“Geen toekomst zonder samenwerking”
Investeren, innoveren en samenwerken, daar ligt de enige toekomst.” De LVD-bedrijfsleider aan het woord: over machinebouw, over ondernemen, over engagement, over passie. “Het is zo’n boeiende job.”
LVD ligt in Gullegem/Wevelgem op het oudste formele industrieterrein van het land. Zo’n 450 mensen werken daar. Wereldwijd telt de groep meer dan 1.000 medewerkers (het recente, belangrijke minderheidsbelang in een Chinese machinebouwer met 850 werknemers niet meegerekend).
Twee productie-eenheden vormen de ruggengraat van de groep: Gullegem, dat werkt als uitvalbasis voor Europa en Azië, en Strippit (in de Amerikaanse staat New York), dat de Amerikaanse en de Chinese markt bewerkt. Maar er zijn ook productie-eenheden in Slovakije en Roemenië, en een joint-venture met Arcelor in Frankrijk.
LVD werkt op maat (‘assemble to order’). In het gamma zitten vooral drie types machines: CNC-lasersnijmachines, ponsmachines en afkantpersen. Maar je krijgt ze in alle formaten: van ‘kleine’ machines van 35 ton op 1 meter tot giganten van 3.000 ton op 16 meter.
Internationalisering is een ingebakken kwaliteit. De groep werkt voor wereldleiders in allerlei sectoren op de wereldmarkt. Op de klantenlijst staan namen als Caterpillar, Liebherr, Otis, New Holland, Viessmann, Van Hool, Komatsu, Mercedes Benz Bus, Lufthansa, Boeing,… “De grote groepen geven ons de grootste uitdagingen, maar we hebben gelukkig ook veel trouwe KMO-klanten”, zegt de bedrijfsleider.
Wij vragen Carl Dewulf wat hem drijft, hoe het verder moet met de machinebouw in Vlaanderen en waarom hij zich als bedrijfsleider ook maatschappelijk engageert.
familiebedrijf
“Als kleine jongen had ik grote belangstelling voor technologie. Al van toen ik een jaar of twaalf was, kwam ik elke schoolvakantie op LVD werken: in de keuken, in het magazijn, op de werkvloer, op -kantoor. Ik kreeg op zaterdagvoormiddag zelfs lessen van de hoofdingenieurs. Zo heb ik geleerd wat de spirit was in het bedrijf: op de vloer, in de ontwikkelingsafdeling, bij de marketing.”
“Ik heb niet op een dag beslist dat ik bij LVD wou werken. Het was iets dat bijna vanzelf is gegroeid.”
“LVD is een familiebedrijf, maar een bijzonder. De onderneming is in 1952 opgericht, door drie mensen die op geen enkele manier met elkaar verwant zijn: Jacques Lefebvre, Marc Van Neste en Robert Dewulf. De beginletters van hun familienamen vormen de naam van het bedrijf. Later traden ook de families Buyse en Vlerick toe.”
“We zijn een tweedegeneratiebedrijf. In elk van de families is de opvolging geregeld. De regels liggen allang vast, expliciet en impliciet. Van elke tak is nu één lid van de tweede generatie actief. Jean-Pierre Lefebvre is voorzitter van de raad van bestuur en stuurt vanuit de VS alle product-marktaspecten, Francis Van Neste is verantwoordelijk voor de Benelux en ikzelf ben gedelegeerd bestuurder van LVD Company n.v., ik voer de dagelijkse leiding van de groep en ik volg alle productievestigingen op.”
professionalisering
“Ik spreek niet over ‘defamilialisering’, ik vind dat een lelijke term. We willen trouwens een familiebedrijf blijven. Dat is belangrijk voor een onderneming in een cyclische sector zoals de machinebouw. Familiale aandeelhouders hebben veel meer oog voor de lange termijn.”
“Maar we willen wel duidelijk het onderscheid maken tussen eigendom en management. Ik heb het dus liever over ‘professionalisering’ gekoppeld aan ‘internationalisering’. We willen ook niet-familieleden doorgroeimogelijkheden naar het topniveau geven. Over heel de groep zijn er professionele mensen in leidinggevende functies. Vaak zijn het ook buitenlanders: onze CFO is een Amerikaan, de marketingmanager is Engels, de chief software architect is Chinees en een Chileense Italiaan is Business Development Manager. Het komt erop aan de beste competenties samen te brengen.”
“Het is belangrijk dat kaderleden verantwoordelijkheid opnemen. Kúnnen opnemen. Dat is in een familiebedrijf niet altijd even evident. Bedrijfsleiders van de eerste generatie, de starters, de oprichters, dat zijn vaak mensen die niet te veel inspraak hoeven. Ze ‘zijn’ het bedrijf, ze beslissen alles. Een raad van bestuur? Bij LVD was dat vroeger overbodig, de drie stichters kwamen elke dag bijeen. Ze beslisten alles.”
