Na drie jaar onderhandelen, of pogingen tot onderhandelen, kwam er nog altijd geen oplossing. Nu moeten nieuwe verkiezingen de patstelling doorbreken.
Hoe staat ons land er nu voor? En wat moeten de beleidsmakers nu doen? We vroegen het aan vier toonaangevende opinieleiders, van boven en onder de taalgrens.
Béatrice Delvaux, hoofdredactrice Le Soir: De tijden zijn veranderd
“De voorzitter van het directiecomité van Tractebel verslikt zich bijna in zijn koffie: in het weekblad Trends op 28 oktober 1993 staat zijn foto paginagroot onder de
titel ‘Bodson versus Vlaanderen’. ‘Tractebel kent Vlaanderen niet’, luidt het, ‘en negeert in zijn bijna honderdjarige bestaan de bevordering van Vlamingen, die nagenoeg afwezig zijn in de algemene directie en in de raad van bestuur.’ Een communautaire rel, precies nu Bodson baadt in het succes en de wereld aan het veroveren is. De schrik slaat toe. Tractebel heeft de optelsom vlug gemaakt: de groep realiseert 49 procent van zijn omzet in Vlaanderen, waar hij 15.700 mensen in dienst heeft, tegenover 9.500 in Wallonië en 4.500 in Brussel.” (Uit “Zes huwelijken en een begrafenis. Grote en kleine geheimen van de Belgische Haute Finance” van Béatrice Delvaux en Stefaan Michielsen)

Het minste dat je kunt zeggen, is dat de dingen sindsdien drastisch zijn veranderd. In die tijd waren de hefbomen van de economische en financiële macht in dit land in handen van een francofone oligarchie. Niet alleen bij Tractebel, maar in zowat alle grote ondernemingen op de Brusselse beurs. Enkele flamands de service dienden als excuus, zoals Fred Chaffart bij de cementgroep CBR en de Generale Bank, Valère Croes bij verzekeraar AG, Luc Vansteenkiste bij Recticel.
De strijd voor de vervlaamsing van de energie en voor de creatie van een bankierspool van het Noorden woedde hevig. Trends bracht er – via de pen van Frans Crols – niet alleen de echo van, het was de stokebrand, de eerste kruisvaarder. En mettertijd werd de slag gewonnen: KBC werd geboren, de energiesector geliberaliseerd en het kapitaal van Electrabel mag dan in Franse handen zijn, de groep wordt vandaag geleid door de Gentse Sophie Dutordoir. De meeste ondernemingen uit de Bel20 staan vandaag onder leiding van Vlaamse managers.
Waarom ik oude verhalen uit de kast haal? Omdat Vlaanderen zich best herinnert welke weg er is afgelegd en hoe het evenwicht meer dan hersteld is. De economische macht is niet langer francofoon en de hefbomen zijn voor een groot deel in handen van regionale ministers. De macht en de bevoegdheden zijn veranderd.
En dus vraagt men zich aan Franstalige zijde af waarom Vlaanderen – met zijn hogere welvaart en groei dan Brussel en Wallonië – zo geobsedeerd blijft door de overheveling van bijkomende bevoegdheden en door de angst voor de Franstalige olievlek. Vlaanderen geniet immers het hoge aanzien: als een Franstalig kaderlid carrière wil maken in een Belgische onderneming, dan moet hij tweetalig zijn – of, beter nog, Vlaming. Zoveel gevechten gewonnen, zowel in cultuur als in economie, en toch nog altijd revendicatief en gefrustreerd? Wat wil Vlaanderen dan echt, het heeft al zoveel verkregen? Wat willen de Vlaamse werkgevers? U die dit leest, wat is uw antwoord?
Er zijn twee mogelijkheden. Het eerste is het meest softe: Vlaanderen wil een efficiëntere functionering van het beleid, de besluitvorming, het beheer van economie, justitie, financiën. Het denkt dat dat alleen mogelijk is door nog verder te regionaliseren, gelet op wat het “de zorgeloosheid, de francofone traagheid” noemt. Het tweede antwoord, meer onrustwekkend, is dat de Vlamingen alleen maar Vlamingen willen zijn. Onder elkaar, homogeen: “wat we zelf doen, doen we beter”.
blauwdruk
Dat overheveling van competenties systematisch de efficiëntie verhoogt, blijft te bewijzen. Maar het kan helpen, want er zijn verschillen in ideologische en sociale overtuigingen, in ontwikkelingsniveau, in prioriteiten. Een voorbeeld: de controle van de werklozen verloopt beter als elke regio het probleem aanpakt zoals hij wil, in lijn met zijn overtuigingen en zijn economische situatie. Ook de Franstalige partijen blijken nu voor het eerst bereid om mee te werken aan een substantiële staatshervorming.
