filter op onderwerp

filter op regio

zoek naar:  

Nieuws

04mei
10
 Mobiliteitsenquête legt pijnpunten bloot

Bijna alle bedrijven hebben de files de laatste vijf jaar gevoelig zien toenemen. Dat blijkt uit een enquête van Voka. Zeven op de tien ondernemingen neemt maatregelen om de mobiliteit van hun werknemers te verbeteren.

Mobiliteit: prioriteit?

Ze doen dat vooral met flexibele arbeidsuren of telewerk, en minder door alternatieve vervoersmodi te promoten. Slechts een fractie van de bedrijven pakt de mobiliteitsproblemen structureel aan met een bedrijfsvervoersplan. “Dat is een gemiste kans”, zegt Katleen Mariën van het Voka-kenniscentrum, “want het zou hen geld en meer tevreden personeel kunnen opleveren.”


Voka voerde bij zijn leden een enquête uit over de problemen die zij ondervinden in verband met de mobiliteit van hun medewerkers, en wat zij daaraan wensen te doen. Meer dan 1.200 ondernemers beantwoordde de vragen. Ongeveer een derde van die bedrijven zijn gevestigd op een bedrijventerrein of aan de rand van de stad. Een vijfde bevindt zich in een kleinere gemeente en veertien procent in een grote stad. Het resterende deel van de ondervraagden is landelijk of in havengebied gelegen.


Waar ook gelegen, zowat alle ondervraagden, ruim negen op tien, geven aan dat het probleem van de files de afgelopen vijf jaar gevoelig is toegenomen. Dat levert hen ook heel wat problemen op. Ze ervaren vooral het tijdsverlies van het personeel tijdens de werkuren als problematisch. Ruim de helft geeft aan dat dit erg tot zeer erg het geval is. Incidentele files, bijvoorbeeld door een ongeval of bij schade aan het wegdek, worden als iets minder problematisch aanzien: daar vinkte ruim 45 procent de vakjes ‘erg’ of ‘zeer erg’ aan.


En ook wanneer het tijdsverlies door files van het personeel geen probleem blijkt, dan nog kan de economische schade oplopen. Hoewel dat buiten de scope van deze enquête viel, waren er verschillende ondernemers die daarop wezen in de open antwoorden. Marc Grootel, zaakvoerder van Groover International is zo iemand. Hij schrijft: “Als transporteur ondervinden mijn werknemers quasi geen problemen in het woon-werkverkeer. Des te groter is wel de economische schade doordat de gemiddelde omzetsnelheid van mijn wagenpark elke dag daalt door de files. Dan spreken we nog niet over de niet gelukte los- en laadopdrachten omdat onze chauffeur zijn bestemming niet tijdig kon bereiken.”


mensen vinden

Het vinden van geschikt personeel lijkt op het eerste zicht minder gelieerd aan de slechte bereikbaarheid van een bedrijf. Voor 35 procent is dat helemaal geen probleem; 41,5 procent ziet het als matig problematisch. Een ander beeld krijgen we evenwel als we die antwoorden opsplitsen per provincie. Dan zien we het probleem vergroten naarmate we opschuiven richting hoofdstad. In West-Vlaanderen bijvoorbeeld, ervaart slechts een op de tien ondernemers congestie als een probleem voor het aantrekken van personeel. In Vlaams-Brabant is dat al een derde, en in Brussel ervaart niet minder dan tweederde van de bedrijven problemen bij het vinden van geschikt personeel omwille van bereikbaarheid. Werken vanuit de hoofdstad kan zo zijn voordelen hebben, maar dus duidelijk ook zijn nadelen, zeker op het vlak van personeel.


aanpak

Hoe moeten die problemen nu aangepakt worden? Ook dat vroegen we de ondernemers. Hun antwoorden waren vrij klassiek. Het topantwoord was ‘meer infrastructuur’ aanleggen (34 procent duidde dit antwoord aan als eerste keuze), gevolgde door ‘betere infrastructuur’ aanleggen (24,8 procent nam dit antwoord als eerste keuze). Daarna volgde de invoering van dynamisch verkeersmanagement (17,3 procent). Ook in de open antwoorden kwam dat item herhaaldelijk naar voren: niet enkel de vraag naar meer dynamische verkeersborden werd daar ten berde gebracht, maar blijkbaar vormt ook de slechte afstelling van verkeerslichten vaak een grote frustratie. Meer en beter openbaar vervoer werd door bijna 17 procent aangevinkt als eerste prioriteit.


