Keynotespreker op het Voka-congres 2009 was dr. Jacques Rogge, voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (IOC). In zijn toespraak vergeleek hij de mentaliteit van topsporters met die van een winnende ondernemer.
Hieronder vindt u de volledige toespraak van dr. Jacques Rogge. Wie de toespraak liever eerst afdrukt, kan hem
hier downloaden.
Over winnaars, "honger" en ambitie
Ik kom zoals u uit een zeer competitieve wereld. Het is een wereld vol emoties waar motiverende oneliners en gespierde leuzen de ronde doen.
Oordeel maar: het motto van het IOC is: “Citius altius fortius” – “sneller hoger sterker”.
Of wat dacht u van: “There is no excuse to lose”.
Of “You don’t win silver, you just lose gold”.
En “Winning is not everything. Winning is the only thing”.
Sport is een harde wereld waar een 1/100 van een seconde het verschil uitmaakt tussen tranen en vreugde. Het is ook de wereld van de universele absolute meetbaarheid. Een prestatie is vergelijkbaar overal ter wereld. De atleet kan zijn ambitie en prestatie steeds toetsen aan de tegenstrevers en de realiteit. Maar we moeten ook toegeven dat wij af en toe de “creative accountancy” van de bedrijfswereld tegenkomen. Dat heet dan bij ons “doping”.
Sport is de wereld van de hiërarchie en het klassement. Hiërarchie wordt door moralisten en sociologen soms scheef bekeken. Ik geloof nochtans dat hiërarchie sociaal relevant en moreel aanvaardbaar is als ze gebaseerd is op verdienste. De winnaar is meestal deze die het hardst gewerkt heeft en de voorbeeldfunctie van deze arbeidsethiek heeft een maatschappelijke waarde. Hiërarchie is meer dan een middel tot zelfbevestiging of profijt.
Sport is, zoals bij u, de wereld bij uitstek van de arbeidsethiek. In mijn trainingszaal prijkte de leuze: “Practice makes perfect” en “No pain no gain”. Atleten zijn dan ook perfectionisten en volhardend. Of wat dacht u van de leuze bij uitstek van de “Flandriens”: ”Ik reed vandaag op karakter”.
En karakter, daar gaat het vooral om bij het winnen. Uiteraard zijn genetische aanleg, opleiding, training en omgeving belangrijk. Maar het meest bepalende is niet de musculatuur, de hartpomp of de techniek. Het is de ambitie. Het is tussen de oren dat het gebeurt en dat noem ik dan “honger”. Het gaat zowel om de symbolische honger van een atleet uit een bemiddeld gezin van een rijk land, als de levensechte honger van de arme atleet uit een ontwikkelingsland voor wie bijvoorbeeld de boxsport de enige sociale ladder is.
De ambitieuze winnaar is nooit verzadigd, nooit tevreden. Hij heeft steeds honger naar meer en beter. Neem Eddy Merckx. De Belgische Olympische ploeg van 1964 onderging inspanningsproeven in een labo in Brussel. Merckx kwam pas tweede uit de proef. Een andere renner was veel meer begaafd dan hem maar hij fietste later geen groot palmares bij elkaar. Niemand kon echter zo lang en zo diep in het rood gaan en afzien zoals Eddy. Zijn ambitie was alle wedstrijden te winnen, inclusief de kermiskoersen. Hij werd dan ook de kannibaal genoemd. Of wat dacht u van Kim Clijsters en Justine Henin? Zij hebben titels, geld en roem verzameld. Ze zijn gestopt om van een rustiger privéleven te genieten, maar de honger was blijkbaar niet gestild.
De ambitie en de honger van de overwinnaar is vanzelfsprekend. Winnen is aantrekkelijk. Maar niet alle sporters zijn winnaars en toch blijven ze allen ambitieus. Ze ontdekken vrij vroeg dat zij niet het talent voor de absolute top hebben maar zullen allen hun eigen doelstellingen bijstellen. Hun ambitie zal zijn, een nationaal record, een top tien ranking, een selectie in de nationale ploeg.
