Peter Leyman voorzitter SERV
Het is onder sociale partners een afspraak dat zij om beurten het voorzitterschap waarnemen. Dit jaar is het de beurt aan Voka. En wat voor een jaar: het slechte economische klimaat, de dreigende ontslagen en de strubbelingen tussen werknemers en werkgevers maken het er voor een SERV-voorzitter niet makkelijker op.
Als SERV-voorzitter moet Peter Leyman het overleg tussen werknemers en werkgevers in goede banen leiden. In goede en slechte dagen, zeg maar. 2010 is in dat verband een cruciaal jaar. Eind 2009 werd tussen werkgevers en werknemers een Werkgelegenheids- en Investeringsplan (WIP) afgesproken. Dat moet nu uitgevoerd worden. En na de slechte economische berichtgeving van de laatste weken hebben de regering en de sociale partners afgesproken om een Staten-Generaal te organiseren over de toekomst van de industrie in Vlaanderen. De SERV-voorzitter zal aan die twee jobs een hele kluif hebben.
Ziet u dat allemaal zitten?
Peter Leyman: “Jazeker. Maar ik steek niet onder stoelen of banken dat de uitdaging bijzonder groot is. De economische omstandigheden zijn slecht, en we zitten met structurele handicaps ten opzichte van andere Europese economieën. Dat is één. Daarnaast zijn de bevoegdheden van Vlaanderen te beperkt om alle problemen te kúnnen oplossen. We hebben niet altijd de sleutel in handen om de problemen die zich stellen zelf op te lossen. Die sleutel wordt vaak vastgehouden door buren die niet altijd dezelfde prioriteiten hebben. Tot slot verloopt het overleg tussen werknemers en werkgevers de laatste tijd bijzonder stroef. Kijk maar naar de recente gebeurtenissen. Je voelt dat er te veel tegenstellingen zijn. We zullen die moeten overbruggen vooraleer we samen tot een open en gedragen toekomstplan kunnen komen.”
WIP
Met het WIP is de SERV daar anders wel in geslaagd.
“Dat is zo. En het zou natuurlijk altijd nog beter kunnen en nog verder kunnen gaan, maar al bij al is het een evenwichtig plan. Het heeft aandacht voor opleiding, activering én de vernieuwing van onze industrie. Dat het plan ondertekend is, geeft mij als nieuwe SERV-voorzitter nog een beetje respijt. Nu is het aan mij en de SERV-partners om erop toe te zien dat het snel en efficiënt wordt uitgevoerd. Dat het WIP rond is, geeft ons ook ademruimte om voldoende aandacht te geven aan de Staten-Generaal voor de Industrie. Daar moeten we een strategie ontwikkelen voor de industrie in Vlaanderen. Per sector moeten we bekijken in welke niches er nog toekomst zit. We moeten ook nadenken over hoe we oudere industrieën kunnen transformeren zodat ze weer een toekomstperspectief krijgen.”
Het zal toch weer niet de zoveelste praatbarak vormen?
“Dat is alleszins niet de bedoeling. Ik wil dat het overleg met vakbonden en politici uitmondt in concrete maatregelen, met een timing en met verantwoordelijke uitvoerders. Anders heeft het geen zin. Plannen zijn er altijd genoeg, we moeten ons concentreren op de uitvoering ervan.”
toekomst industrie
Hoe ziet u de toekomst van onze industrie evolueren? Is er hoegenaamd nog wel een toekomst voor industrie in Vlaanderen, gezien onze hoge kosten?
“Dat denk ik wel. Vergeet niet dat de industrie vandaag nog voor 700.000 jobs zorgt in dit land. En daarbij mag je nog eens een half miljoen gerelateerde jobs uit de dienstensector tellen. Zo kom je toch al tot een aardig getal. Dat allemaal opgeven, wil niemand. Maar we zullen onze industrie wel moeten moderniseren, aanpassen aan de nieuwe economische omstandigheden en de concurrentie uit het buitenland.”
Wat betekent dat concreet?
“Het is een illusie te denken dat er hier nog plaats is voor massaproductie of de productie van standaardproducten. Die tijd is voorbij. We moeten ons richten op nicheproducten, bedrijven waarin we uitblinken. Dat betekent dat we keuzes moeten durven maken. We moeten weten waar we sterk in zijn en daar voor gaan. Ik denk bijvoorbeeld aan bio- en medische technologie.”
Is er dan nog wel plaats voor al het talent in Vlaanderen?
“Als we erin slagen om de neuzen in dezelfde richting te krijgen en een gezond toekomstplan voor onze economie uit te tekenen en uit te voeren, dan zal er plaats zijn voor al het talent in Vlaanderen. Een gezonde economie creëert nu eenmaal jobs en welvaart. Wat niet wegneemt dat we tegelijkertijd zullen moeten investeren in dat talent. Dat betekent ook dat we sommige mensen zullen moeten omscholen en begeleiden naar nieuw werk. Maar we zullen keuzes moeten maken. We kunnen niet alles doen.”
Hoe past de auto-industrie in dat plaatje?
“Ook daar hebben onder meer de hoge loonkosten ons de das omgedaan. Maar anderzijds zie ik dat constructeurs als Volvo en Ford het nog altijd vrij goed doen in ons land. Dus ik denk dat er hier zeker nog een toekomst ligt voor de auto-industrie. Alleen zullen we duidelijke keuzes moeten maken. Ik denk bijvoorbeeld aan de opkomst van elektrische en hybride wagens. Daarop moeten we nu anticiperen en onze productieprocessen aanpassen.”
begroting
Iets anders: uw eerste wapenfeit als SERV-voorzitter was een evaluatie van de Vlaamse begroting. Tevreden?
“Op zich wel. We zien dat de Vlaamse regering grote inspanningen levert om in 2011 tot een nieuw evenwicht te komen. Dat is positief.”
Welk advies geeft u de overheid?
“Dat ze waakzaam blijft, ook al zijn er tekenen van economisch herstel. We zijn er nog lang niet. Daarom vragen we hen om, mochten er al overschotten zijn in 2010, die integraal te investeren in het WIP. En als KBC zijn lening terugbetaalt, dan moet dat geld gebruikt worden voor de schuldafbouw.”
tot slot
Hebt u zin om aan het grote werk te beginnen?
“Jazeker. En ik kijk ook uit naar een positieve samenwerking met de vakbonden. Eind 2009 hebben we bewezen dat dat kan door de opstelling van het WIP. Ik voel me ook vereerd dat deze job mij toegewezen is. Maar de uitdaging zal groot zijn, dat staat buiten kijf.”
Bron : Vokatribune februari 2010