Schuilen achter dit “ja” nieuwe “neens”? Ongetwijfeld. Maar als we in dit land stabiliteit wensen en de echte prioriteiten willen aanpakken die de wereld en Europa ons opleggen, dan moeten we de communautaire uitdaging aangaan met creativiteit en met een nieuw samenlevingspact voor ogen. Een nieuwe blauwdruk voor België, goed voor tien of twintig jaar. Bij voorkeur vertrekken we van wat ons samenhoudt, in Noord en Zuid, en dat versterken we. Voor al het andere gaan we verder.
Is dat politiek haalbaar? De mannen en vrouwen die de verkiezingen winnen, zullen moeten laten zien wat ze waard zijn. Als de De Wevers en Maingains een stem krijgen in het kapittel, mogen we hopen dat ze van hetzelfde kaliber zijn als destijds de Schiltzen en de Outers.
Leidt het tot economische efficiëntie? Misschien, op voorwaarde dat de werkgevers pragmatisch blijven en beseffen dat de economische ruimte geen territoriale grenzen kent. Zoals Voka dat deed in het rapport dat de toekomst van Brussel verbindt aan het succes van de ruime economische regio rond de hoofdstad.
Hoe kunnen we samenleven? De wil moet er zijn, anders werkt het niet. We moeten de contouren hertekenen van ons gemeenschappelijk speelveld. We moeten de gezamenlijke toekomst verzekeren van de twee gemeenschappen in dit land, door ruimte te creëren voor een spontane ontmoeting tussen de beide: een federale kiesomschrijving, een echte tweetaligheid in de Franstalige scholen, enz…
Ik verwijs tot slot naar de verstandige woorden van Luc Huyse, professor-emeritus sociologie van de KULeuven, die waarschuwt voor de gedachte dat Vlaanderen zonder Walen al in het nirwana zou zijn: “Alleen kijken naar wat aan de overkant van de straat gaande is en niet zien dat de hele wereld in mutatie is, verblindt en verdooft. Dromen aan het ziekbed van België mag, behalve als het elke zin voor realisme doodt.”
Luc Van der Kelen, editorialist Het Laatste Nieuws: De toekomst verzekeren of verkwanselen
De verkiezingen van 13 juni komen op een ongelegen moment, maar ze uitlokken was wellicht de moedigste beslissing die een individuele politicus de afgelopen drie jaar heeft genomen. De federale regering heeft de crisis vrij goed opgevangen, maar ze was niet in staat om het nieuwe, offensieve ondernemingsgerichte beleid te voeren dat meer dan ooit noodzakelijk is. Met de begroting 2010 in uitvoering en het Europese voorzitterschap dat pas in september echt begint, hebben de partijen 70 dagen tijd om een nieuwe, stabiele meerderheid te vinden.
Het begin van de campagne was desastreus. Geen mens die gelooft dat Siegfried Bracke of Rik Torfs op 14 juni nog iets in de pap te brokken zullen hebben. Ze moeten de kiezers nu aangenaam bezig houden om de aandacht af te leiden van de mislukking van de voorbije periode.
De volgende poging, van de linkse partijen, was ook al een klassieker, het beloven van meer pensioen en meer sociale uitgaven. Dat offensief is in de media weggehoond. Daarmee is de campagne waar ze moest zijn: bij de sanering van de publieke financiën en wat daarvoor nodig is, wetende dat Europa van België vermoedelijk strengere maatregelen zal eisen dan ze nu al doet. Een gewaarschuwd land zou er twee waard moeten zijn.
efficiënter
Er zijn voor dit halfslachtige land maar twee oplossingen: ofwel terug naar het unitaire kader, wat geen optie is, ofwel resoluut naar een doorgedreven autonomie voor de regio’s. Wat is essentieel voor het federale niveau? Wat efficiënter is, als men het samen doet. Een voorbeeld: een ziekteverzekering is efficiënter naarmate de verzekeringsbasis groter is. Maar inkomensvervangende uitkeringen als pensioenen zouden dan weer beter materie zijn voor de deelstaten. Zo kan het strafwetboek federaal blijven, maar de organisatie van de rechtbanken worden uitbesteed aan de deelstaten.
Ten tweede hebben we democratische hervormingen nodig: stemrecht, een meerderheidskiesstelsel, samenvallende verkiezingen, mogelijk een federale kieskring.
Ten derde zal de volgende regering er een moeten zijn die bespaart en niet een die extra uitgeeft. Met 20 miljard tekort is er geen ruimte voor nieuwe uitgaven, tot 2015, moment dat de begroting opnieuw in evenwicht moet zijn. En ten slotte moeten de kerntaken van de overheid aangepakt worden: de justitie, de veiligheid, de financiën, de ambtenarij.
