Het wordt tijd voor een nieuw sociaal contract, zegt Voka-voorzitter Luc De Bruyckere. Hij roept alle partijen op tot een constructieve dialoog: ondernemers, sociale partners, overheid.
“Een toekomst voor onze (klein)kinderen”
“Als we ons welvaartsniveau ook voor de volgende generaties willen garanderen, zullen we allemaal een inspanning moeten doen”, meent de Voka-voorzitter. Voor Vokatribune geeft hij aan in welke richting die inspanningen zouden kunnen (en moeten) gaan.
Luc De Bruyckere publiceerde enkele weken geleden in de krant De Morgen een opiniestuk onder de titel “Open brief aan mijn kleinkinderen”. Hij schetste daarin in enkele lijnen een beeld van de wereld waarin we binnen 20 jaar – mogelijk – zullen terechtkomen en van de problemen waarmee onze regio dan zal geconfronteerd worden. En hij lanceerde vervolgens een oproep aan de verschillende economische en maatschappelijke actoren om hun verantwoordelijkheid op te nemen.
Het opiniestuk kreeg grote weerklank. “Mensen spraken me er op aan”, vertelt hij. “Bijna alle reacties die ik kreeg, gingen in dezelfde richting. Heel veel mensen herkenden de bezorgdheid.”
Waarom maakt u zich zo’n grote zorgen?
Luc De Bruyckere: “We komen uit een lange periode van economische voorspoed. Onze regio is de voorbije zestig jaar in sneltempo gegroeid en rijk geworden. Dat is goed. Maar het is ook een risico. We realiseren ons niet altijd waar we vandaan komen. We beseffen niet steeds hoe we die welvaart hebben gecreëerd. En we doen graag alsof ze voor eeuwig verworven is.”
groei
Dat is niet zo?
“Kijk naar de wereld vandaag, en vergelijk met twintig jaar geleden. De mondialisering heeft de wereld op zijn kop gezet. In 1990 kwam Oost-Europa net los van het Oostblokregime. China stond aan het begin van zijn ontwikkeling. De Aziatische tijgers waren net gestart. Vandaag zijn de BRIC-landen snelgroeiende regio’s. Binnen enkele jaren zijn zij de economische supermachten.”
“Terwijl onze regio het relatief helemaal niet zo goed doet. We verliezen terrein, we verliezen industrie, we zien economische activiteiten verdwijnen. En dat uitgerekend op een moment dat we heel veel geld en welvaart nodig hebben, al was het alleen maar om de vergrijzing te kunnen betalen.”
Binnen 20 jaar zal elk lid van de actieve bevolking 3.000 euro per jaar meer aan belastingen moeten betalen om de pensioenen en de gezondheidszorg te kunnen blijven betalen, zo schreef u in uw column.
“Dat zijn niet mijn cijfers, het zijn cijfers die gebaseerd zijn op de rapporten van de Vergrijzingscommissie. En ze geven niet eens het worst case scenario.”
“We staan er dus niet goed voor. Maar ik wil me niet neerleggen bij die vorm van doemdenken. We weten immers dat er ook een alternatief scenario mogelijk is. Een scenario waarin ook de volgende generaties in welvaart en comfort kunnen leven en werken.”
“Het is niet eens een ingewikkeld plan. Maar we moeten er wel echt voor kiezen. En daar zijn we niet goed meer in. Wat hebben we nodig? Langs de ene kant moeten we ervoor zorgen dat economische groei opnieuw mogelijk is. Dat wil zeggen dat we een aantal hindernissen daarvoor zullen moeten opruimen en nieuwe stimulansen voor groei moeten creëren. Groei betekent dat de koek weer groter wordt.”
“Langs de andere kant moeten we ernaar streven dat zoveel mogelijk mensen actief bijdragen aan die groei, en zo lang mogelijk. Een hogere werkzaamheidsgraad, dus. Dat zijn voor mij de twee motoren van de welvaart: meer groei, meer mensen aan de slag.”
open innovatie
U roept alle partijen op om daartoe bij te dragen. Wat kunnen, wat moeten
ondernemers en ondernemingen dan doen?
“Ik denk dat ondernemers het voortouw moeten nemen. Ze moeten radicaal kiezen voor business-innovatie.”
“Er liggen massa’s mogelijkheden open, we moeten ze alleen maar grijpen. Ik denk aan nieuwe niches op bestaande markten: alles wat met groene economie en duurzaamheid te maken heeft. Alles wat met witte economie en gezondheidszorg te maken heeft. Biotechnologie. Innovatie. Al te vaak zien we over het hoofd dat ook onze “traditionele “ ondernemingen een enorm potentieel aan vernieuwing hebben. In mijn eigen Ter Beke realiseren we 40% van onze omzet door activiteiten die we zes jaar geleden niet deden.”
