Fiscale stop gemeenten heeft zijn werk gedaan
De gemeentelijke belastingtarieven blijken zowat overal bevroren, er zijn geen nieuwe belastingen ingevoerd, en de belastingen op personeel en kantoorruimte lijken nu overal afgeschaft. Al mag er hier en daar een kanttekening bij.
Alle 308 Vlaamse gemeenten hebben vorig jaar het fiscaal pact ondertekend dat de Vlaamse regering had voorgesteld in ruil voor een schuldvermindering van steden en gemeenten met 612 miljoen euro (een extra compensatie voor de zogenaamde Elia-heffing).
In het pact verbonden de gemeenten zich tot een reeks maatregelen. Ze engageerden zich er bijvoorbeeld toe de belastingdruk voor 2009 te bevriezen (geen nieuwe belastingen, geen tariefverhogingen). Forfaitaire gezinsbelastingen zouden niet meer worden opgelegd tot 2012; de enkele gemeenten die nog een belasting op tewerkgesteld personeel en kantoorruimte hanteerden, zouden die afschaffen. Belastingreglementen moesten bovendien bedrijfsvriendelijker worden (dat wil zeggen: nieuwe belastingen worden minstens twaalf maanden op voorhand aangekondigd, en alle regels moeten consulteerbaar zijn op het net). En de huisvuilbelastingen moesten geheroriënteerd worden richting ‘de verbruiker betaalt’.
Voka heeft de begrotingen kunnen inkijken van 297 van de 308 Vlaamse gemeenten. Dat is een oefening die Voka al vele jaren doet, maar nooit voordien werkten zoveel gemeenten mee aan het onderzoek.
3,8 miljard euro
Eerst even de cijfers op een rij. Samen innen de bijna driehonderd gemeenten in het onderzoek voor 3,831 miljard euro aan lokale belastingen. Die kunnen ondergebracht worden in vier categorieën. De twee grootste zijn de ‘onroerende voorheffing’ (opcentiemen) en de (aanvullende) ‘personenbelasting’, die respectievelijk 1,682 en 1,538 miljard euro opbrengen. Samen zijn ze goed voor ruim 80 procent van de gemeentelijke belastinginkomsten.
Twee andere categorieën zijn veel minder belangrijk: de ‘eigen belastingen’, die samen 518 miljoen euro opbrengen, en een restcategorie van ‘andere aanvullende belastingen’, goed voor 93 miljoen euro aan lokale inkomsten.
De totale begrote ontvangsten voor 2009 liggen daarmee, ondanks het fiscaal pact, toch 3,6 procent hoger dan in 2008. Dat lijkt paradoxaal, maar het heeft vooral te maken met de verhoging van de belastbare grondslag voor de personenbelasting (want de gemeenten ontvangen die met een jaartje vertraging). Voor de onroerende voorheffing is nauwelijks een stijging voorzien, terwijl de eigen belastingen lichtjes dalen.
In lijn met de afspraken van het fiscaal pact, blijven de tarieven voor personenbelastingen en onroerende voorheffing vrijwel op hetzelfde niveau als in 2008. In twaalf gemeenten daalt het tarief voor de personenbelastingen, in negen het tarief voor de onroerende voorheffing.
De gemeente Bilzen verhoogt de onroerende voorheffing, maar ze kan daar een uitzondering inroepen, want deze verhoging vervangt een belasting die enkele jaren voordien was ingevoerd, maar waarvoor de gemeente juridisch was teruggefloten. De begrote eigen belastingen van de lokale besturen liggen lichtjes lager.
En nog even over dat fiscale pact: de drie laatste gemeenten die nog een belasting op personeel en kantoorruimte kenden, hebben die voor dit jaar afgeschaft. Mooi, natuurlijk, maar dat is toch geen reden tot algehele tevredenheid. Philippe Muyters, gedelegeerd bestuurder van Voka – Vlaams Economisch Verbond: “Die belasting ‘lijkt’ daarmee volledig van de baan. Maar als je ziet dat bijvoorbeeld Tienen een belasting heft op financiële instellingen, gemoduleerd naar het aantal werknemers. Dat is dan toch alleen maar een variant op de belasting op personeel.” Muyters vermoedt dat er nog wel gemeenten zijn die dit soort technieken hanteren.
lasten op ondernemingen
Het Voka-kenniscentrum heeft samen met de Voka-Kamers ook berekend hoeveel van die lokale belastingen voor rekening van ondernemingen komen. Dat is geen eenvoudige rekensom, zegt Karl Collaerts, adviseur van het Voka-kenniscentrum. “De gemeentelijke begroting zegt natuurlijk niet wie welke belastingen betaalt.”
Maar natuurlijk zijn er een aantal belastingen die uitsluitend worden betaald door ondernemingen (belastingen op reclameborden, bijvoorbeeld, of op banken). En voor een aantal andere belastingen (onroerende voorheffing) kunnen benaderende schattingen worden gemaakt. Collaerts: “Onze voorzichte raming is dat 22,7 procent van de lokale belastingen ten laste komen van ondernemingen.”
Voka heeft ook een top-tien gemaakt van de gemeenten met het hoogste aandeel aan belastingen die betaald worden door ondernemingen. Collaerts: “Dit is geen top-tien van de hoogste belastingdruk, het lijstje zegt niets over de hoogte van de tarieven. We kunnen hier niet uit afleiden wie bedrijfsvriendelijk is en wie niet. We zien alleen dat in gemeenten waarin veel ondernemingen gevestigd zijn, een veel groter deel van de belastingen vanuit de bedrijven komt.”
De lijst wordt aangevoerd door Zwijndrecht, Beveren en Machelen. Dat zijn niet geheel toevallig ook gemeenten met een relatief laag tarief voor de aanvullende personenbelasting. De privépersonen worden er kennelijk ontzien. Maar die wetmatigheid geldt niet meer in de rest van het lijstje.