Het volstaat niet om ambitie of wilskracht te hebben om de absolute top te behalen en te winnen. Een atleet zal evenwel vreugde beleven als hij een hoge maar persoonlijk haalbare doelstelling nastreeft. Als men aanvaardt, en ik doe het, dat de winnaar degene is die zijn hoog persoonlijke doel bereikt, dan is de titel van deze conferentie ”Willen Winnen” op zijn plaats en kan iedereen een winnaar worden.
Hard trainen en zich veel ontzeggen tot het ascetisme toe om zijn eigen limieten tegen te komen, geeft een gevoel van sereniteit en voltooiing. Wie zeer diep is gegaan in de sport, weet dat de hersenen endorfines sekreteren, die enkele minuten na de inspanning een sterk en enig euforiserend gevoel geven.
Het botsen tegen de eigen limieten is niet ontgoochelend. Wel integendeel. Weten dat men alles gegeven heeft om zijn doel te bereiken, ongeacht of dat doel bereikt wordt, is zingevend en geruststellend. Het is een antwoord op de existentiële vraag die wij ons allen stellen. Wat is de zin van mijn bestaan? Wat maak ik van mijn leven? Dit is de reden waarom subtoppers gemotiveerd blijven, al weten ze goed dat zij de roem en de glitter van de overwinning nooit zullen kennen.
Maar wat doet u als CEO of als ploegtrainer met individu’s met verschillende begaafdheden en vooral ambitie niveaus? Er zijn meer subtoppers dan toppers. Laat u eenieder bepalen wat de eigen doelstelling is of gaat u zelf het niveau bepalen en hen op dit niveau tillen? En hoe is het met uzelf gesteld? Hebt u zelf die honger, die hoge ambitie, bent u zelf bereid een rolmodel te zijn? To lead by example?
Een goede trainer weet zijn aanwervingspolitiek, trainingsmethodologie en zijn objectieven te moduleren volgens de gaven van zijn spelers en uiteraard zijn budget. Dat doet de bedrijfsleider ook.
Verheugend is het vast te stellen dat ambitie en honger tot op een bepaald niveau maakbaar zijn en dat atleten tot een veel hoger ambitieniveau kunnen getild worden door een goede motivering en groepsdynamiek. Ik weet niet of u de ondernemers, of de politici, geloven dat de samenleving maakbaar is, maar in de sport kan het in ruime mate. We zien jonge individu’s letterlijk ten goede voor onze ogen veranderen.
Winnen gaat gepaard met vallen en opstaan. De winnaar in de sport durft risico’s te nemen. Hij haat het verlies maar puurt uit die nederlaag de kracht om weer op te staan en terug te komen. In de Verenigde Staten wordt een bedrijfsfaling sociaal aanvaard en hun Chapter-11-wetgeving weerspiegelt dit. In de volatiele bedrijfswereld waarin wij leven zouden wij er beter aan doen wat meer begrip en geduld te tonen voor ondernemingszin en beredeneerde risico’s.
Typisch voor de sport is dat men zich nooit in een comfortzone bevind. Ik zou zelfs zeggen dat men steeds in een “discomfort zone” is. Reputaties, palmaressen, vooraf bestaande toestanden, in uw geval marktaandeel of sterproducten worden elke dag gechallenged. Met de regelmaat van de klok duiken nieuwe, sterke rivalen op. In de boxsport zegt men “You are only as good as during your next fight”. In uw revisorentaal wordt de atleet “Mark to market” geboekt. En steeds is er de dreiging van de kwetsuur die een loopbaan kan onderbreken of beëindigen.