“Maar we moeten daarbij goed beseffen dat ondernemingen niet langer op hun eentje kunnen innoveren. Innovatie is werken met een open geest, knowhow delen en doen groeien. Open innovatie, dat is samenwerking tussen ondernemingen en met kennisinstellingen. Dat is één weg.”
“Ik denk daarnaast aan een intelligente manier van internationalisering. In de BRIC-landen ontwikkelt zich de volgende twintig jaar een sterke middenklasse met een groeiend niveau van consumptie. Het is een illusie om te denken dat wij die markten uitsluitend vanuit onze eigen regio zullen kunnen bedienen. We zullen in het buitenland activiteiten moeten ontplooien en jobs creëren, om ook in eigen land banen te kunnen behouden.”
U hebt het verder over nieuwe afspraken tussen de sociale partners. Hoe ziet u dat?
“Ik zei daarnet dat we de werkzaamheidsgraad fors moeten verhogen. Dat kan op twee manieren, langs de ene kant door de effectieve loopbaan te verlengen, langs de andere kant door meer mobiliteit op de arbeidsmarkt.”
“Er zijn een heleboel dingen die we kunnen doen om mensen aan te zetten om hun beroepscarrière langer vol te houden. Competentieontwikkeling, bijvoorbeeld. Klinkt dat wollig? Misschien. Wel, om de vrijblijvendheid te overstijgen, pleiten wij voor de invoering van een ‘werkrekening’. Dat is een rugzakje waarin de werkgever volgens een afspraak investeert ten behoeve van zijn medewerker. In dat rugzakje kunnen bijvoorbeeld middelen terechtkomen voor opleiding, maar ook de ontslagvergoeding. De werknemer kan naar behoefte zijn rugzakje aanwenden voor competentieontwikkeling. Op die manier maken we van passieve vergoedingen activerende uitgaven.”
“Ook meer mobiliteit op de arbeidsmarkt kan de werkzaamheidsgraad fors verhogen. Er is namelijk een opvallende correlatie tussen die twee: alle EU-lidstaten met een hoge werkzaamheid hebben ook een grote jobmobiliteit. Ik vind dat niet zo wonderlijk. Wie geregeld van job verandert, ontwikkelt zijn competenties in verschillende jobs. Daar is zeker ruimte voor verbetering in ons land.”
goedkoper
En wat kan de overheid doen?
“Ze kan bijdragen tot de welvaart door haar kosten zo laag mogelijk te houden. Met andere woorden, door haar diensten zo efficiënt mogelijk aan te bieden en door vooral te mikken op de kerntaken. Ze moet haar eigen kosten beter managen, ze is te duur voor de kwaliteit die ze aflevert.”
“Een gezonde begroting is de basis voor een gezond economisch klimaat. Ik pleit niet voor lineaire snoeioperaties, integendeel. Uitgaven met een investeringsgericht karakter wakkeren de economische ontwikkeling aan: investeringen in onderwijs en vorming, investeringen in innovatie, in publieke infrastructuur – we kunnen niet zonder. Maar we moeten de efficiëntie ervan zoveel mogelijk verhogen. Dat kunnen we doen door bijvoorbeeld vaste regels en procedures af te spreken voor de opmaak en de opvolging van begrotingen. Geen creatieve boekhouding, aub!”
“Een andere piste is dat de overheid het belastingstelsel nog eens tegen het licht houdt. We zien vandaag dat de fiscaliteit een aantal gewenste activiteiten ontmoedigt, in plaats van ze aan te moedigen: investeren, opleiden, werken… Een groei- en werkgelegenheidsbevorderend belastingstelsel, dat zou een hele stap zijn.”
“En dan is er nog het hele domein van de regelgevingen, de vergunningen, de voorschriften. Daar heeft het overheidsoptreden vaak geen directe impact op de begroting, maar wel op het activiteitsniveau van ondernemingen. Soms voert de overheid met goede bedoelingen regels in die achteraf bijzonder nadelige onbedoelde gevolgen hebben. Ik denk dat er veel werk voor de boeg is om daar opnieuw rationaliteit en langetermijndenken in te voeren.”
Kan dat allemaal lukken?
“Het is een cliché, maar het is zo: mislukken is geen optie. We zijn dit aan de volgende generaties verplicht.”
Auteur : Erik Durnez
Bron : Vokatribune maart 2010