Het lijkt er dus op dat ondernemers in de eerste plaats vragende partij zijn voor meer infrastructuur. “Dat is zeker een gegronde vraag,” zegt Katleen Mariën, adviseur bij het Voka-kenniscentrum, “want cijfers tonen aan dat de meeste snelwegen in de Vlaamse Ruit verzadigd zijn. Limburg en West-Vlaanderen kampen minder met dat probleem, en dat zien we ook meteen weerspiegeld in de antwoorden. Daar is veel minder vraag naar meer infrastructuur.”


Katleen Mariën heeft wel een bedenking of meer infrastructuur ook daadwerkelijk de beste oplossing is: “We moeten ook kijken naar de haalbaarheid. Wegen aanleggen en onderhouden kost veel geld en bijna niemand wil ze in zijn achtertuin.” Dat uit zich vaak in een zeer lange doorlooptijd van grote infrastructuurwerken. “Gemiddeld loopt die op tot meer dan tien jaar. Kijk maar naar de missing links, die we uiteraard wel snel uitgevoerd willen zien.”


Mariën verwijst ook naar het recente onderzoek van de Vlaamse regering waaruit blijkt dat in de avondspits meer dan de helft van de verplaatsingen geen woon-werk, woon-school of zakelijke verplaatsingen zijn. “Als we de mensen die er niet strikt noodzakelijk moeten zijn uit de ochtend- of avondspits krijgen, dan zullen onze wegen veel minder snel verzadigd zijn.”


wat doen bedrijven?

De bedrijven kunnen natuurlijk ook zelf het heft in handen nemen en ervoor zorgen dat hun personeel zo min mogelijk mobiliteitsproblemen ondervinden. Daarom vroegen we ondernemers wat ze vandaag al doen, en wat hun plannen voor de toekomst zijn. Een eerste vaststelling is meteen dat die plannen voor de toekomst weinig of niet verschillen met die van vandaag. Dat wijst op weinig strategisch denkwerk over de mobiliteit van werknemers. Een derde van de ondervraagden geeft ook aan niets speciaals te doen op dat vlak. Maar 30 procent van hen is het wel van plan in de toekomst, voornamelijk via flexibele arbeidstijden of thuis- en telewerk.


Het topantwoord voor een duurzaam woon-werk verkeer is het aanbieden van flexibele arbeidsuren. Nagenoeg 47 procent van de ondernemingen past dat toe. Ook voor de toekomst blijft dat de belangrijkste maatregel. Op de tweede rij volgen het geven van een fietsvergoeding (32,9 procent) en een terugbetaling van openbaar vervoer (28,1 procent). Wat duidelijk in stijgende lijn zit als oplossing is thuis- en telewerk. 26,4 procent biedt zijn personeel vandaag al die mogelijkheid, en 29,5 procent is van plan dat (ook) in de toekomst te doen.


De afbouw van het leasewagenpark is niet meteen iets wat ondernemers vandaag (1,3 procent) of morgen (2 procent) zien als een oplossing. Wel denkt ongeveer 17 procent van de ondernemingen blijkbaar serieus na over een vergroening van het wagenpark, bijvoorbeeld via het aanbieden van een treinabonnement in combinatie met een bedrijfswagen.


Wat tot slot opvalt, is dat ondernemingen blijkbaar niet happig zijn, of het alleszins niet de moeite vinden, om mobiliteit op een strategisch niveau aan te pakken. Vandaag heeft slechts 1,6 procent een mobiliteitsmanager in dienst en heeft 3,4 procent een bedrijfsvervoersplan uitgewerkt. Voor de toekomst stijgen die percentage licht naar respectievelijk 2,2 en 6 procent. Het zijn vooral de grote bedrijven die daar mee bezig zijn. Uit de open antwoorden blijkt overigens ook dat kleinere bedrijven vaak aangeven dat ze bij het rekruteren van personeel geneigd zijn te kiezen voor mensen die in de buurt van het bedrijf wonen. Zo stellen mobiliteitsproblemen zich uiteraard veel minder snel. Slechts 4 procent van de ondervraagde bedrijven neemt geen enkele maatregel, maar ervaart het aanwerven van personeel ten gevolge van de file wel als erg tot zeer erg problematisch.