Er zijn steeds minder heilige huisjes of monopolies in de sport. Het is een geglobaliseerde vrije markt bij uitstek geworden. De Vlaamse sporter moet de concurrentie aangaan met atleten van overal ter wereld die zijn plaats in een Vlaamse ploeg bedreigen. Gelukkig blijkt dit de ambitie van de meesten aan te wakkeren. Van een echte ontmoediging van de spelers door deze concurrentie is er over het algemeen geen sprake. De Vlaamse atleet is niet bang van de vreemde speler. Eerlijkheidshalve dient ook gezegd te worden dat de Vlaamse atleet geen delocalisatie of salarisdumping hoeft te vrezen.
Ambitie wordt gevoed en gericht door leadership. Een coach, een goede ploegkapitein, een bedrijfsleider, zal leiding geven en verantwoordelijkheid opnemen voor zijn ploeg. Hij zal de zwakkeren weten te ondersteunen en motiveren en de meest begaafden en ambitieuzen leren collectief te denken en handelen. Ambitieuze en hongerige winnaars zijn soms, maar niet altijd, natuurlijke leiders. Bij hen ontbreekt dikwijls de empathie en de emotionele intelligentie om met de minder getalenteerden om te gaan. Wat gemakkelijk is voor hen is moeilijk of onhaalbaar voor de anderen.
“There is no excuse to lose”. Ambitieuze atleten zijn intrapunitief en zoeken de verantwoordelijkheid voor het falen bij henzelf in tegenstelling tot de extrapunitieven die externe zondebokken en excuses zoeken. Sport kent een sterke persoonlijke responsabiliseringscultuur. De topatleet weet dat hij zijn prestaties of falen in zichzelf moet zoeken. Een topcoach zal een groepscultuur creëren die deze responsabilisering tot de top drijft. Daarom hou ik van de bekende leuze: “plus est en vous”.
Ambitie in de sport gaat doorgaans niet over lijken. Een momentele zwakte van de tegenstrever leidt tot een versnelling van het peloton, maar bij een bandbreuk van een vedette wordt gewacht en bij een kwetsuur in het voetbal wordt de bal buitengetrapt en dan door de tegenstrever na verzorging terug gegeven. Ambitie en een winnaarmentaliteit staan niet in de weg van wederzijds respect en solidariteit. De gedeelde inspanning en beproeving, het doorbreken van de pijngrens, brengt de atleten bij elkaar. Er heerst een echte camaraderie. Men zegt “you are my competitor, you are not my enemy”.
Ambitie in de sport wordt niet uitsluitend gevoed door geld. Profatleten verdienen goed geld zonder al te veel maatschappelijke discussie. Bij fabelachtige transfers wordt een goodwill berekend die elke revisor zou doen flauwvallen. Hoge salarissen, premies en bonussen worden aanvaard door het publiek maar worden u, de ondernemers, niet gegund. Dat ligt in het feit dat topatleten bewonderd en niet benijd worden, en zij als uitzonderlijke wezens en tevens als collectief bezit door het publiek beschouwd worden.
Het is verheugend vast te stellen dat professionele topatleten de ambitie blijven opbrengen om Olympische medailles te behalen waar geen prize money en geen geld aan verbonden is. Bij alle toppers komt het palmares voor de onmiddellijke winst. Dat geldt zeker ook in de politiek.
Ik geef toe dat de winnaarmentaliteit, de honger, de ambitie gemakkelijker ontwikkeld worden in de sport dan in andere sociale sectoren. Het objectief, de doelstelling is duidelijker bepaald. Er is de zelfbevestigende hiërarchie. Er is de geruststellende maar ook uitdagende arbeidsethiek. Er is recht op falen. Er is de permanente prikkel van de competitie en de uitdaging van de nutteloze moeilijkheid. Aan een bergbeklimmer werd gevraagd: “Waarom de Everest beklimmen?” Hij antwoordde: “Omdat die er staat.”
