uitzien. Hoe gaat dat in zijn werk?
“Daarvoor is het netwerk Plan C opgericht. Dat groepeert een zestigtal mensen uit overheidsdiensten, bedrijven, werkgeversorganisaties, ngo’s en de academische wereld die samen nadenken over een toekomstig duurzaam materialenbeheer in Vlaanderen. Hiervoor zijn technologische innovaties nodig en nieuwe materialen en producten die hoog scoren op het vlak van hergebruik en recyclage. Die materialen moeten op elk moment van hun bestaan aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen en veelvuldig hergebruikt kunnen worden. Anderzijds moeten consumenten ook wakkere burgers worden die bewust kiezen voor milieuvriendelijke producten en materialen.”

 

Zijn er al concrete resultaten?
“Plan C heeft een aantal transitieteams opgericht. Zij houden zich onder meer bezig met het uitdenken van experimenten waar we de volgende jaren al mee aan de slag kunnen. Een voorbeeld: het transitieteam ‘groene chemie’ formuleerde een experiment over ‘chemical leasing’. Het concept bestaat erin dat producenten hun chemische producten leasen in plaats van ze te kopen. Zo kunnen chemicalïen hergebruikt worden en is er minder afval. OVAM onderzoekt de mogelijkheden om dit concept vanaf 2009 in Vlaanderen op te zetten.”

 

Desso heeft stappenplan naar cradle to cradle

Tapijtfabrikant Desso heeft een stappenplan ontwikkeld om tegen 2020 een echt cradle-to-cradlebedrijf te worden. “We zitten nu in de eerste fase”, zegt COO Pierre Van Trimpont. “Voor tapijttegels hebben we de eerste kleine producties op laboschaal kunnen realiseren. We verwachten daar een doorbraak in de volgende zes maanden.” Binnen elf jaar moeten alle producten van Desso ‘CtoC’ zijn. De Belgisch-Nederlandse tapijtgroep is daarmee in ons land een van de pioniers van CtoC. Pierre Van Trimpont noemt drie redenen waarom Desso die weg wil opgaan.


“Ten eerste, er is het algemene kader: we willen ethisch ondernemen, en duurzaamheid is daarvan een element. Ten tweede, we willen een stap verder gaan dan anderen. Heel wat ondernemingen werken aan hun eco-efficiëntie. Dat wil zeggen: minder afval produceren, minder energie gebruiken. Maar dat is altijd minder van iets negatiefs. Wij willen de stap naar eco-effectiviteit zetten. Dat wil zeggen: afval is een voedingsstof. We willen de cirkel sluiten. We willen ervoor zorgen dat bijvoorbeeld een tapijt eeuwig kan gerecycleerd worden. En ten derde, we zien CtoC ook als een concurrentievoordeel. De overheid is daar nu al zeer gevoelig voor. Dat zal alleen maar toenemen. Binnen tien jaar is CtoC een minimumnorm. Dus willen we daar nu al onze positie voor innemen.”
Desso werkt op verschillende fronten om die plannen in de praktijk te brengen. Pierre Van Trimpont: “Voor bestaande producten proberen we de cirkel zo goed mogelijk te sluiten. We trachten alle grondstoffen te recycleren. Dat lukt niet altijd even goed. Laat ons zeggen dat we daar 50 procent succes hebben. Daarnaast ontwikkelen we nieuwe producten die volledig CtoC zijn. Daar is veel onderzoek voor nodig. Voor tapijttegels hebben we al met succes een kleine productie kunnen maken. Binnen de zes maanden willen we daar een doorbraak realiseren.” Het stappenplan dat Desso heeft ontwikkeld, betekent dat tegen 2020 niet alleen tapijttegels, maar ook kunstgras, getufte en geweven tapijten aan de CtoC-normen zullen voldoen. Desso onderzoekt nu bv. alle aanwezige chemicaliën in zijn producten op toxiciteit, ecotoxiciteit, kankerverwekkers en mutagenen. Ze doet dat in samenwerking met EPEA, het labo van Michael Braungart. Het is niet alleen maar altruïsme, zegt Pierre Van Trimpont. “We zijn er zeker van dat dit ook voor ons merkimago en voor onze marketing een interessante stap is.” 

Auteur : Sandy Panis en Erik Durnez
Bron : Vokatribune april 2009

terug