“Met de tweede generatie hebben we een reeks beslissingorganen gecreëerd. We hebben een raad van bestuur met interne en externe mensen, zoals Philippe Vlerick, Philippe de Vicq en Bob Verhoeven. Zij zeggen hun ongezouten mening en dat is goed. De out-siders view heeft ons al heel wat geholpen.”
“Maar ook op andere niveaus hebben we overleg georganiseerd. Er is een executive committee met operationele directeurs, er zijn ad-hocvergaderingen, we zetten mensen ook samen rond bepaalde thema’s. Ze kunnen beslissingen nemen zonder dat de gedelegeerd bestuurders steeds over alles het laatste woord moeten hebben. De communicatie is wat meer gestructureerd, zonder dat het allemaal té formeel moet worden.”
“We zien onszelf nog altijd graag als een organisatie met de mentaliteit van een KMO: no nonsense, met de voetjes op de grond. We willen die dynamiek erin houden, die visie, die motivatie.”
“Een van de moeilijke dingen in een grotere groep is de relatie tussen het moeder- en het dochterbedrijf. Bij de dochterbedrijven werken nu meer mensen dan bij de moeder, en toch leeft bij hen soms het gevoel dat ze maar tweederangs zijn. Dat moet je voorkomen. Je moet die filialen dus regelmatig bezoeken, hun processen gaan bekijken, hun manier van werken bestuderen en onze interactie bespreken. Daar kan je veel uit leren.”
ongeslepen diamant
“Ik ben hier in 1989 begonnen. Eerst heb ik gewerkt voor een gerelateerd bedrijf in Straatsburg, dat zware carrosseriepersen maakte voor de automobielsector. Daarna heb ik een Master of Science gehaald bij het MIT in Boston. En vervolgens heb ik binnen de groep LVD een aantal functies vervuld en ‘moeilijke’ opdrachten volbracht.”
“De tweede generatie in LVD heeft een prachtige erfenis meegekregen. Het bedrijf was werkelijk een ongeslepen diamant. Toen wij aantraden, vonden we een zeer internationaal georiënteerde en sterk geïntegreerde onderneming. We hebben stilaan geleerd dat we niet alles zelf konden of moesten doen. We moesten kiezen wat we in eigen handen wilden houden. We hebben gekozen voor alles wat kennisintensief is, voor alle transportintensieve dingen (die te zwaar zijn voor ver vervoer), en voor activiteitsdomeinen die om competitieve redenen kritisch waren. Bepaalde operaties willen we namelijk absoluut in eigen handen houden.”
“We blijven zwaar investeren. Jaar in, jaar uit. In goede tijden zowel als in slechte tijden. We kunnen maar overleven door grote inspanningen in onderzoek en ontwikkeling, door een sterk partnership met onze klanten en onze leveranciers, en door samen te werken met het technisch en het hoger onderwijs en met de KULeuven, waar we een Leerstoel Plaatbewerking opgestart hebben.”
nichespelers
“Dertig jaar geleden was de machinebouw bijna uitsluitend in Wallonië gevestigd. Als je vandaag in de sector rondkijkt, zie je in het zuiden nog maar enkele machinebouwers. De rest zit allemaal in Vlaanderen, vaak in West-Vlaanderen. Ze maken machines voor de textielsector, voor de plasticindustrie, de verpakkingsector, de groenteverwerking. En ze dragen namen als Picanol, Van de Wiele, Landbouwmachines Dewulf, Pattyn Packaging, B.E.S.T., New Holland en zoveel anderen. Vaak zijn het ook KMO’s met internationaal leidinggevende posities in hun niche, maar die verder weinig bekend zijn.”
“De goede voedingsbodem is de stevige basisopleiding in onze regio. Machinebouw is een complexe technologie, je moet er uiteenlopende kennis en knowhow voor samenbrengen. Dat op zich is al niet eenvoudig. Bovendien vraagt machinebouw een combinatie van innovatie en conservatisme. We zijn conservatief, in de zin dat machines stevig en betrouwbaar moeten zijn. Ze moeten doen wat er van hen verwacht wordt. En we zijn innovatief, omdat machines vandaag niet alleen veel sneller en preciezer moeten kunnen werken, maar ze ook veel sneller gemaakt moeten worden. De klant bestelt in extremis, maar toch wil hij zijn machines op zijn maat en zo gauw het kan. De machinebouwer moet dus slimme machines bouwen, zonder voorraad, op maat, en met een extreem korte levertijd.”
toekomst
“Er is zeker een toekomst voor de machinebouw in Vlaanderen. Maar we moeten ons wel blijven realiseren dat het een zeer cyclische activiteit is. Dat waren we de voorbije jaren bijna vergeten. De twee sleutelwoorden zijn ‘automatisering’ en ‘innovatie’. ‘Klassiek’ en ‘machinebouw’ zijn dan weer twee termen die niet samengaan. Klassieke metaalindustrie vind je al lang niet meer in ons land. Alles wat niet meeging in innovatie, is allang verdwenen. In de EU maken we vooral nog hoogtechnologische en vaak volautomatische machines. Klassieke standaardproducten zijn ‘verhuisd’ naar Centraal-Europa en naar Azië, soms gewoon omdat er hier geen gespecialiseerde arbeidskrachten te vinden waren – lassers bijvoorbeeld.”