Maar er is ook, in tegenstelling tot de bedrijfswereld, de warme, brede publieke steun. Atleten worden een geliefd, bewonderd, aangemoedigd, openbaar bezit. Zij worden tot rolmodellen verheven. Dat is een zware opdracht. Zeker als men de top bereikt op jeugdige leeftijd. De supporters zijn ongetwijfeld een steun in de carrière en de ambitie. Maar zij verblinden soms deze jonge atleten die tijd nodig hebben om te begrijpen dat men te veel van hen verwacht en men hen gaven toemeet die zij niet bezitten.
Mevrouwen, Mijn Heren,
Naar aanleiding van dit congres werd me de vraag voorgelegd of aan topsport ook een culturele component verbonden is. Bestaat er misschien zoiets als een “cultuur van winnen”?
Het antwoord op die vraag is heel eenvoudig: ja. Er zijn zonder enige twijfel culturen die de ambitie van jonge sporters koesteren en stimuleren, die hen ertoe aanzetten om hun aspiraties in de praktijk om te zetten en die een inspirerende en motiverende omgeving voor sport creëren.
Ik zie op dat vlak internationaal heel grote cultuurverschillen. In de Scandinavische en Angelsaxische landen is sport helemaal ingebed in het schoolse curriculum. Sporten is er gewoon een essentieel onderdeel van de leerstof. De Engelsen zegden: “The British Empire is born on the playing fields of Eton.” Het is zeker geen toeval dat we in die landen een echte winnermentaliteit terugvinden, die contrasteert met de geestesgesteldheid in ons land en in de meer zuiderse landen. Men kan zich ook de vraag stellen of de grotere gestrengheid van deze overwegend protestantse landen hier geen grote rol speelt.
Hier zitten, denk ik, heel wat lessen in voor ons eigen schoolsysteem. Op de Olympische Zomerspelen in Peking, vorig jaar, haalden we twee medailles: de gouden medaille van Tia Hellebaut, en de zilveren medaille van onze dames in de 4x100 meter. Dat is heel knap van hen. Maar twee medailles is veel te weinig voor een land van deze omvang en van deze ontwikkeling. Onze Noorderburen haalden zestien medailles, waarvan zeven keer goud. Tien medailles voor ons land en daarvan vier gouden: dat zou dus moeten kunnen. Helaas, tezelfdertijd merken we dat de fysieke conditie van onze jeugd sinds 20 jaar constant achteruit gaat en dat wij in dit verband achteraan bengelen in Europa.
Maar daarvoor is een cultuuromslag nodig, en dat is hoe dan ook een proces van lange adem. We zullen moeten investeren, we zullen ambitie moeten kweken en koesteren, we hebben rolmodellen nodig waar jonge mensen zich aan kunnen spiegelen. We moeten ons de winnaarmentaliteit eigen maken.
Mevrouwen, Mijne Heren,
De sportbeweging is met 25.000 sportclubs, drie miljoen geregistreerde competitie en recreatie sportbeoefenaars en nog één miljoen toeschouwers, één van de grootste sociale bewegingen in ons land. Sport vervult een opvoedkundige rol bij de jeugd. Het is gezondheidsbevorderend, het vergemakkelijkt de sociale integratie, het sterkt het karakter en het zelfvertrouwen en is een bron van geluk.
De sporteconomie, berekend door de Antwerpse sporteconoom Profesoor Kesenne, overschrijdt de 2% van het bruto binnenlands product. Wij zijn uiteraard dwergen vergeleken met u. Wij moeten zelf voor eigen deur vegen en de winnaarmentaliteit binnen de sport verbeteren. Wij moeten dan ook niemand de les spellen en we blijven nederig.
Sport kan en zal de problemen van onze maatschappij niet alleen oplossen. Toch ben ik ervan overtuigd dat sportbeoefening en vooral sport op school er kan toe bijdragen een gezonde, maar weerbare en ambitieuze jeugd te vormen.
Bron : Voka-congres 2009