Op 18 december 2009 stelde de Vlaamse regering de tweede herziening van het RSV voorlopig vast. Die herziening actualiseert enkele cijfers lost enkele knelpunten op. We vatten de aanpassingen rond openbare werken samen.
Bijzondere economische knooppunten
Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wil de ruimte voor bedrijvigheid concentreren in de stedelijke gebieden en in een aantal gemeenten die geselecteerd werden als economische knooppunten. In niet-geselecteerde gemeenten in het buitengebied zijn de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Deze beleidskeuze draagt bij tot het bewaren van de resterende open ruimte in het buitengebied en het versterken van de steden als een plaats om te wonen en werken.
De herziening introduceert een lijst van bijzondere economische knooppunten. Deze lijst bevat een selectie van concentraties van bedrijven gelegen in gemeenten van het buitengebied. Deze Vlaamse Regering is van oordeel dat een uitbreiding van die concentratie onderzocht moet kunnen worden.
Behoefteraming
Op basis van onderzoek over de behoeften tot 2012 en de vraag van de sector naar voldoende bouwrijpe terreinen op ieder ogenblik, heeft de Vlaamse Regering met deze herziening beslist om circa 6000 ha extra ruimte te bestemmen voor bedrijvigheid in de periode 2007-2012. De herziening wijst verder uitdrukkelijk op de behoefte aan zorgvuldig ruimtegebruik op bestaande bedrijventerreinen en het activeren van al bestemde maar nog niet benutte bedrijventerreinen.
Lokale bedrijventerreinen
Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen laat lokale bedrijventerreinen alleen toe bij het hoofddorp van een gemeente. Na goedkeuring van deze herziening zullen lokale bedrijventerreinen ook in de buurt van een andere woonkern kunnen, op voorwaarde dat het nieuwe bedrijventerrein aansluit bij bestaande bedrijvigheid en bij geschikte vervoersinfrastructuur. De herziening stimuleert gemeenten om samen te werken bij de inplanting van bedrijventerreinen.
Perspectief voor bestaande regionale bedrijven
Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen geeft ruime aandacht aan bedrijven die zich in het verleden ontwikkeld hebben op locaties waar de komst van een bedrijf nu niet langer gewenst zou zijn. Die bedrijven krijgen ontwikkelingsperspectief op maat. Naast ‘historisch gegroeide bedrijven’ in buitengebied en in niet als economisch knooppunt geselecteerde gemeenten, voert deze herziening nu ook het begrip ‘bestaand regionaal bedrijf’ in. Dat zijn bedrijven die wel liggen in stedelijk gebied of in gemeenten die geselecteerd zijn als economisch knooppunt, maar die niet aansluiten bij andere bedrijvigheid. De herziening creëert ook voor die bedrijven een beleidskader.
In het advies dat Voka formuleerde naar aanleiding van het openbaar onderzoek over deze herziening (dat liep van 10 februari tot en met 11 mei) gaf Voka aan tevreden te zijn dat werk wordt gemaakt van deze korte termijn herziening, omdat een actualisatie van de cijfers voor de meer dynamische sectoren zoals wonen en werken noodzakelijk is. Ook is Voka tevreden met de aandacht die in het addendum gaat naar de toekomstige economische ontwikkeling van Vlaanderen. Zo is de selectie van bijkomende economische knooppunten essentieel voor deze verdere uitbouw. Ook de selectie van Genk als economische poort is belangrijk voor de verdere uitbouw van het economisch weefsel in Vlaanderen. Wat betreft de aanduiding van nieuwe lokale bedrijventerreinen worden positieve aanpassingen doorgevoerd. Vooral de mogelijkheid die aan gemeenten in het buitengebied geboden wordt om lokale bedrijventerreinen van meer dan vijf hectare te ontwikkelen zal op termijn de ruimtelijke ordening in het buitengebied ten goede komen. Wel werd aangegeven dat het cijfermateriaal –vooral in het informatief gedeelte- erg ongenuanceerd wordt voorgesteld, zodat bij niet-specialisten het fout beeld dreigt te ontstaan dat er op dit moment een ruim aanbod is aan beschikbare bedrijventerreinen in Vlaanderen.
Dit beeld wordt door Voka in zijn advies genuanceerd, om zo te benadrukken dat de effectief beschikbare oppervlakte aan bedrijventerreinen in Vlaanderen bijzonder beperkt is. In totaal bedraagt het niet ingenomen bouwrijp aanbod aan bedrijventerreinen in Vlaanderen ongeveer 1.300ha (zie link). De verdeling hiervan over Vlaanderen blijkt daarenboven bijzonder onevenwichtig aangezien meer dan de helft van deze oppervlakte gelegen is in de provincie Limburg. Dit maakt dat de vraag naar bijkomende bedrijventerreinen bijzonder terecht is. Voka ondersteunt dan ook het voorstel om in de komende jaren 6.000 ha extra bedrijventerreinen te creëren.
Om bovenstaande te kaderen en realiseren verwacht Voka heel wat van het aangekondigde decreet ruimtelijke economie. Met betrekking tot de vergelijking van vraag en aanbod moet het decreet ruimtelijke economie voorzien in een correct monitoringsysteem. Het is essentieel dat dit monitoringsysteem duidelijk differentieert om welke types aan beschikbare oppervlakte het gaat. Hieruit zal blijken aan welk type aanbod subregionaal een nood bestaat. Correct cijfermateriaal is in deze essentieel.
Ook de monitoring m.b.t. gemeentelijke en provinciale planningsprocessen moet transparanter. Er bestaat momenteel grote onduidelijkheid over de invulling van deze planningsprocessen. Een vlottere doorstroming van deze gegevens is noodzakelijk. Dit monitoringsysteem zou op elk ogenblik een volledig actueel overzicht moeten kunnen geven m.b.t. de stand van zaken van de uitvoering van de taakstelling.
Daarnaast verwacht Voka van het decreet ruimtelijke economie dat het de periode tussen de bestemming van het terrein en de vergunbaarheid van het terrein inkort, bv. door aanpassingen aan de onteigeningsregelgeving, waarbij zelfrealisatie door de huidige eigenaar eveneens tot de mogelijkheden moet behoren.
Een bijkomende piste om het tekort aan bedrijventerreinen op langere termijn op te vangen is door de (her)ontwikkeling van brownfields te stimuleren. Dit gebeurt reeds in Vlaanderen via het brownfielddecreet, iets waar het bedrijfsleven achter staat. Opvallend is dat deze mogelijkheid vaak wordt aangehaald, zeker in discussies rond zuinig ruimtegebruik. De praktijk leert echter dat slechts een beperkt deel van deze (her)ontwikkelde brownfields terug beschikbaar komt als bedrijfsruimte. Hierin speelt de rendabiliteit van de herontwikkeling een belangrijke rol. Opdat een project rendabel zou zijn, is vaak een (gedeeltelijke) ontwikkeling tot woonfunctie noodzakelijk. Op dit moment is de bijdrage van brownfieldontwikkeling als oplossing voor het tekort aan bedrijventerreinen dan ook beperkt. Deze vaststelling kan mogelijk meegenomen worden bij de evaluatie van het brownfielddecreet.
Met betrekking tot wonen kwam Voka tot de vaststelling dat de woonbehoefte werd geanalyseerd aan de hand van ondertussen naar boven bijgestelde cijfers. Dit maakt dat de gehanteerde analyse niet meer actueel is. Voka vraagt dan ook om cijfers m.b.t. het aanbod hieraan aan te passen.
Auteur : Karel Vervoort, Voka-Kenniscentrum
Bron : miro@voka 7 - juni 2010