Straks beter opgeleid -personeel in uw bedrijf?
In het regeerakkoord verwijzen de Vlaamse coalitiepartners naar het rapport--Monard, het werkstuk van een commissie die de hervorming van het secundair onderwijs grondig voorbereidde. Het doel: minder schoolverlaters zonder diploma, een opwaardering van technische en beroepsopleidingen, en een betere afstemming van onderwijs en arbeidsmarkt. Voka vindt het rapport van de commissie beloftevol, maar heeft ook voorstellen tot verbetering.
De Vlaamse bedrijven zijn steevast op zoek naar competente werknemers. Voorlopig tempert de huidige crisis het nijpende tekort aan goede arbeidskrachten. Maar dat tekort zal weer pijnlijk de kop opsteken wanneer de economie opnieuw aantrekt. De grootste reden daarvoor is dat de babyboomers met pensioen gaan. De jongeren die hun arbeidsplaatsen moeten innemen, zijn daar vaak niet voor geschikt. Zo’n vijftien procent van de scholieren verlaat de schoolbanken zonder een diploma van het secundair onderwijs. En zij die er wel een hebben, missen soms de juiste kennis en kunde om meteen ingezet te worden in een bedrijf.
Gelukkig lijkt ook het onderwijs zelf de ernst van de situatie in te zien. In mei 2008 belastte toenmalig minister Frank Vandenbroucke een onafhankelijke commissie met de opmaak van een visienota voor een hervorming van het secundair onderwijs. De commissie stond onder leiding van onderwijsexpert Georges Monard, die vijftien jaar lang secretaris-generaal van de onderwijsadministratie was. Een jaar later presenteerde de commissie haar rapport, dat vooral een aanzet is. Het is nu aan kersvers minister van Onderwijs Pascal Smet om het rapport al dan niet in beleid om te zetten. Hoe dan ook zal hij voor elke grote verandering de steun nodig hebben van het onderwijs zelf, waarin 77.000 mensen werken.
Het rapport-Monard steunt op drie grote pijlers: een vernieuwde structuur van het secundair onderwijs, een verbetering van het lerarenberoep en een betere samenwerking met de arbeidsmarkt, de bedrijven zeg maar. Doorheen het rapport gaat er veel aandacht naar technische opleidingen, waar nog veel verbetering mogelijk is.
opwaardering
Grote aandacht in het rapport-Monard gaat naar de structuur van het secundair onderwijs. Dat is nu onderverdeeld in vier onderwijsvormen: ASO (algemeen), TSO (technisch), BSO (beroeps) en KSO (kunst). Dat wil de commissie veranderen.
Om het voorstel beter te kunnen kaderen, is de filosofie erachter belangrijk. De commissie merkt op dat nog te veel jongeren schoolmoe worden of terechtkomen in het watervalsysteem, het mechanisme waarbij een leerling in het ASO begint, maar later ‘afzakt’ naar het TSO en/of het BSO. Monard wil die problemen oplossen door de eerste van de drie graden in het secundair onderwijs (13-14 jaar) veel algemener te maken dan nu. Daarin worden vier ‘belangstellingsgebieden’ aangeboden, waaruit elke leerling kan kiezen voor de tweede en de derde graad.
Het gaat om deze vier gebieden:
- Administratie, handel en economie
- Kunst, cultuur en talen
- Gezondheid, welzijn en samenleving
- Natuur, techniek en wetenschap
De huidige B-stroom van de eerste graad blijft wel als apart instroomkanaal bestaan. Daarin worden leerlingen samengebracht die in het basisonderwijs een grote leerachterstand hebben opgelopen. Dat systeem wordt omgevormd tot een zogenaamd ‘schakelprogramma’, waarin meer nadruk komt te liggen op het verbeteren van de functionele taal- en rekenvaardigheden. Het vormt ook de basis voor een traject in de A-stroom dat na zes jaar leidt tot een arbeidsmarktgerichte kwalificatie.
Het rapport hoopt de slechte reputatie van technische en beroepsopleidingen te kenteren door de beladen termen ‘TSO’ en ‘BSO’ te vervangen door de neutralere ‘belangstellingsgebieden’. Dat zou jongeren (en hun ouders) moeten aanmoedigen om al meteen voor een technische richting te kiezen, wat het watervaleffect tegengaat. De leerlingen moeten ook beter begeleid worden in hun studiekeuze, zegt de commissie.
Zodra een leerling een belangstellingsgebied gekozen heeft, kiest hij verder uit een opleiding gericht op doorstroming naar het hoger onderwijs (de zogenaamde ‘D-stroom’), gericht op een snelle inzet op de arbeidsmarkt (de ‘A-stroom’), of een combinatie van die twee (de ‘AD-stroom’). Naarmate de leerling de tweede en de derde graad doorloopt, krijgt hij mogelijkheden om van de ene stroom over te stappen naar de andere. Ook die extra flexibiliteit moet het watervalsysteem tegengaan.
leraren
De commissie wil ook het beroep van leerkracht opwaarderen. Zo wil het onderwijs meer leerkrachten aantrekken uit de privésector. Zo’n professionele ervaring verrijkt immers een schoolteam, zegt het rapport. Vlaanderen scoort doorgaans zeer slecht op dat vlak. Al lijkt de huidige economische crisis momenteel toch meer mensen uit de privésector naar het onderwijs te lokken, zo blijkt althans uit recente cijfers van de VDAB. In juli 2009 waren er 2050 openstaande vacatures in het onderwijs. Exact een jaar eerder waren dat er 36 procent meer.
