Verplicht archeologisch vooronderzoek rem op investeringen

" In de praktijk blijkt vooronderzoek niet zo beperkt is als men altijd liet uitschijnen en dat het zorgt voor maandenlange vertraging  "

archeologieHet loopt goed fout met de nieuwe verplichting tot een archeologienota. Het kan tot maanden vertraging leiden, en de kost kan uiteindelijk oplopen tot 10.000’den euro’s. Het decreet moet dringend aangepast en vereenvoudigd worden.



Steven Betz door Steven Betz
Adviseur ruimtelijke onderning

- Kost onderzoek geen 250 euro, maar tot 7.500 euro, en bij onderzoekmaatregelen tot 10.000’den euro’s

- Onderzoek kan tot maanden vertraging leiden

- Decreet moet snel aangepast en vereenvoudigd worden


Een bouwproject veronderstelt meestal een ingreep in de bodem. En afhankelijk van de oppervlakte van die ingreep en rekening houdende met de ligging en oppervlakte van je perceel, ben je als bouwheer sinds 1 juni 2016 verplicht om een bekrachtigde archeologienota bij je vergunningsaanvraag te voegen.

Deze administratieve verplichting zat er al een tijdje aan te komen. Het onroerenderfgoeddecreet dateert immers al van juli 2013. Maar het besluit dat het hoofdstuk archeologie in werking moest laten treden, werd pas eind vorig jaar goedgekeurd en trad midden dit jaar volledig in werking.
Dat er drie jaar voorbijging tussen het decreet en de inwerkingtreding, toont aan dat niet iedereen warm liep voor deze regeling. De achterliggende gedachte van de archeologienota is nochtans nobel. Men wil een oplossing bieden aan het probleem dat verschillende grote bouwwerken de laatste jaren werden stilgelegd omdat men onverwachts stuitte op een archeologische vondst. De bouwheren geraakten daarbij soms in financiële problemen. Het idee van de archeologienota is om op voorhand een “beperkt” archeologisch vooronderzoek te laten uitvoeren, zodat de bouwheer niet voor onaangename verassingen komt te staan.

Na enkele maanden praktijkervaring blijkt het probleem dat dit vooronderzoek niet zo beperkt is als men altijd liet uitschijnen en dat de bekrachtiging van de archeologienota zorgt voor maandenlange vertragingen. Waar loopt het fout? Zoals Minister-president Bourgeois zelf midden oktober in het Vlaams Parlement moest toegeven, sloeg zijn administratie de bal serieus mis toen zij de kosten voor de opmaak van een archeologienota inschatte op 250 euro. In werkelijkheid schommelen deze kosten tussen 2.500 euro en 7.500 euro en dat zijn dan nog enkel de kosten voor het bureauonderzoek! Wanneer er onderzoeksmaatregelen worden bevolen, zoals het trekken van proefsleuven, kunnen de kosten oplopen tot tienduizenden euro’s (en dit allemaal terwijl er misschien helemaal geen archeologisch materiaal op de site te vinden is).


Ook de vertragingsfactor van de archeologienota stond in de sterren geschreven. Allereerst is er de vaststelling dat er vandaag simpelweg te weinig erkende archeologen zijn om de dossiers af te handelen. Initiatiefnemers moeten dus wachten tot een van hen beschikbaar is om de archeologienota op te maken. Eens die nota klaar is, blijkt het ook geen evidentie te zijn om deze binnen de voorziene termijn van 21 dagen door de bevoegde administratie te laten bekrachtigen. Zo worden nota’s omwille van loutere vormgebreken meermaals teruggestuurd. Betreurenswaardig is ook dat archeologen wandelen worden gestuurd wanneer zij hun ontwerp van nota al eens informeel wensen voor te leggen. Resultaat is dat een hoop investeringsdossiers nu al tegen een maandenlange vertraging aankijken terwijl het probleem van te weinig erkende archeologen nu pas echt begint door te wegen. En was versnelling nu niet juist een van de doelstellingen van deze reglementering?


Daarnaast is er nog de kwestie van de financiering van de eigenlijke archeologiekost. Om de kosten te helpen dragen, kan je in welbepaalde gevallen een premie aanvragen voor buitensporige directe kosten die voortvloeien uit verplichte archeologische opgravingen. Deze premie voor buitensporige opgravingskosten bedraagt maximaal 40.000 euro, wat in vele gevallen ruimschoots onvoldoende is.  De minister-president liet al verstaan dat hij dat maximumbedrag wil herbekijken.  Maar ook al trekt men de maximale tussenkomst met enkele tienduizenden euro’s op, dan nog zal deze aanpassing ontoereikend zijn. Professionelen worden bovendien uitgesloten van deze premie vermits van hen verwacht wordt dat ze zich aansluiten bij een vrijwillig solidariteitsfonds. Maar zolang er geen voldoende stimuli voorzien worden, zal dat archeologisch solidariteitsfonds een louter theoretisch instrument blijven.


Als Vlaanderen kiest om meer in te zetten op archeologie dan moeten er ook maar meer middelen naar dit domein gaan en mag men de verantwoordelijkheid niet afschuiven op de initiatiefnemer. Vraag is of de Vlaming bereid is om significant meer budget vrij te maken voor archeologie. Indien niet, dan moeten de ambities ook worden bijgesteld. Moeten we nog investeren in de opgraving van een zoveelste boerderij uit het Romeinse tijdperk of moeten we prioriteiten durven stellen?

Voka verwacht dat minister-president Bourgeois de problemen snel aanpakt. De code van goede praktijk zou op korte termijn herbekeken worden. We verwachten in elk geval dat de aanpassing er voor zal zorgen dat de kosten tot opmaak van de archeologienota aanzienlijk verminderen en dat dossiers veel sneller kunnen worden afgehandeld. Voor dat laatste is er ook dringend een mentaliteitswijziging nodig bij de bevoegde administratie.

Er zijn ook aanpassingen nodig aan het decreet zelf. De  oppervlaktedrempels die bepalen wanneer een archeologienota nodig is, moeten opnieuw kritisch worden bekeken. Ook een versoepeling van het begrip ‘ingreep in de bodem’ lijkt nodig. Niet elke spade in de grond levert immers een risico op. Voka pleit er ook al geruime tijd voor om globale regelingen mogelijk te maken als er bijvoorbeeld gebiedsdekkende studies voorhanden zijn. Daar moet kunnen gewerkt worden met 3D-kaarten waardoor men bodemlagen kan opnemen op de lijst van zones waar geen archeologische vondsten te verwachten vallen. Hierdoor zouden initiatiefnemers in deze gebieden worden vrijgesteld van de verplichting tot opmaak van een archeologienota (nu zijn bijna enkel oude ontginningsgebieden in deze lijsten opgenomen).

Midden volgend jaar staat een evaluatie gepland van de werking van het onroerenderfgoeddecreet. De alarmerende signalen die bijna dagelijks binnenkomen, maken alvast duidelijk dat we niet nog een half jaar kunnen wachten met deze evaluatie. Snel aanpassen en vereenvoudigen is noodzakelijk, zowel voor de archeologie als voor de investeringen.



Log in om te kunnen reageren op deze opinie

ViewDetail