Volgens Katleen Mariën is het alvast een gemiste kans dat slechts weinig bedrijven echt bezig zijn met het uitwerken van een mobiliteitsstrategie. “Kwaliteit en beschikbaarheid vormen een belangrijke drempel voor werknemers om gebruik te maken van alternatieven voor de wagen. Maar ook de soms foutieve perceptie over het aantal alternatieven speelt mee. Informatie en communicatie over de mogelijkheden is daarom erg belangrijk. Dat is iets wat bedrijven zelf kunnen doen. Kijken hoe je dat aanpakt, levert de bedrijven niet alleen meer tevreden personeel op, het kan hen en hun personeel ook flink wat geld uitsparen. Er is dus nog werk aan de winkel om ondernemingen daarvoor te sensibiliseren, wat wij als Voka zeker proberen te doen.”

 


Pendelfonds subsidieert duurzaam woon-werkverkeer


De Vlaamse regering wil het aandeel van de auto in het woon-werkverkeer van zeventig procent naar zestig procent laten dalen. Fiets en openbaar vervoer moeten in het woon-werkverkeer elk een aandeel van twintig procent krijgen. Om die ambitieuze doelstellingen te bereiken is onder meer het Pendelfonds opgericht. Bedrijven die maatregelen uitwerken voor een duurzaam woon-werkverkeer kunnen daar een subsidie aanvragen.


Het Pendelfonds subsidieert projecten die een duurzaam woon-werkverkeer bevorderen. Projecten die tot doel hebben om het aantal autoverplaatsingen op het vlak van woon-werkverkeer te verminderen kunnen in aanmerking komen voor subsidiëring uit het fonds. Bedrijven of bedrijvengroepen of andere private instellingen, maar ook lokale of provinciale overheden of andere publieke instellingen (in samenwerking met een private partner) kunnen de subsidie aanvragen. Het bedrag van de subsidie is afhankelijk van de duur van het project, die maximaal vier jaar kan belopen. De subsidie bedraagt maximaal de helft van de kosten die aan de projectuitvoering verbonden zijn.
Voor info en voorwaarden: www. pendelfonds.be

 

 

Mobiliteitsbudget

Belgacom start met totaaloplossing mobiliteit

Wie afstapt van de idee dat alle werknemers op hetzelfde moment op dezelfde plaats moeten werken, verruimt gemakkelijker zijn kijk op mobiliteit. Dat was alvast zo het geval bij Belgacom, dat sinds 1 januari 2010 zijn medewerkers de mogelijkheid biedt om voor een mobiliteitsbudget te opteren.


Bij Belgacom is het mobiliteitsbeleid veel breder dan enkel ervoor zorgen dat medewerkers van en naar het werk geraken. Het maakt integraal deel uit van het personeelsbeleid, en moet er mee voor zorgen dat het bedrijf gemakkelijker medewerkers kan aantrekken en behouden.


Via het systeem van het mobiliteitsbudget krijgt de werknemer de keuze om de firmawagen te combineren met een abonnement voor het openbaar vervoer. Het mobiliteitsbudget wordt bepaald via een forfaitaire waardering van de kosten voor de bedrijfsparking en de tankkaart op basis van de jaarlijkse brandstofkosten voor de woon-werkverplaatsing van een individuele werknemer. Het minimumbedrag is 900 euro per jaar. De werknemer kan kiezen voor een wagen met ongelimiteerde tankkaart in België, of voor een kleinere wagen met gelimiteerde tankkaart en zonder toegang tot de bedrijfsparkings. Het vrijgekomen mobiliteitsbudget kan de werknemer gebruiken voor het openbaar vervoer, een fietsvergoeding of voor externe parkeerkosten.
Daarnaast plant het bedrijf nog andere zaken. Serge Peeters, HR-manager: “We denken bijvoorbeeld aan meer satellietkantoren, het invoeren van vergaderzalen met teleconferentiemogelijkheden en het promoten van telewerken.” Ook dat moet maken dat werknemers minder tijd verliezen, en tevreden aan de slag gaan. 

Auteur : Katleen Mariën en Sandy Panis
Bron : Vokatribune mei 2010

terug