Momenteel is directeur worden het grootste carrièreperspectief van een leerkracht, al wil niet iedereen dat. De invoering van een ‘senior’-statuut moet leerkrachten een interessanter loopbaanperspectief geven. Tot slot moeten leraars veel meer dan nu de school verlaten en in contact komen met andere organisaties, zoals bedrijven. Uitwisselingen en lerarenstages zijn daarvan goede voorbeelden.
arbeidsmarkt
Voor het bedrijfsleven is een van de interessantste bevindingen van de commissie dat scholen beter moeten samenwerken met de buitenwereld. Zo zouden ze voor specialistische of niet-onderwijsgebonden taken mensen kunnen aantrekken van buiten het onderwijs. Externe expertise kan veel beter aangewend worden, zegt de commissie. De commissieleden breken ook een lans voor meer variatie in werkplekleren en een breder aanbod van praktische en sociale stages.
Leerlingen die een arbeidsmarktgerichte opleiding volgen, moeten meer dan nu die kwalificaties meekrijgen die nodig zijn om hun toekomstige job goed uit te voeren. Het rapport verwacht daarvoor veel van het nieuwe decreet over de Vlaamse kwalificatiestructuur. Dat decreet betrekt ook de sociale partners bij de bepaling van welke kwalificaties bij welk beroep horen. Scholen moeten hun opleidingen afstemmen op die kwalificaties, zodat de leerlingen maximaal inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt. De Vlaamse kwalificatiestructuur is een referentiekader dat kwalificaties op een eenduidige manier ordent. Elke opleiding heeft één van acht niveaus, volgens de vereiste mate van kennis, vaardigheden, context, autonomie en verantwoordelijkheid. De acht Vlaamse niveaus zijn verbonden met het European Qualification Framework (EQF), zodat internationaal dezelfde niveaus zullen gelden.
Voka reageert op Rapport-Monard
“Veelbelovend, maar nog niet af”
“Het rapport-Monard bevat veel ideeën die het onderwijs beter kunnen doen aansluiten op de arbeidsmarkt. Maar veel van die ideeën kunnen we pas écht beoordelen wanneer ze beter uitgewerkt zijn,” zegt Hakima El Meziane, adviseur talent, competentieontwikkeling en diversiteit bij het Voka-kenniscentrum.
“Wij zijn blij dat het rapport erkent dat niet alle leerlingen in het secundair onderwijs even goed worden voorbereid op de arbeidsmarkt”, zegt El Meziane. “De commissie kiest duidelijk voor een brede vorming. Ze wil ook meer overleggen met de actoren op de arbeidsmarkt over de competenties waarover leerlingen met een diploma moeten beschikken. Dat is goed, al zeg ik er meteen bij dat het rapport niet specifieert hoe dat overleg tussen onderwijs en de bedrijfswereld dan precies moet gebeuren. Wat dat betreft, moeten we dus nog afwachten. De commissie raadt het onderwijs wel aan om klasklare methoden en materiaal te ontwikkelen in samenwerking met onder andere de sectororganisaties. Algemeen genomen blijft de rol van externen vrij beperkt; het rapport stelt vooral een vernieuwing van het onderwijs zelf voorop.”
“De vernieuwde structuur, met arbeidsmarktgerichte en doorstromingsgerichte opleidingen, is interessant. Maar wij vragen ons af of dat wel definitief komaf zal maken met de beschotten tussen ASO, BSO en TSO. Het is voor ons ook niet duidelijk hoe makkelijk of moeilijk een leerling zou kunnen overstappen van de ene richting naar de andere. Die flexibiliteit is essentieel. De idee om de eerste twee jaren van het secundair onderwijs te gebruiken als oriëntatieperiode vinden we goed. Het kan effectief helpen om de ongekwalificeerde uitstroom en het watervalsysteem tegen te gaan. Het is wel jammer dat de ‘zwakkere B-stroom’ in de eerste graad blijft bestaan. Mits een goede samenwerking met het basisonderwijs kan ook die verdwijnen.”
“We zijn voorstander van stages voor leerkrachten, maar vragen ons af of het systeem van vaste benoemingen in het onderwijs geen hindernis is voor meer engagement en inzet van de leerkracht. Voka staat open voor de idee van outsourcing in het onderwijs, waarvan sprake is in het rapport. Dat kan een bijkomende inkomstenbron zijn voor ondernemingen.”
“We kunnen concluderen dat Voka heel wat ideeën uit het rapport ondersteunt. Maar er moet nog veel onderhandeld worden, en het is niet duidelijk welke plaats de werkgevers daarin zullen krijgen. Voka vraagt om het bedrijfsleven als evenwaardige partner te betrekken bij de gesprekken. Zo kunnen we de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt zo goed mogelijk organiseren. De nieuwe Vlaamse regering wil het secundair onderwijs in deze legislatuur nog hervormen. Het rapport-Monard wordt specifiek genoemd als basis voor die hervorming. Voka zal de voorbereiding van die hervorming goed opvolgen in de SERV en de Vlaamse Onderwijsraad, en zal ijveren voor een betere invulling van de combinatie leren-werken, in alle onderwijsvormen.”
Auteur : Tim Spruytte
Bron : Vokatribune september 2009