Kan dat allemaal? Ja. Zal het ook gebeuren? Daar valt aan te twijfelen als men vanuit Wallonië de stemmen hoort voor een centrum-linkse regering van meer belastingen, meer uitgaven, meer sociale bijdragen. Twee jaar voor de vergrijzingsgolf toeslaat, kunnen we onze toekomst verzekeren of verkwanselen.
Didier Delafontaine, journalist RTBf: We moeten gaan stemmen
Alweer verkiezingen! Het hele land slaakt een grote zucht. Sommigen roepen zelfs op tot politieke onthouding. Politieke spelletjes, principiële zaken of moeheid rond BHV? Het maakt niet uit: op 13 juni trekken we noodgedwongen naar de stembus.
Intussen horen we dat de kloof tussen burger en politiek weer groter wordt. Dat de politiek te ver staat van de dagelijkse zorgen, de crisis, de werkloosheid. Sommigen zeggen zelfs dat de duivel terug op aarde is, in de gedaante van een Bart De Wever aan de ene, van een Olivier Maingain aan de andere kant. Het is niet echt onwaar.
Meer nog dan de staat, moet het politiek systeem hervormd worden. De leiders van het land zijn immers die politici die we zelf verkozen hebben. En zelfs politici die door velen worden bekritiseerd, raken verkozen. Daarom: laat die mensen eens duidelijk maken waar zij voor staan. Willen zij het einde van dit land? Willen zij halsstarrig in hun loopgraven blijven zitten, met alleen oog voor hun eigen achterban?
Sommigen denken blijkbaar dat hun regio, op eigen benen, het ultieme paradijs zou worden. Dat is natuurlijk larie. Toch geraakt het verkocht bij een deel van de bevolking. Dat soort navelstaarderij is verspreid over tal van regio’s, in Spanje, Italie, Oostenrijk, noem maar op.
De homo sapiens zit blijkbaar zo in elkaar: zestig jaar lang werken aan de afbouw van de grenzen in
Europa, en toch dromen van nieuwe grenzen, nog nauwer dan de oudere. Terwijl we naar de toekomst zouden moeten kijken met een visie. Ondernemingen hebben nood aan visie en stabiliteit, en zeker niet aan grenzen. Goederen, kapitaal en zelfs arbeid reizen bijna zonder tegenwind. Maar we missen een visie die daarop gebaseerd is.
Laten we dus naar de stembus gaan met vastberadenheid. Laten we kiezen, terug aan de slag gaan en uiteindelijk alle aandacht geven aan de grond van de zaak. België, zegt men vaak, is het laboratorium van Europa. We mogen dat laboratorium niet belachelijk maken.
Guido Fonteyn, columnist: Vallen is geen schande
Het is voor een regering in België niet schandelijk om over een ‘communautair’ onderwerp te vallen. Communautaire problemen zijn samenlevingsproblemen, en die zijn altijd belangrijk. Zoals het samenleven van blanken en zwarten in de Verenigde Staten van voor en na de segregatie, van protestanten en katholieken in Noord-Ierland in de lange jaren van geweld, of van Israeli’s en Palestijnen in Jeruzalem… Geef mij dan maar de samenleving tussen Vlamingen en Franssprekenden in en om Brussel, BHV inbegrepen. Of tussen 27 lidstaten in een Europese Unie.
Regeringen zijn er niet enkel om een sociaal-economisch beleid te voeren. Dat is wel een wezenlijk onderdeel van hun taak, maar hun macht ter zake is beperkter dan vaak gedacht wordt. Dat leerden ons de bankencrisis en dossiers zoals de sluiting van Opel Antwerpen, en – in een sluipend maar onafwendbaar proces – de sluiting van de laatste hoogovens in Wallonië.
Dat zou regeringen ertoe moeten aanzetten om zich op de markt wat bescheidener op te stellen, en de (kiezende) burger beter te verzorgen. Natuurlijk moet het ultieme gezag in onze samenleving politiek zijn en moet een politiek gezag de spelregels bepalen, ook en vooral de financiële. Maar op de markt staan andere, zeer belangrijke spelers. Regeringen moeten dus in de eerste plaats zorgen voor een goed onderwijs en een goede gezondheidszorg, voor een goed milieu ook.
En regeringen moeten interne conflicten voorkomen en oplossingen zoeken voor bestaande conflicten. Wij zijn daar in België al bijna 130 jaar mee bezig, als ik vertrek van de eerste taalwetten in het gerecht uit 1873. Dat heeft dit land niet belet welvarend te worden en te blijven. En ons op discussie en afwezigheid van geweld gebaseerd Belgisch model verdient eerder navolging dan hoon, zowel in het binnen- als in het buitenland, ook als daar geregeld een regering over valt.
Bron : Vokatribune juni 2010