“Maar de toekomst is niet eenvoudig. We maken een zware crisis mee. Ik ben geen zwartkijker, maar zeker is dat die crisis niet vanzelf zal verdwijnen. We zitten bovendien in zware concurrentie met twee stevige buren die over een sterke machinebouw beschikken: Duitsland en Italië. We moeten ervoor zorgen dat we niet van het terrein worden gespeeld.”
“Dus moeten we investeren. Als we de maakindustrie in Vlaanderen willen houden en behouden, dan is dat cruciaal. Ook in budgettair moeilijke tijden. Een beetje creativiteit van overheidszijde zou ons enorm helpen: uitzonderlijke maatregelen in uitzonderlijke omstandigheden. Afschrijvingen ad libitum bijvoorbeeld, of versnelde afschrijvingen voor machines, directe aftrek van onderzoek en ontwikkeling of een volledig aftrekbare bedrijfsvoorheffing. Of kijk naar de maatregelen die in Frankrijk genomen zijn: daar is een belastingkrediet voor alle opleidingskosten van kracht. Ingenieurs gaan daar een jaar studeren op kosten van de staat.”
“Wij zijn blij met wat de federale regering gedaan heeft voor de tijdelijke werkloosheid van bedienden. Maar het is jammer dat aan die maatregel geen systeem van bijscholing is gekoppeld. Voor kenniswerkers zou dat een uitstekende kans geweest zijn.”
“We moeten ook de samenwerking tussen machinebouwers stimuleren. Dat is niet zo vanzelfsprekend. Het zit ons in Vlaanderen, en a fortiori in West-Vlaanderen, niet per definitie in het bloed. En toch wordt eraan gewerkt. Wat er gebeurt in Flanders Mechatronics op gebied van generiek technologie-onderzoek op het precompetitieve niveau, dat is uniek.”
engagement
“Ik ben van nature een geëngageerde man. Dat heb ik voor een stuk geleerd tijdens mijn opleiding aan het MIT, in de VS. Daar heb je een grote cultuur van giving back. Maar ook mijn pa was zo: hij engageerde zich voluit in VKW, in Agoria, in allerlei verenigingen en bedrijven. Dat doe ik ook.”
“Ook ik ben altijd actief geweest in Agoria. Ik was voorzitter van Agoria Vlaanderen van 1998 tot 2004. Dat is een heel sterke organisatie. Ze heeft mee een road map voor de Vlaamse machinebouw ontwikkeld, ze doet systematisch aan technology watch, wereldwijd. Voor KMO’s die niet zo internationaal actief zijn als wij, is dat heel belangrijk.”
“Voka-voorzitter Luc De Bruyckere heeft me enkele maanden geleden gevraagd om vicevoorzitter van Voka te worden. Luc is iemand die dingen kan veranderen. Daar wil ik aan meewerken. Zijn opzet was zeker ook om de toenadering met de sectororganisaties onder de noemer Voka+ verder te organiseren. Ook dat is goed. De werkgeversorganisaties hebben elk hun specialiteiten en doelstellingen, maar de uiteindelijke finaliteit is toch ervoor te zorgen dat de ondernemingen er beter van worden. Een verstandige samenwerking is dus belangrijk.”
passie
“Ik lees heel veel. Maar het zijn hoofdzakelijk technologische en machinemagazines. Ik ben er wat aan verslaafd. Ik leer er heel veel uit. Ik ben van nature heel ‘nieuws’gierig.”
“Op vakantie lees ik soms boeken. Non-fictie, meestal. De voorbije zomer heb ik onder meer twee boeken over André Leysen herlezen, ik vind ze nog altijd inspirerend. En een boek over Steve Jobs, de stichter van Apple. Ik heb hem ooit persoonlijk ontmoet, toen ik op MIT zat. Hij is een fenomeen.”
“Voor de rest? Ik hou van de zee. Varen, duiken, wandelen: dat ontspant me enorm.”
“Verder ben ik een family man. Ik kan genieten van thuis zijn, tuinieren of met vrienden gaan joggen of fietsen. Ik heb namelijk een job die van nature al zo internationaal is, dat ik thuis met mijn echtgenote en kinderen het grootste plezier kan hebben in de kleine dingen van het leven.”
Auteur : Erik Durnez
Bron : Vokatribune september 2009