Ondernemingen in Vlaanderen zullen dit jaar bijna 1 miljard euro aan gemeentebelastingen betalen. Dat blijkt uit het jaarlijkse Voka-onderzoek lokale fiscaliteit.
Hoewel het aandeel van de ondernemingen in de gemeentebelastingen status-quo blijft op zo’n 25%, stelt het Voka-Kenniscentrum vast dat nog steeds heel wat gemeentebesturen belastingen heffen die investeringen bestraffen. “Wij vragen ook van de lokale overheden inspanningen om het ondernemen te stimuleren”, zegt Peter Leyman. “Belastingen op bouwen of op nieuwe machines zijn dan ook uit den boze.”
Voka voert jaarlijks een onderzoek naar de lokale belastingen van de 308 Vlaamse gemeenten. Dat gebeurt op basis van de begrotingen die de besturen ter beschikking stellen. 297 van de 308 gemeenten werkten aan de barometer editie 2010 mee.
De lokale belastingen kunnen opgesplitst worden in drie grote categorieën: de opcentiemen op de gewestelijke onroerende voorheffing (OV), de aanvullende belasting op de federale personenbelasting (PB) en tenslotte de eigen gemeentelijke belastingen. In die laatste categorie hebben de gemeenten een grote autonomie, ze bepalen zelf immers zowel de belastingsgrondslag, het tarief, de vrijstellingen en verminderingen.
Evolutie van de belastingen 2009-2010
Voor de aanvullende belastingen op de OV en PB kunnen gemeenten alleen hun eigen tarief vastleggen. Maar deze belastingen zijn samen wel goed voor zo’n 84 % van de lokale fiscale inkomsten. Conform het fiscaal pact met de Vlaamse overheid (eigenlijk een belastingsstop voor één jaar) waren de tarieven voor PB en OV in 2009 vrij constant gebleven. In 2010 konden de gemeenten hun belastingen weer verhogen.
16 gemeenten verhoogden hun opcentiemen op de OV, 10 besturen lieten het tarief voor de personenbelasting stijgen. De stijgingen deden zich vooral voor in kleinere gemeenten zoals Lint (opcentiemen OV + 420), Knesselare (opcentiemen OV + 350), Kruibeke (opcentiemen OV + 300), Kraainem (opcentiemen OV + 200 en stijging PB + 2,5%) en Moerbeke-Waas (opcentiemen OV + 200 en PB + 1%). Er waren ook enkele besturen die hun belastingen lieten dalen. Dat was bijv. het geval in Maaseik (opcentiemen OV – 200) en Kontich (PB – 0,7%).
De opbrengst van de belastingen steeg in 2009 in Vlaanderen met 3,6 % of een extra inkomst van 133 miljoen euro. Zeker in reële termen is die stijging aanzienlijk. In 2009 bleven de prijzen immers goeddeels constant, en was er een economisch verlies van 3,1%. Het gemeentelijke overheidsbeslag is dus wel verder toegenomen.
Belastingen betaald door ondernemingen
Ondernemingen in Vlaanderen betalen ongeveer een kwart van de totale lokale belastingen of bijna 1 miljard euro, zo blijkt uit een voorzichtige inschatting op basis van dit onderzoek. Ongeveer 40 % van de belangrijkste lokale belasting, de onroerende voorheffing, wordt betaald door ondernemingen (700 miljoen euro). Maar ook ruim een derde van eigen belastingen (bijna 200 miljoen euro), die de lokale besturen kunnen vaststellen, wordt volledig door ondernemingen betaald. Het gaat dan bijv. om een heffing op de verspreiding van reclamedrukwerk. Daarnaast zijn er ook gemeentelijke belastingen waarvan de ondernemingen minstens een gedeelte afdragen, zoals een milieubelasting of algemene gemeentebelasting. Een voorzichtige inschatting gaat uit van zo’n 90 miljoen euro betaald door ondernemingen.
In totaal vond Voka in de begrotingen 47 eigen belastingen die gemeenten heffen en die volledig of gedeeltelijk betaald worden door ondernemingen. “Dit is voor ons een belangrijk pijnpunt uit dit onderzoek”, stelt Peter Leyman, gedelegeerd bestuurder van Voka. “De lokale autonomie maakt dat elke gemeente bovendien die verschillende belastingreglementen anders kan formuleren. Daardoor hebben vele ondernemingen, zeker wanneer ze vestigingen hebben in verscheidene gemeenten, het gevoel dat het aantal verschillende belastingregels nog hoger ligt. De administratieve rompslomp blijft één van de meest gehoorde klachten bij onze ondernemingen.”
Bij de meest voorkomende belastingen horen:
- Belasting op verspreiding van reclamedrukwerk in of 4 op de 10 gemeenten (113 gemeenten)
- Belasting op drijfkracht in 1 op de 3 gemeenten (94 gemeenten)
- Milieubelasting (76 gemeenten)
- Belasting op bouwen of verbouwen (64 gemeenten)
Meer en meer komt ook een “algemene belasting op ondernemingen” voor. Dat is nu al het geval in 1 op de 5 gemeenten (59 gemeenten). Vaak gaat daar een belasting op oppervlakte achter schuil. Die komt dus boven de onroerende voorheffing die de bedrijven sowieso al betalen op hun gronden (op basis van het kadastraal inkomen).
De belasting op drijfkracht blijkt met 88,5 miljoen euro het meest te hebben opgebracht in 2009. Ook de milieubelasting (die weliswaar maar gedeeltelijk betaald wordt door bedrijven) en de algemene gemeentebelasting brengen vrij veel op voor de lokale besturen.
Investeren mag niet worden bestraft
Een belangrijke conclusie die Voka uit de doorlichting van de lokale belastingen trekt, is dat nog te vaak belastingen worden geheven op investeringen. Peter Leyman: “Belastingen op drijfkracht of op bouwen en verbouwen zijn demotiverend voor ondernemingen die willen investeren. Ook belastingen op oppervlakte kunnen nadelig zijn, zeker voor een regio die van haar logistieke sector een speerpunt wil maken. Wij pleiten ervoor dat ook de lokale overheden een beleid zouden voeren dat ondernemen stimuleert. Het afschaffen van de belasting op drijfkracht voor nieuwe investeringen, zoals in Wallonië is gebeurd, zou een stap in de goede richting zijn.”
Daarnaast verwacht Voka van de gemeentebesturen ook meer inspanningen om te besparen en de efficiëntie te verhogen. “In deze tijden moet iedereen de tering naar de nering zetten, dus ook de steden en gemeenten”, zegt Voka’s gedelegeerd bestuurder. “De jongste jaren is het personeelsbestand op lokaal niveau ook sterk toegenomen. En dat is niet houdbaar. Wij vragen dat er meer controle op de uitgaven komt, en meer efficiëntie op het lokale niveau. Minder administratie, meer samenwerking tussen gemeenten en minstens het in vraag stellen van die lokale belastingen waarbij de opbrengst niet in verhouding staat tot de kosten om ze te innen.”