De score van Zwijndrecht valt uiteraard het sterkste op. Bijna 80 procent van de lokale belastingen komt er van ondernemingen. Verder in de lijst vinden we enkele kleinere gemeenten, die ‘toevallig’ een grote onderneming of een vestiging ervan op hun grondgebied hebben. Dat is bijvoorbeeld het geval met Dessel (Belgonuclear), Kluisbergen en Machelen (telkens Electrabel). Hun aanwezigheid scheelt financieel een slok op de borrel voor de gemeenten. Uiteraard staan ook industriële centra als Antwerpen, Wielsbeke, Genk en Beveren in de top-10.
47 verschillendebelastingen
Lokale belastingen op ondernemingen nemen de meest diverse vormen aan. Voka telde liefst 47 verschillende eigen belastingen van gemeenten, die geheel of gedeeltelijk door bedrijven worden betaald.
De meest populaire is de belasting op de verspreiding van drukwerk: 122 gemeenten hanteren deze belasting. Dan volgen de belastingen op reclameborden (110 gemeenten), en de reclame op drijfkracht (98 gemeenten).
De gemeentelijke fiscale autonomie zorgt ervoor dat, zelfs onder dezelfde noemer, de lokale belastingreglementen er net een ietsje anders kunnen uitzien, zodat het aantal verschillende lokale belastingsystemen de facto nog een flink pak hoger ligt.
De populairste belastingen zijn niet per se ook de belastingen met de hoogste opbrengst. Dat blijkt meteen uit het lijstje: de belasting op drijfkracht brengt veruit het meeste geld in het laadje van de gemeenten die ze heffen (92 miljoen euro). Heel wat andere belastingen brengen nauwelijks iets op.
Voor Voka-topman Philippe Muyters is dat een blijvende bron van ergernis. Muyters: “47 verschillende belastingen, die samen amper 185 miljoen euro opbrengen? Dat is natuurlijk niet erg rationeel. Niet alleen is dat complex en weinig transparant – of zoals ondernemingen het vertalen: een ondoorzichtige administratieve rompslomp. Bovendien is het ook voor de gemeenten zelf vaak onbeheersbaar. Ze moeten niet alleen de belasting vestigen, ze moeten controleren, innen, procedures instellen, enzovoort. Sommige belastingen kosten op die manier meer dan ze opbrengen. Ik denk dat op gemeentelijk vlak best eens kan bekeken worden of sommige eigen belastingen niet beter afgeschaft worden.”
Rudy De Lathauwer (Denderland-Martin)
“Drijfkracht belasten is ouderwets”
“Lokale belasting op drijfkracht is een verouderde belasting”, zegt Rudy De Lathauwer. “Als ik er met de lokale politici over praat, is iedereen het daar mee eens. Maar de stad blijft ze elk jaar heffen, omdat het een makkelijk inbare belasting is.”
Rudy De Lathauwer is gedelegeerd bestuurder van textielververij Denderland-Martin. Zijn onderneming stelt in Gijzegem (Aalst) een zestigtal mensen tewerk. Denderland-Martin draait een omzet van rond zeven miljoen euro, in loonveredeling, en werkt voornamelijk voor de Nederlandse, de Duitse en de Franse markt.
Aalst is een van de 97 gemeenten in het Vlaamse gewest die een belasting heft op basis van het vermogen van motoren. Het is, meent De Lathauwer, echt wel een verouderde belasting, die bovendien haar doel mist.
“Belasting op drijfkracht is blijkbaar ooit ingevoerd als een soort bescherming, omdat motoren ‘arbeidsvernietigend’ waren. Vandaag zien we dat drijfkracht net gebruikt wordt in bedrijven waar geschoolde en minder geschoolde arbeid aan de slag kan. Je vindt geen motoren van hoog vermogen in bankkantoren of advocatenpraktijken. Met andere woorden, vandaag is het een belasting die weegt op de klassieke industrie”, zegt De Lathauwer.
Het resultaat is wel dat industriële bedrijven als Denderland-Martin (en andere), meer dan dienstverlenende bedrijven bijdragen aan de stadsfinanciën, terwijl die toch net zo goed een beroep doen op de gemeentelijke infrastructuur.
De Lathauwer: “Als ik er met de lokale politici over praat, geven ze me meteen gelijk. Maar daar stopt het dan. Verder komen we niet. De belasting op drijfkracht wordt gewoon elk jaar opnieuw geheven. Waarom? Het is een belasting die bestaat, en die perfect berekenbaar is. En er zijn niet zoveel mensen die ze contesteren, want er zijn niet zoveel mensen die ze betalen. Waarom dan een nieuwe belasting invoeren? Dat is de redenering. Terwijl het zoveel logischer zou zijn om gewoon een systeem van opcentiemen op bedrijfswinst in te voeren. Zodat alle bedrijven bijdragen.”
Ook in 2010 lokaal fiscaal pact nodig
Voka wil dat de nieuwe Vlaamse regering de verlenging van het lokaal fiscaal pact prioritair op de agenda zet. “Het huidige pact loopt af in 2009. Het is belangrijk dat het ook in 2010 en daarna wordt doorgetrokken”, zegt Philippe Muyters, gedelegeerd bestuurder van Voka − Vlaams Economisch Verbond.
Voka dringt ook aan op een drastische vereenvoudiging van de lokale bedrijfsbelastingen.
Muyters: “Dat komt niet alleen de bedrijven ten goede, het kan ook zorgen voor aanzienlijke efficiëntiewinsten op gemeentelijk vlak.”
Auteur : Erik Durnez
Bron : Vokatribune juni 2009